id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090603.8 Rolnummer: 1133 P 2002 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-04-19 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-02 19:53 Fiche
- De rechter is gehouden die herstelmaatregel te bevelen zoals gevorderd door de herstelvorderende overheid maar dient deze wel op zijn interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken of hij strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. Op grond van art. 159 G.W. moet de rechter nagaan of de door de herstelvorderende overheid gedane keuze van de herstelmaatregel uitsluitend steunt op motieven van een goede ruimtelijke ordening en gebeurlijk een herstelvordering die zou steunen op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of kennelijk onredelijk zou zijn zonder gevolg laten. De rechter heeft enkel een marginaal toetsingsrecht. Het feit dat de strafrechter de vordering van de gemachtigde ambtenaar niet met volle rechtsmacht heeft kunnen toetsen, schendt art. 6 EVRM niet en doet geen afbreuk aan een eerlijk proces.
- Zelfs wanneer het Hof reeds heeft vastgesteld dat de redelijke termijn op strafgebied is overschreden, kan het Hof nog het herstel bevelen teneinde de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden vermits dit niet automatisch het verval van de vordering tot herstel in de oorspronkelijke staat tot gevolg heeft. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Herstelvordering Vrije woorden:
- Strafrecht - stedenbouw - herstelvordering - rechterlijke controle - omvang - geen volle rechtsmacht - geen schending van het recht op een eerlijk proces
- Strafrecht - stedenbouw - herstelvordering - redelijke termijn - geen automatisch verval Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 149 DRO Grondwet 1994 - 159 Nota: De voorziening in cassatie van de Gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur werd verworpen bij arrest van 12 januari 2010 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 juni 2009 te Antwerpen, Twaalfde kamer (...) Hof dient enkel nog te oordelen over de herstelvordering. Met betrekking tot de herstelvordering De constructies zijn gelegen en in stand gehouden in bosgebied, volgens het gewestplan Turnhout, goedgekeurd bij K.B. van 30.09.
- Ze zijn aldus gelegen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied in de zin van art. 146 in fine van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. a. De herstelvordering van 6.01.1998 en 15.02.1999 Er werd door de provinciale gemachtigde ambtenaar op 6.01.1998 een herstelvordering (aanpassingswerken, demping slotgracht en afbraak stationsgebouw) geformuleerd die werd meegedeeld aan het College Van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoogstraten (stuk 14). Ter zitting van 26.01.1998 ging het College van Burgemeester en Schepenen akkoord met de herstelvordering hetgeen werd meegedeeld aan het Openbaar Ministerie bij brief van 16.03.1998, afgestempeld op het parket te Turnhout op 25.03.1998 (stuk 18). Deze herstelvordering werd aldus wel aan het Openbaar Ministerie meegedeeld weliswaar door het College Van Burgemeester en Schepenen en niet door de provinciale gemachtigde ambtenaar. Het College van Burgemeester en Schepenen wiens beslissing conform de vordering van de provinciale gemachtigde ambtenaar was, heeft als herstelvorderende overheid op regelmatige wijze de herstelvordering meegedeeld aan het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie ging niet onmiddellijk over tot het instellen van een strafvordering gelet op het schrijven van 18.12.1998 waarbij de gemachtigde ambtenaar verzocht om "deze zaak nog een tijdje in het beraad te houden" gezien er nog besprekingen werden gevoerd (stuk 19). Op 15.02.1999 werd er door de directeur generaal van de AROHM (de gewestelijke gemachtigde ambtenaar) een nieuwe herstelvordering meegedeeld aan het Openbaar Ministerie waarbij geen aanpassingswerken meer werden gevorderd maar de afbraak van alle constructies met uitzondering van het stationsgebouw. In deze herstelvordering werd niet verwezen naar de eerdere herstelvordering van de provinciale gemachtigde ambtenaar. De herstelvordering op 6.01.1998 van de provinciale gemachtigde ambtenaar en op 15.02.1999 van de gewestelijke gemachtigde ambtenaar werden geformuleerd op een ogenblik dat de wet van 29 maart 1962 nog van