← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090611.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090611.16 Rolnummer: 61 AGA 2007 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-02-09 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-07-02 19:58 Fiche

  1. Het wordt beklaagde verweten risicovolle werkzaamheden te hebben doen uitvoeren zonder een planning te hebben die afdoende preventiemaatregelen inhouden om het risico te voorkomen en dus te beheersen.
  2. Hij heeft dan ook bewust en buiten elke dwang gehandeld en zodoende de weerhouden onachtzaamheden of onzorgvuldigheden wetens en willens begaan. Ook daders van onachtzaamheidsmisdrijven kunnen wetens en willens foutief handelen in de zin van artikel 5 van het Strafwetboek. Artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek is dan ook niet van toepassing.
  3. De burgerlijke partijen houden voor geen rechthebbenden te zijn in de zin van de artikelen 12 tot en met 20bis van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zodat artikel 46 van dezelfde wet niet van toepassing zou zijn. Zij, uitgezonderd M., M. (geboren ...1976) en M. B., bewijzen niet de hoedanigheid te hebben om als niet rechthebbende in de arbeidsongevallenwet een vordering tot schadevergoeding in gemeen recht te kunnen stellen ten aanzien van de werkgever van het slachtoffer of ten aanzien van diens aangestelde.
  4. Op de door deze burgerlijke partijen gevraagde rechtsplegingvergoeding kan niet worden ingegaan, nu zij hoofdzakelijk worden afgewezen van de door hen gevorderde schadevergoedingen, die wat de omvang betreft niet worden verantwoord en derhalve willekeurig werden begroot, onder meer met het oogmerk een zeer hoge rechtsplegingvergoeding te kunnen vorderen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Arbeidsongevallen STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijke aansprakelijkheid - Rechtspersoon Vrije woorden:
  5. Strafrecht - arbeidsongeval - fout - geen voldoende preventiemaatregelen
  6. Strafrecht - aansprakelijkheid rechtspersoon - verdeling aansprakelijk natuurlijke persoon en rechtspersoon - wetens en willens - onachtzaamheidmisdrijven
  7. Strafrecht - burgerlijke belangen - arbeidsongeval - vergoeding in gemeen recht - bewijs geen rechthebbende in de arbeidsongevallenwet
  8. Strafrecht - burgerlijke belangen - rechtsplegingsvergoeding - misbruik - vermindering Wettelijke bepalingen: Varia - ARAB Wet - 04-08-1996 - 99 (Welzijnswet) Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 5 (tweede lid) - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Het cassatieberoep van de burgerlijke partijen werd verworpen bij arrest van 12 januari 2010, P.09.1140.N Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 11 juni 2009 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) De wettelijke bepalingen die ten deze de betrokken feiten bestraffen zijn afdoende duidelijk geconcretiseerd om de legaliteitstoets te doorstaan. Verder dient het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming of het ARAB wel te worden beschouwd als een uitvoeringsbesluit van de Welzijnswet. Of zij al dan niet een uitvoeringsbesluit is van de vroegere gezondheids- en veiligheidswet van 10 juni 1925 is daarbij niet relevant. Artikel 99 van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 handhaaft uitdrukkelijk het ARAB. Een dergelijke bepaling zou zinloos zijn indien het ARAB thans niet als een uitvoeringsbepaling van de Welzijnswet wordt beschouwd. Het is bewezen dat het slachtoffer A. B. op 4 december 2003 reinigingswerken uitvoerde aan een hoogspanningscabine, waarvan bepaalde geleiders nog onder hoogspanning stonden (cfr. stuk 55 van het strafdossier), en dat hij daarbij niet vergezeld was van een medewerknemer. Hij is door elektrocutie om het leven gekomen doordat hij in aanraking