← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090603.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090603.7 Rolnummer: 2008AR1458 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 19:53 Fiche

  1. De beperking in de tijd van het beding van aanwas, met mogelijkheid tot verlenging, brengt de geldigheid van de overeenkomst niet in het gedrang, nu ook in dat geval de partijen zich nog steeds definitief verbonden hebben met betrekking tot een actueel recht.
  2. De beëindiging van de relatie kan weliswaar tot stand komen door een eenzijdige beslissing van één van de partijen, doch heeft dusdanige gevolgen op diverse vlakken dat dit niet kan beschouwd worden als een louter potestatieve voorwaarde met het oog op het opzegbaar maken van het beding van aanwas. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Potestatieve BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Voorwerp - Niet-opengevallen nalatenschappen Vrije woorden: Feitelijke samenwoning - aankoop onroerend goed - beding van aanwas - in de tijd beperkt - opzegbaar - geldigheid - geen verboden erfrechtovereenkomst - geen potestatieve voorwaarde Tekst van de beslissing
  3. voorgaande Partijen hebben een tijdlang een relatie gehad, zonder samenlevingscontract. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren, respectievelijk in 1992 en
  4. Bij akte verleden voor notaris Patrick Vandeputte te Borgerhout-Antwerpen dd. 16/12/1997 kochten zij samen een onroerend goed te D.-A. Op 03/10/2007 bracht de heer A. een dagvaarding uit tot vereffening en verdeling van deze woning. Bij tegeneis vorderde mevrouw D. P. betaling van euro 26.494,50 provisioneel, meer de verwijlintresten vanaf de respectievelijke vervaldata van de lening en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 21/03/2008 werd de hoofdeis gegrond verklaard en een notaris aangesteld voor de vereffening en verdeling van het onverdeelde goed en vastgesteld dat de notaris standpunt dient in te nemen met betrekking tot de ingestelde tegeneis, nu deze vordering behoort tot de bewerkingen van vereffening en verdeling.
  5. vorderingen in beroep Tegen dit vonnis tekende mevrouw D. P. beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 02/06/
  6. Zij vordert de afwijzing van de oorspronkelijke vordering wegens nietigheid van de ingeroepen opzegbedingen uit de notariële koopovereenkomst, minstens te zeggen voor recht dat het ingeroepen aanwasbeding een verboden erfovereenkomst uitmaakt, minstens rechtsmisbruik te weerhouden en voor zoveel als nodig de oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren, zoals provisioneel thans begroot op euro 29.336,74 meer de intresten. De heer A. besluit tot ongegrondheid van het hoger beroep en bevestiging van het bestreden vonnis.
  7. ontvankelijkheid Het bestreden vonnis werd betekend op 21/05/
  8. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn en derhalve ontvankelijk.
  9. beoordeling
  10. In de notariële koopovereenkomst dd. 16/12/1997, waarbij partijen het onroerend goed aankochten, mits de prijs van euro 47.099,77 (1.900.000 BEF), elk voor de onverdeelde helft, werd een beding van aanwas voorzien, (in essentie) ten titel van wederkerige bepaling en kanscontract dat bij het overlijden van de eerststervende van hen, zijn aandeel in het aangekochte goed zal aangroeien bij dat van de langstlevende, zonder dat deze laatste iets zou verschuldigd zijn aan de nalatenschap van de eerststervende. Aldus staat ieder der kopers zijn aandeel af aan de andere, onder de opschortende voorwaarde van zijn vóóroverlijden. Als tegenprestatie voor deze afstand verkrijgt degene die afstaat, een gelijke kans om het aandeel van de andere te verwerven, indien hij langst leeft. Onder punt 5 van de overeenkomst werden een aantal mogelijkheden tot beëindiging voorzien, waarvan de hier relevante bepalingen te vinden zijn § onder B.: het beding van aanwas wordt overeengekomen voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf heden. Na het verstrijken van deze termijn wordt de overeenkomst geacht van rechtswege verder te lopen voor een nieuwe periode van drie jaar en zo telkens verder, tenzij één der partijen minstens drie maanden vóór de driejaarlijkse termijn, bij notariële akte ter overschrijving aan te bieden op het hypotheekkantoor, kennis geeft om een einde te stellen aan de overeenkomst van aanwas. § onder. C. b): onafgezien van opzegmogelijkheden onder B. heeft elke koper bij aankoop door niet-gehuwden het recht ná zes maanden feitelijke scheiding - aan te tonen met alle rechtsmiddelen - om de verkoop van het onroerend goed, voorwerp van deze overeenkomst, door alle rechtsmiddelen te vorderen (...) De koper die het eigendom blijft bewonen beschikt over een voorkeurrecht tot overname van het eigendom (...) Op 16/12/1997 werd eveneens voor notaris Patrick Vandeputte te Borgerhout - Antwerpen een hypothecaire lening afgesloten tussen enerzijds mevrouw D. P. en anderzijds de NV Imabo voor een bedrag van euro 47.099,77 (1.900.000 BEF), voor een duur van twintig jaar. In deze leningsakte stelde de heer A. zich hoofdelijk en ondeelbaar borg voor het ontleende bedrag.
  11. De overeenkomst tot aankoop met een beding van aanwas is op zich een rechtsgeldige overeenkomst, waarbij een onverdeeldheid tussen partijen ontstaat en actuele rechten aan de wederpartij worden toegekend onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de andere. Het beding van aanwas brengt een doelvermogen tussen partijen tot stand betreffende een welbepaald goed, in casu de aangekochte woning, in onverdeeldheid.
