id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090527.1 Rolnummer: 2009RK38 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 19:51 Fiche Geschillen over burgerlijke rechten behoren, overeenkomstig art. 144 van de Grondwet, bij uitsluiting tot de bevoegdheid (rechtsmacht) van de rechtbanken. Art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State doet geen afbreuk aan de 'exclusieve bevoegdheid' van de rechtbanken om te oordelen over rechten die door de eiser als subjectieve rechten omschreven zijn, zelfs wanneer ze afgeleid worden uit een beweerdelijk onwettige overheidshandeling. Artt. 17 en 18 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen aldus ook geen afbreuk doen aan de prerogatieven van de civiele kort gedingrechter. De rechtsmacht wordt (evenals de materiële bevoegdheid) bepaald naar het voorwerp van de eis zoals dit uit de inleidende dagvaarding blijkt. Bepalend is dus de vraag of de vordering zoals ze in concreto werd geformuleerd in de dagvaarding een vordering inhoudt tot schorsing van een administratieve beslissing, dan wel een vordering die de onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht van de eiser wil voorkomen (of vergoeden). Slechts in dat laatste geval beschikt de kort gedingrechter over de vereiste rechtsmacht om de vordering te kunnen beoordelen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Andere (kort geding) Vrije woorden: kort geding - rechtsmacht inzake het optreden van de overheid - voorwerp van de vordering - onrechtmatige aantasting subjectief recht voorkomen of vergoeden Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: Inzake : 2009/RK/38 De GEMEENTE MOL, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 2400 Mol, Molenhoekstraat 2; APPELLANTE tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, d.d. 11 december 2008 vertegenwoordigd door mr. P. Teerlinck, advocaat te 2300 Turnhout, de Merodelei 112; TEGEN : JP GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. F. Judo, advocaat te 1000 Brussel, Keizerslaan 3; De door de wet vereiste processtukken zijn in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 11.12.2008, niet betekend, en het verzoekschrift neergelegd op 29.1.2009, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld;
- Op 14.5.2008 werd in het bulletin der aanbestedingen door de gemeente Mol een overheidsopdracht aangekondigd, met als voorwerp de "economische, juridische, financiële en organisatorische dienstverlening bij verzelfstandiging". Die opdracht kaderde in het doel van de gemeente om haar dienstverlening in de vrijetijdssector (cultuur, sport en toerisme) te verzelfstandigen in de mate dat het de werking van het bestuur zou bevorderen. De gemeente wou polsen naar de haalbaarheid daarvan en beoogde tevens begeleiding bij de opstart van de verzelfstandiging. De gunningsprocedure waarvoor werd gekozen was de onderhandelingsprocedure met bekendmaking en de opdracht werd gekwalificeerd als een dienstenopdracht van juridische aard. De selectie-criteria werden omstandig omschreven en een bijzondere aandacht ging uit naar het kunnen voorleggen van minstens drie referenties voor gelijkaardige opdrachten, waarbij van de kandidaten een ge-detailleerde opgave werd verwacht van een aantal precies om-schreven punten. Zeven kandidaturen werden tijdig ingediend, waaronder deze van de heer JP. De gemeente besliste na studie van de kandidaturen om er drie te selecteren voor het indienen van een offerte op uiterlijk 8.8.2008, nl. PriceWaterhouseCoopers, Deloitte en GD+A Advocaten. De beslissing werd gemotiveerd door telkens per kandidaat te omschrijven of en in welke mate voldaan werd aan de vereiste inzake opgave van referenties. Bij brief van 27.6.2008 werd de heer JP er schriftelijk van in kennis gesteld dat hij niet was geselecteerd om een offerte in te dienen. In die brief werd verwezen naar de mogelijkheid om zich tot de Raad van State te wenden. Op 25.7.2008 vroeg de heer JP bij aangetekende brief dat hem het gunningsverslag en de gunningsbeslissing bezorgd zou worden. De gemotiveerde administratieve beslissing van 25.6.2008 werd hem daarop meegedeeld bij brief van 4.8.
- Op 16.9.2008 werd op verzoek van de heer JP een dagvaarding in kort geding betekend, die ertoe strekt dat de gemeente verbod zou worden opgelegd om over te gaan tot ondertekening van enige overeenkomst in het kader van de opdracht "economische, juridische, financiële en organisatorische dienstverlening bij verzelfstandiging" met anderen dan hijzelf, zolang geen uitspraak ten gronde is gedaan over de wettigheid van de aanbestedingsproce-dure, en dit op verbeurte van een dwangsom van 45.000,- EUR per overtreding. Op 6.10.2008 werd ook een bodemprocedure ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. In die zaak werd een rechtsdag verleend op 2.6.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond, waarbij hij evenwel de dwangsom bepaalde op 25.000,- EUR per overtreding. De gemeente Mol werd veroordeeld tot de gerechtskosten.
- Bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 29.1.2009, werd door de gemeente Mol hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Zij vordert dat de bestreden beschikking hervormd zou worden en dat opnieuw recht sprekend de afwezigheid van rechtsmacht of bevoegdheid om de vordering te beoordelen zou worden vastgesteld, en de vordering minstens ontoelaatbaar of ongegrond zou worden verklaard. Verder beoogt zij de veroordeling van de heer JP tot de gerechtskosten, waarbij zij de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.200,- EUR per aanleg.
- De heer JP concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van de gemeente Mol tot de kosten, waarbij hij de rechtsplegingsvergoeidng hoger beroep begroot op 2.500,- EUR, bedrag dat hij ter terechtzitting van 13.5.2009 herleidde tot 1.200,- EUR. RECHTSMACHT
- De gemeente Mol werpt in eerste instantie op dat de vordering zoals ze door de heer JP werd geformuleerd, zou neerkomen op een vordering tot schorsing van de administratieve beslissing van 25.6.2008, hetgeen een exclusieve bevoegdheid van de Raad van State uitmaakt overeenkomstig art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bijgevolg zou de tot de rechterlijke orde behorende kort gedingrechter niet bevoegd zijn of niet de rechtsmacht hebben om de vordering van de heer JP te beoordelen.
- Overeenkomstig art. 144 van de gecoördineerde Grondwet van 17.2.1994 behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de "bevoegdheid" van de rechtbanken, waarmee de grondwet-gever in de concrete bepaling eerder aan het begrip rechtsmacht refereert. Het begrip rechtsmacht verwijst immers naar de vraag of de beslechting van een geschil werd toevertrouwd aan de rechterlijke macht waartoe de rechter behoort die door de eisende partij werd aangezocht om het geschil te beslechten. Art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt dat de Raad van State als enige een voor vernietiging vat-bare akte of reglement van een administratieve overheid kan schorsen, doet aldus geen afbreuk aan de "exclusieve bevoegdheid" van de rechtbanken om te oordelen over de subjectieve rechten van een eiser, zelfs wanneer ze afgeleid worden uit een beweerdelijk onwettige overheidshandeling (zie ook Cass. 15.10.1993, R.W. 1993-1994, 711; Cass. 14.1.1994, R.W. 1994-95, 90; Cass. 17.11.1994, R.W. 1994-95, 1278; Cass., 25.4.1996, R.W. 1996-97, 432). Artt. 17 en 18 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen aldus geen afbreuk doen aan de prerogatieven van de civiele kort gedingrechter.
- Bepalend is de vraag of de vordering zoals ze door de heer JP werd gesteld een vordering inhoudt tot schorsing van een administratieve beslissing, dan wel een vordering die de onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht van de heer JP wil voor- komen (of vergoeden). Slechts in dat laatste geval beschikt de kort gedingrechter over de vereiste rechtsmacht om de vordering te kunnen beoordelen. De rechtsmacht wordt (evenals de materiële bevoegdheid) bepaald naar het voorwerp van de eis zoals dit uit de inleidende dagvaarding blijkt. Bijgevolg dient voor dit onderzoek m.b.t. de rechtsmacht te worden teruggegrepen naar het voorwerp van de eis zoals het door de heer Pirenne in dagvaarding werd omschreven. De door de heer JP in dagvaarding geformuleerde vordering houdt overduidelijk een vordering tot schorsing van de door hem bestreden administratieve beslissing in, waarbij hij verwees naar een beweerde strijdigheid van de beslissing met de wet- en regelgeving inzake overheidsopdrachten, en met name art. 71 van het K.B. van 8.1.1996, en naar een schending van de formele motiveringsplicht. Verder werd de gemeente ook een inhoudelijk ongerijmde motivering verweten, in zoverre de deontologische discretieplicht werd beoordeeld. Daar de vordering zoals geformuleerd in de dagvaarding niet opgevat werd als een vordering ter voorkoming (of vergoeding) van de onrechtmatige aantasting van een subjectief recht van de heer JP, had de eerste rechter zich zonder rechtsmacht moeten verklaren. De latere verklaring van de heer JP in conclusie dat zijn vordering beoogde een contract af te sluiten met de gemeente Mol, kan zelfs wanneer er een subjectief recht daartoe zou bestaan, niets aan die vaststelling wijzigen. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond; Hervormt de bestreden beschikking, en opnieuw recht sprekend, stelt het gebrek aan rechtsmacht vast. Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op 1200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 139 EUR rolrecht hoger beroep + 1200 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN waar aanwezig waren : de heer J. WETSELS Voorzitter de heer B. BULLYNCK Raadsheer de heer J. MERTENS DE WILMARS Plv. Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT J. MERTENS DE WILMARS B. BULLYNCK J. WETSELS PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090527.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div