kwam met de geleiders die nog onder spanning stonden. In plaats van gebruik te maken van een laddertje of een voetbank is hij op de opvangbak van de olie van de transformator gaan staan om het bovenste gedeelte onder de onder spanning staande geleiders te reinigen. Tijdens dit werk is de opvangbak, die bestond uit een dunne kunststoffen opkanting, gekraakt, waardoor hij zich heeft trachten vast te grijpen en in de genaakbaarheidzone van de onder spanning staande geleiders is gekomen. Op dat ogenblik is een stroomstoot door de linker- of rechterhand zijn lichaam en hartstreek binnengekomen om vervolgens via de knie die steunde tegen het metalen omhulsel van de transformator, terug naar buiten te treden (cfr. stukken 32-33 van het strafdossier). Het is eveneens bewezen dat de N.V. E. Z., werkgeefster van het slachtoffer, geen kennis had van de aard van de door het slachtoffer te reinigen cabine en zij er dan ook niet van op de hoogte was dat de cabine niet volledig spanningsvrij was gemaakt. Het staat dan ook vast dat het te dezen geen toevalligheid was dat er nog hoogspanning aanwezig was. Deze omstandigheid hield verband met het type van de cabine en vereiste daarom bijkomende preventiemaatregelen, zoals het mechanisch afschermen van de genaakbaarheidzone rond de onder spanning staande geleiders, indien niet kan voorkomen worden spanningsvrij te reinigen. Daartoe diende te dezen de distributienetbeheerder Interelectra tussen te komen. Het is bewezen dat de bijkomende preventiemaatregelen niet werden genomen en dat evenmin de tussenkomst van de distributienetbeheerder was gevraagd (cfr. stuk 55 van het strafdossier). (...) Beklaagde is in gebreke gebleven doordat hij reinigingswerken heeft laten uitvoeren in hoogspanningscabines, waarvan hij niet wist of ze al dan niet volledig spanningsvrij waren op het ogenblik dat de werken zouden worden uitgevoerd. Hij heeft bovendien toegelaten dat deze werken door één enkele arbeider werden uitgevoerd. (...) Beklaagde W. N. verklaarde inderdaad onder meer: "Wanneer er specifieke instructies van toepassing zijn, zoals in dit geval wel van toepassing waren, is het de Vlaamse Gemeenschap die, via ARDUCO BVBA, deze aan ons dient te laten weten. Dit is niet gebeurd vermits er op het ogenblik van de feiten bij de Vlaamse Gemeenschap geen veiligheidscoördinator 'Verwezenlijking' was (art 16 Welzijnswet). Slachtoffer had reeds 20 cabines uitgevoerd waarbij de normale procedure van toepassing was. In zijn instructies, zie laatste bladzijde bijlage 2, staat duidelijk dat wanneer hij een andere cabine, zoals cabine met nummer A 1058, tegenkwam hij zijn werkzaamheden niet mocht aanvatten alvorens de assistent projectleider telefonisch te verwittigen. Dit heeft het slachtoffer niet gedaan. Mede door zijn ervaring had hij duidelijk moeten zien dat cabine A 1058 een ander soort cabine was, een cabine die niet volledig stroomloos kan gezet worden" (stuk 74 van het strafdossier). Eerder verklaarde hij ook "Wij zelf hebben geen lijst van verschillende types van cabines gekregen van A. BVBA volgens dewelke wij konden bepalen welke cabines op voorhand spanningsvrij diende geschakeld te worden. Dit was van belang voor de planning wetende dat de distributiebeheerder een week op voorhand dient gecontacteerd te worden" (stuk 28 van het strafdossier). Terechtzitting van 11 juni 2007 bevestigde deze beklaagde andermaal "...Wij zijn van start gegaan zonder precies "te weten" over welke kabine het ging". Ook de heer M. L., de projectleider van de N.V. E. Z., verklaarde: "...Geen enkele cabine was met open HS-schakelmateriaal uitgerust, zij waren allen van het gesloten HS-schakelmateriaal. Ik was niet op de hoogte van het bestaan van cabines met open HS-schakelmateriaal. Het wettelijk verplicht keuringsverslag van deze cabine A1058 lag niet voor, normaal kregen