toepassing was, waarin niet was voorzien op welke wijze de herstelvordering aanhangig diende gemaakt te worden bij de strafrechtelijke instanties ("Benevens de straf beveelt de rechtbank op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van Burgemeester en Schepenen ..."). Er was echter geen enkele vormvereiste voorgeschreven. Het was voldoende dat op basis van de stukken van de rechtspleging de overheid duidelijk zijn wil te kennen heeft gegeven om een herstelvordering in te stellen zodat het inleiden per gewone brief aan het Openbaar Ministerie volstond om de herstelvordering in te stellen. Het bevel tot dagvaarding dateert van 23.10.2000 dus nadat beide herstelvorderingen aan het Openbaar Ministerie per brief zijn meegedeeld. Zowel ter zitting voor de eerste rechter als in hoger beroep handhaaft de gewestelijke gemachtigde ambtenaar, nu de stedenbouwkundige inspecteur, de herstelvordering van 15.02.1999 en niet deze van 6.01.1998 van de provinciale gemachtigde ambtenaar. De herstelvorderende overheid heeft steeds de mogelijkheid om zijn herstelvordering en de motieven ervan tijdens het geding aan te passen of te wijzigen voor zover deze aanpassing uitsluitend met het oog op een goede ruimtelijke ordening geschiedt en strekt tot het doen ophouden van de gevolgen van een stedenbouwmisdrijf (Cass. 17.10.2006, P06.0712.N/2 niet uitgegeven). Gezien deze beide herstelvorderingen op rechtmatige wijze aan het Openbaar Ministerie zijn meegedeeld en de stedenbouwkundige inspecteur de handhaving vordert van de herstelvordering van 15.02.1999, leidt het Hof af dat de herstelvordering van 6.01.1998 wordt vervangen door de herstelvordering van 15.02.
- Bij de beoordeling van de wettigheid van de herstelvordering dient hiermee rekening te worden gehouden met andere woorden of de wijziging/aanpassing van de herstelvordering werd genomen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. b. De beoordelingsmarge van de rechter omtrent de herstelmaatregel op grond van art. 149 §1 DRO De rechter is gehouden die herstelmaatregel te bevelen zoals gevorderd door de herstelvorderende overheid maar dient deze wel op zijn interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken of hij strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. De rechter heeft echter geen volheid van bevoegdheid. De scheiding van de machten verhindert dat de rechter over de opportuniteit van de herstelmaatregel kan oordelen. Alleen de herstelvorderende overheid heeft een appreciatie- en beleidsbevoegdheid. Op grond van art. 159 G.W. moet de rechter nagaan of de door de herstelvorderende overheid gedane keuze van de herstelmaatregel uitsluitend steunt op motieven van een goede ruimtelijke ordening en gebeurlijk een herstelvordering die zou steunen op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of kennelijk onredelijk zou zijn zonder gevolg laten. De rechter heeft enkel een marginaal toetsingsrecht (Cass. 4.11.2008, P.08.0084.N/7, niet uitgegeven). c. De overschrijding van de redelijke termijn en gevolgen hiervan op de herstelvordering Bij tussenarrest d.d. 22.11.2006 werden, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, beklaagden op grond van art. 21 ter VT. SV. veroordeeld tot een eenvoudige schuldigverklaring. Verwijzend naar het arrest Hamer van 27.11.2007 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens beweren beklaagden dat bij vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn deze herstelvordering een straf is in de zin van art. 6 EVRM zodat een onafhankelijke en onpartijdige rechter met volle rechtsmacht moet kunnen oordelen over de wettigheid en de opportuniteit van de herstelmaatregel. De vaststelling dat een herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van art. 6.1 EVRM, brengt enkel met zich mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen maar niet dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de strafrechter daar met volheid van bevoegdheid dient over te oordelen (Cass. 4.11.2008, hoger geciteerd). Immers de herstelmaatregelen zijn geen straffen. Doordat zij afhankelijk zijn van de vaststelling van een misdrijf, is de vordering weliswaar verbonden met de strafvordering maar valt zij binnen het concept van teruggave in de zin van art. 44 SW. Zelfs wanneer het Hof reeds heeft vastgesteld dat de redelijke termijn op strafgebied is overschreden, kan het Hof nog het herstel bevelen teneinde de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden vermits dit niet automatisch het verval van de vordering tot herstel in de oorspronkelijke staat tot gevolg heeft. Immers het arrest Hamer van 27.11.2007 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens erkent uitdrukkelijk dat het tijdsverloop geen afbreuk doet aan het legitieme doel van de opgelegde herstelmaatregel die nog steeds noodzakelijk is om een einde te stellen aan een niet vergunde situatie. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de ontoelaatbaarheid van de herstelvordering en doet geen afbreuk aan de interne wettigheid van de herstelmaatregel die dient beoordeeld te worden door de rechter. Immers de interne wettigheid van de herstelmaatregel houdt geen verband met het gevolg dat aan deze vordering moet worden gegeven wegens het nadien overschrijden van de redelijke termijn en betreft enkel haar inhoudelijke overeenstemming met de wet op het ogenblik dat het herstel gevorderd wordt (Cass. 4.11.2008, hoger geciteerd en Cass. 6.05.2008, nr. P.08.0151.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.1, niet uitgegeven). d. Schending van art. 6 EVRM Ten onrechte beweren beklaagden dat de stedenbouwkundige inspecteur die oordeelt over de opportuniteit van de herstelmaatregel de betrokkenen voorafgaandelijk niet heeft gehoord waardoor er geen sprake is van een eerlijk proces wanneer de rechter niet met volle rechtsmacht over de herstelmaatregel kan oordelen. In stedenbouwzaken moet de rechtspleging die tot het bevelen van een herstel leidt, in haar geheel nl. het optreden van de herstelvorderende overheid in combinatie met de beoordeling van dit optreden voor de rechter, worden getoetst aan de voorwaarden van art. 6 EVRM. De beklaagden hebben vooreerst de mogelijkheid om voor de gemachtigde ambtenaar alle elementen naar voor te brengen die zij essentieel achten. De wetgever heeft de beoordeling omtrent het opleggen van de herstelmaatregel aan de overheid overgelaten met het oog op de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening. Uit deze wetgeving volgt niet dat het bestuur niet onafhankelijk of onpartijdig zou oordelen of dat beklaagden niet eerlijk zouden worden behandeld. Het feit dat beklaagden niet verplicht werden gehoord vooraleer de gemachtigde ambtenaar zijn herstelmaatregel vordert, doet in deze zaak geen afbreuk aan een eerlijk proces. Immers voor de eerste rechter en thans in hoger beroep worden beklaagden wel gehoord en kan er tegenspraak over de gevorderde herstelmaatregel worden gevoerd. De gevorderde herstelmaatregel kan betwist worden door de beklaagden wegens willekeur, onredelijkheid, gebrek aan bewijskrachtige gegevens. De strafrechter kan bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht deze herstelmaatregel verwerpen. Het feit dat de strafrechter de vordering van de gemachtigde ambtenaar niet met volle rechtsmacht heeft kunnen toetsen, schendt art. 6 EVRM niet en doet geen afbreuk aan een eerlijk proces. d. Ten gronde: de herstelvordering van 15.02.1999 is kennelijk onredelijk De rechter is gehouden de herstelmaatregelen te bevelen zoals gevorderd door de herstelvorderende overheid maar dient deze wel op de interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken en of ze stroken met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berusten. De rechter kan enkel nagaan of de door de herstelvorderende overheid gedane keuze van herstelmaatregel uitsluitend steunt op motieven van een goede ruimtelijke ordening en gebeurlijk een herstelvordering die zou steunen op motieven vreemd aan de ruimtelijke ordening of die kennelijk onredelijk zou zijn zonder gevolg laten. Bovendien moet de rechter ook nagaan of de last die voor de beklaagden uit het gevorderde herstel zou voortvloeien opweegt tegen het voordeel dat hieruit voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan. De Hoge Raad voor het Herstelbeleid verleende op 16.03.2007 een niet éénsluidend advies met betrekking tot de herstelvordering van 15.02.1999 en een éénsluidend advies met betrekking tot de herstelvordering van 6.01.1998, neergelegd ter griffie op 19.03.
- Om redenen zoals hoger uiteengezet stelt het Hof vast dat de herstelvordering van 6.01.1998 regelmatig meegedeeld aan het Openbaar Ministerie, vervangen is door de herstelvordering van 15.02.