  12. Mevrouw D. P. roept de nietigheid van het beding van aanwas in wegens dwaling omtrent de samenwoonst, minstens wegens bedrog aangezien de heer A. nooit de intentie zou gehad hebben om samen te wonen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat in geval van inwilliging van de vordering tot nietigheid van het aanwasbeding, een gewone onverdeeldheid zou overblijven en meteen ook de vordering tot uitonverdeeldheidtreding zou moeten ingewilligd worden. Dwaling is ingevolge art. 1110 B.W. evenwel alleen dan een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt, wat te dezen niet het geval is. Van bedrog kan evenmin sprake zijn, nu niet is aangetoond dat op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst niet de intentie bestond om de reeds langer bestaande samenwoning verder te zetten. Het loutere feit dat, wellicht omwille van andere redenen, geen gemeenschappelijke inschrijving in het bevolkingsregister werd genomen, doet daaraan gaan afbreuk.
  13. De beperking in de tijd van het beding van aanwas, met mogelijkheid tot verlenging, brengt de geldigheid van de overeenkomst niet in het gedrang, nu ook in dat geval de partijen zich nog steeds definitief verbonden hebben met betrekking tot een actueel recht.
  14. Tevergeefs houdt mevrouw D. P. voor dat de overeenkomst, in de mate ze eenzijdig opzegbaar is, in geval van een feitelijke scheiding van meer dan zes maanden, dient beschouwd te worden als een verboden erfrechtovereenkomst. Een verboden erfrechtovereenkomst is elk beding dat tot voorwerp heeft louter eventuele rechten in een nog niet opengevallen nalatenschap of een bestanddeel daarvan toe te kennen, te wijzigen of af te staan. Een beding van aanwas doet evenwel meteen afdwingbare, zij het voorwaardelijke, verbintenissen ontstaan tussen partijen, onder meer om het goed te behouden en heeft aldus geen betrekking op een goed in de mate het deel zal uitmaken van een toekomstige nalatenschap. Partijen kunnen bijgevolg geldig preciseren dat de rechten die voortvloeien uit een beding van aanwas enkel toegekend worden zolang de samenwoning duurt. Dat elke partij op die manier eenzijdig de opzegging van het beding kan uitlokken en na het beëindigen van de samenwoning kan eisen uit de onverdeeldheid te treden, is enkel het gevolg van het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst ten bezwarende titel, partijen erover akkoord gingen om dergelijke ontbindende voorwaarde aan hun overeenkomst te koppelen.
  15. De beëindiging van de relatie heeft op grond van de uitdrukkelijke wilsovereenstemming van partijen, zoals die is uitgedrukt in hun overeenkomst dd. 16/12/1997, de opzegbaarheid van het beding van aanwas tot gevolg. Die beëindiging kan weliswaar tot stand komen door een eenzijdige beslissing van een van de partners, doch heeft dusdanige gevolgen op diverse vlakken dat dit niet kan beschouwd worden als een louter potestatieve voorwaarde met het oog op het opzegbaar maken van het beding van aanwas. Bijgevolg is een aldus opzegbaar beding van aanwas niet in strijd met art. 1174 B.W., waarbij wordt gesteld dat elke verbintenis nietig is wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt.
  16. Eveneens tevergeefs stelt mevrouw D. P. dat uit het feit dat partijen na de aankoop van de woning niet meer op hetzelfde adres ingeschreven zijn geweest moet afgeleid worden dat er geen samenwoonst is geweest en bij gebreke daaraan er ook geen sprake kan zijn van feitelijke scheiding. Partijen hebben immers voordien geruime tijd samengewoond en de inschrijving op een verschillend adres is kennelijk ingegeven door de mogelijkheid voor de heer A. aldus een hogere uitkering te genieten. Ingeschreven zijn op een verschillend adres impliceert trouwens geen afwezigheid van samenwoonst. Partijen blijven vaag over de vraag wanneer de relatie tussen hen feitelijk beëindigd is. Er is evenwel kennelijk geen betwisting over het feit dat op het ogenblik van de vraag tot uitonverdeeldheidtreding dit reeds gedurende jaren het geval was en bijgevolg zeker meer dan de vereiste zes maanden.
  17. Nu de heer A. enkel gebruik maakt van rechten die hem toegekend zijn in een geldig gesloten wederzijdse overeenkomst en er geen disproportie is tussen het nagestreefde voordeel en het door de andere partij eventueel geleden nadeel, is er geen sprake van rechtsmisbruik. Het tijdsverloop tussen de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen en de feitelijke opzegging hiervan, doet daaraan trouwens op zichzelf geen afbreuk.
  18. Door de geldige opzegging en bijgevolg het wegvallen van het aanwasbeding, ontstaat een gewone onverdeeldheid, waarvan de uitonverdeeldheidtreding kan gevraagd worden. Bijgevolg heeft de eerste rechter zeer terecht partijen verwezen naar een notaris voor de bewerkingen van vereffening en verdeling van deze onverdeeldheid. OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis. Verwijst appellante in de gerechtskosten van de procedure in hoger beroep, in hoofde van geïntimeerde begroot op euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van : DRIE JUNI TWEEDUIZENDENNEGEN waar aanwezig waren : M. VAN ROMPAY Raadsheer, Wnd. Voorzitter D. VAN OVERLOOP Raadsheer A. VAN RAEMDONCK Plaatsvervangend Raadsheer N. VAN DE VIJVER Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090603.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.