wij dat van A. BVBA wat voor deze cabine niet het geval was. Dit heeft geen vragen opgeroepen gezien er meerdere cabines zonder keuringsverslag dienden onderhouden te worden. De keuringsverslagen vermelden ook niet het type van HS-cabine (open of gesloten HS-schakelmateriaal). Dit was ook niet verbonden met de werkwijze van reiniging of toe te passen checklijst" (stuk 23 van het strafdossier). De heer W. C., die de zaakvoerder was van de B.V.B.A. A., hoofdaannemer, kan niet bevestigen of haar onderaannemer E. Z. was geïnformeerd "betreffende de cabines die op voorhand spanningsvrij diende geschakeld te worden". Wel bevestigde hij dat een lijst met verschillende types van cabines was overgemaakt (cfr. stuk 434 van het strafdossier). Dit wordt ook bevestigd door F. T. (aanvullende onderzoek na het tussenarrest). Dat ook het slachtoffer zelf foutief zou hebben gehandeld, en met name en onder meer door het negeren van de algemene instructie geen werken uit te voeren als de cabine niet volledig stroomvrij is, en dat derden, zoals de Vlaamse Gemeenschap of de hoofdaannemer A., in gebreke zouden zijn gebleven, aangenomen dat hun fouten bewezen zouden zijn, doet aan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van beklaagde geen afbreuk. Een algemene waarschuwing geen werken uit te voeren in cabines die niet volledig stroomvrij zouden zijn dan wel de vaststelling dat het slachtoffer voldoende kennis had om vast te stellen dat het een cabine van een andere type betrof, kunnen de tekortkoming van beklaagde, zoals omschreven in de onderscheiden thans aangehouden tenlasteleggingen, niet wegnemen. Het behoeft geen betoog dat er anders over oordelen de door beklaagde overtreden regels inhoudloos zouden maken. Het kan het slachtoffer niet worden verweten niet te hebben gecontroleerd dat de betrokken cabine afwijkend was van de andere en niet volledig stroomvrij kon worden gemaakt dan mits tussenkomst van de distributienetbeheerder. De betrokken werknemer dient niet in staan voor de aan de werkgever opgelegde verplichtingen, die niet werden nagekomen omdat de werkgever zelf nagelaten had zich te informeren nopens het type van de te reinigen cabine. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van beklaagde wordt verder niet weggenomen door de door anderen begane inbreuken op de Wetgeving inzake de tijdelijke en mobiele werkplaatsen. Het Hof is overigens te dezen niet gevat om terzake enige beoordeling te maken. Beklaagde had in voorkomend geval zelf de in artikel F voorziene plannen dienen op te stellen, indien derden, die daartoe mogelijkerwijze de verplichting hadden, dit niet hadden gedaan. Indien hij van oordeel was dat dit niet mogelijk was, had hij de werken niet mogen doen uitvoeren. Het wordt beklaagde verweten risicovolle werkzaamheden te hebben doen uitvoeren zonder een planning te hebben die afdoende preventiemaatregelen inhouden om het risico te voorkomen en dus te beheersen. Beklaagde W. N. heeft deze fouten wetens en willens begaan: hij wist niet welke soort cabine diende te worden gereinigd en toch heeft hij de reinigingswerkzaamheden laten uitvoeren door één enkele arbeider. Hij was ervan op de hoogte dat hij op dat ogenblik niet kon weten of de cabines stroomvrij konden worden gemaakt. Hij heeft dan ook bewust en buiten elke dwang gehandeld en zodoende de weerhouden onachtzaamheden of onzorgvuldigheden wetens en willens begaan. Ook daders van onachtzaamheidsmidrijven kunnen wetens en willens foutief handelen in de zin van artikel 5 van het Strafwetboek. Artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek is dan ook niet van toepassing. Deze fouten, zijnde het laten uitvoeren van reinigingswerken in een hoogspanningscabine die niet spanningsvrij is gemaakt en zonder dat bijzondere preventiemaatregelen waren voorzien, omdat beklaagde niet op de