- Het Hof dient derhalve enkel de interne en externe wettigheid van de herstelvordering van 15.02.1999 te beoordelen. In hoger beroep betwisten beklaagden niet langer de bevoegdheid van de directeur generaal van het AROHM om een herstelvordering in te dienen. Het niet éénsluidend advies met betrekking tot de herstelvordering van 15.02.1999, verleend door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, is een louter advies en de rechter behoudt zijn volledige beoordelingsbevoegdheid omtrent de gevorderde herstelmaatregel hetgeen impliceert dat de rechter de mogelijkheid heeft om "de herstelvordering" te beoordelen op zijn wettigheid ongeacht of de Hoge Raad voor het Herstelbeleid een éénsluidend dan wel andersluidend advies geeft omtrent het toekennen van deze herstelvordering. Het Hof dient derhalve "het advies bedoeld in art. 198bis DRO " (dat geen bestuursbeslissing is die de rechtspositie van een persoon kan wijzigen) niet te toetsen aan haar wettigheid in de zin van art. 159 GW en aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het vrijwillig gevraagd advies door het Hof op grond van art. 198bis DRO is evenmin bindend voor de herstelvorderende overheid (zie arrest van het Arbitragehof nr. 31/2008 van 28.02.2008 (...)/Vlaamse Regering, en Cass. 17.06.2008, P.08.0256, niet uitgegeven). Het Hof is in deze zaak van oordeel dat de herstelvordering van 15.02.1999 niet alleen onvoldoende gemotiveerd is vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening maar ook kennelijk onredelijk en dit om volgende redenen:
- De herstelvorderende overheid heeft steeds de mogelijkheid om zijn herstelvordering en de motieven ervan tijdens het geding aan te passen of te wijzigen voor zover deze aanpassing uitsluitend met het oog op een goede ruimtelijke ordening geschiedt en strekt tot het doen ophouden van de gevolgen van een stedenbouwmisdrijf (Cass. 17.10.2006, P06.0712.N/2, niet uitgegeven). Het staat vast dat er aan de bestemming, met name kwetsbaar gebied "bosgebied", geen wijziging is gekomen en in de toekomst door de gemeente Hoogstraten ook geen wijziging aan die bestemming gepland is. Het Hof stelt vast dat de gemachtigde ambtenaar op 6.01.1998 aanpassingswerken vordert (zowel aan het hoofdgebouw en bijgebouwen) en de afbraak van het stationsgebouw conform de verleende vergunning van 13.10.1987 en de demping van de slotgracht. Een jaar later op 15.02.1999 daarentegen vordert de gemachtigde ambtenaar de afbraak van de hoofd- en bijgebouwen en niet de afbraak van het stationsgebouw. Enkel het dempen van de slotgracht stemt overeen met de voorgaande herstelvordering. In deze herstelvordering wordt er niet gemotiveerd zelfs niet verwezen naar de eerdere herstelvordering. Er wordt op geen enkele wijze gemotiveerd vanuit ruimtelijk oogpunt waarom de eerste herstelvordering niet meer geschikt is. Er wordt enkel gemotiveerd dat dergelijke exuberante bouwvolumes in bosgebied niet alleen in strijd zouden zijn met de verleende vergunning van 13.10.1987, maar ook de ruimtelijke draagkracht in bosgebied zou overschrijden zodat de afbraak van de hoofd- en bijgebouwen noodzakelijk zou zijn vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Waarom bij het formuleren op 6.01.1998 aanpassingswerken wel mogelijk waren en een jaar later niet meer niettegenstaande er geen enkele wijziging is ingetreden in de bestemming van het gebied noch in de planologische context, is onvoldoende gemotiveerd. Immers de afwijkende realisatie van het gebouw ten aanzien van de vergunning was ook al gekend bij het formuleren van de herstelvordering op 6.01.
- De enkele bewering dat het materieel niet mogelijk is om aanpassingswerken te doen en bestaande constructies grotendeels werden gesloopt en heropgebouwd, was ook al gekend bij het formuleren van de herstelvordering op 6.01.
- De aanpassingswerken bleken toen wel mogelijk te zijn.
- De redelijkheid van de herstelvordering van 15.02.1999 dient niet alleen getoetst aan de gewestplanbestemming maar ook aan de bestaande toestand. Zelfs wanneer de wederrechtelijke constructies onverenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gebied, kan de rechter afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak oordelen dat een herstelvordering, die alleen gesteund is op grond van de bestemming van het gebied, kennelijk onredelijk is en niet noodzakelijk is om de ruimtelijke ordening te vrijwaren. De herstelvordering in deze is niet voldoende gemotiveerd vanuit ruimtelijke oogpunt nu zij verzuimt rekening te houden met de ruimtelijke impact van de vooraf bestaande en vergunde toestand nu er steeds een geweest is van residentieel gebruik. Het wordt niet betwist dat reeds voor de wet van 29 maart 1962 er een woonhuis (nu genoemd stationsgebouw) met grote en kleine bijgebouwen (quarantainestallen) stond midden in het bosgebied. Er was derhalve al reeds een open ruimte in het bosgebied. Bijkomend stelt het Hof vast dat er een bouwvergunning werd verleend op 13.10.1987 voor het herbouwen van het bescheiden woonhuis op een andere plaats op de site en het herstel van de daken van de bijgebouwen mits enkele kleine aanpassingen op voorwaarde dat het bestaande woonhuis (het stationsgebouw) binnen de 6 maanden wordt afgebroken. Bij het toekennen van deze vergunning werd bepaald dat het feit dat deze gebouwen gelegen waren in bosgebied dit de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt. Op die plaats in het bosgebied is er dus steeds een residentiële functie geweest. Wat betreft de slotgracht, acht het Hof het dempen ervan zoals door de eerste rechter bevolen eveneens kennelijk onredelijk gelet op het milieuverslag van de B.V.B.A. A. dat door de stedenbouwkundige inspecteur weliswaar betwist wordt maar niet op grondige wijze weerlegd wordt. Het feit dat de oevers van de slotgracht voor amfibieën niet geschikt zouden zijn en de diepte van de slotgracht onvoldoende zou zijn, zijn louter beweringen die de vaststellingen in het hoger vermeld milieuverslag niet weerleggen. Rekening houdend met deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de door beklaagden begane inbreuken niet van die aard zijn dat de ruimtelijke draagkracht wordt overschreden waardoor de ruimtelijke ordening ernstig is geschaad. Een andere herstelmaatregel zoals aanpassingswerken of meerwaarde, is mogelijk en lijkt meer aangewezen gelet op de aard van de overtreding en de vooraf bestaande vergunde toestand. Hierdoor zal de goede ruimtelijke ordening kunnen worden hersteld. Immers de herstelvorderende overheid heeft in het verleden ook een andere maatregel voorgesteld (de herstelvordering van 6.01.1998 beoogde aanpassingswerken) en nu wordt bij beslissing van 2.03.2009 van het College van Burgemeester en Schepen een meerwaarde voorgesteld. De herstelvordering van 15.02.1999 zoals nu gesteld en louter gehandhaafd brengt overigens voor eerste, tweede en derde beklaagden als leden van de Raad van Bestuur van de N.V. M. en de vierde beklaagde, De N.V. M. zelf als eigenaar van het onroerend goed een onredelijke last mee die het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan, ruim overstijgt, ook al zijn eerste en derde beklaagden niet gedomicilieerd in het onroerend goed en oefenen zij geen professionele activiteit uit in het kwestieuze onroerend goed. In ondergeschikte orde vordert de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur dat indien deze herstelmaatregel niet wordt toegekend, op grond van art. 4, 2de lid V.T. S.V. de burgerlijke belangen aangehouden blijven. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur treedt hier op als eiser tot herstel ter vrijwaring van het algemeen belang van de gemeenschap meer bepaald de ruimtelijke ordening en niet als burgerlijke partij die in haar particuliere belangen is geschaad. Een herstelvordering is weliswaar een burgerlijke maatregel die tot de strafvordering behoort maar de stedenbouwkundige inspecteur is niet gerechtigd via verzoekschrift zoals voorzien in art. 4, derde lid V.T. S.V. een herstelvordering aanhangig te maken bij de strafrechter om reden dat zijn belangen geen burgerlijke belangen zijn in de zin van art. 4, tweede lid van de V.T. S.V. OM DIE REDENEN: HET HOF, (...) Stelt vast dat de herstelvordering d.d. 15.02.1999 kennelijk onredelijk is en laat deze zonder gevolg; (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090603.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.