hoogte was van het type van de betrokken cabine, is een oorzaak van het overlijden van het slachtoffer A. B.. Het betrokken arbeidsongeval had zich niet voorgedaan, zoals het zich thans heeft voorgedaan, indien beklaagde de thans te zijnen laste aangehouden onachtzaamheden en onvoorzichtigheden niet had begaan. De ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, zodat slechts één straf, en met name de zwaarste, dient te worden opgelegd. De hierna aan deze beklaagde opgelegde bestraffing vormt een afdoende en juiste bestraffing voor al deze misdrijven samen, gelet op enerzijds de aard en de ernst van de feiten en met name het erdoor veroorzaakte menselijk leed, en anderzijds het blanco strafregister van beklaagde. De vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete. Het staat op grond van de voorliggende onderzoeksgegevens vast dat beklaagde nog niet werd veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. Een uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf voor de hierna bepaalde proeftermijn komt gepast voor. Deze gunstmaatregel mag immers een verdere verbetering van beklaagde doen verhopen, gelet op de gunstige balans inzake arbeidsongevallen die beklaagde toch kan voorleggen. De opschorting is niet afdoende. Beklaagde heeft toch werken laten uitvoeren zonder het risico op dodelijke arbeidsongevallen afdoende te hebben beheerst. De eventuele gevolgen van een veroordeling, met name en onder meer ten aanzien van de erkenning als aannemer door de Provinciale Registratiecommissie van aannemers, worden in aanmerking genomen bij de straftoemeting. Gedaagde de N.V. E.Z. wordt burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de geldboete en de kosten waartoe beklaagde, die haar gedelegeerd bestuurder is, wordt veroordeeld. Burgerrechtelijk. De burgerlijke partijen M. B. (geboren ...1945) en R. B. vorderen elk een ex aequo et bono begrote vergoeding van 375.000,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 4 december 2003, de gerechtelijke intresten en een rechtsplegingsvergoeding van 10.000,00 euro. Zij zijn de ouders van het slachtoffer en de door hen gevorderde vergoeding betreft "het verdriet" dat zij lijden ingevolge het "onmetelijk verlies van hun zoon". De burgerlijke partijen M., M. (geboren ...1976), M., S., F., A., N., N. en I. B. vorderen elk een ex aequo et bono begrote vergoeding van 83.333,33 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten van de dag der feiten en een rechtsplegingsvergoeding van 10.000,00 euro. Het zijn de broers en zusters van het slachtoffer. Ook zij maken in hun conclusies gewag van "het verdriet en gemis". Deze burgerlijke partijen stellen nog dat het slachtoffer inwoonde bij zijn familie en berekenen hun schadevergoeding op een forfaitair bedrag voor hen allen te delen door hun aantal. De vorderingen gesteld door de burgerlijke partijen M., M. (geboren op ...1976) en M. B., zijn ontvankelijk. De vorderingen van de overige burgerlijke partijen zijn niet ontvankelijk. De burgerlijke partijen houden voor geen rechthebbenden te zijn in de zin van de artikelen 12 tot en met 20bis van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zodat artikel 46 van dezelfde wet niet van toepassing zou zijn. Zij, uitgezonderd M., M. (geboren ...1976) en M. B., bewijzen niet de hoedanigheid te hebben om als niet rechthebbende in de arbeidsongevallenwet een vordering tot schadevergoeding in gemeen recht te kunnen stellen ten aanzien van de werkgever van het slachtoffer of ten aanzien van diens aangestelde. De burgerlijke partijen M. B. en R. B. zijn de ouders van het slachtoffer, die met hem samenwoonden onder hetzelfde dak. Zij leggen geen stukken voor van het aandeel van het slachtoffer in het geglobaliseerde gezinsinkomen. Zij stellen enkel dat het slachtoffer niet de belangrijkste kostwinner zou zijn geweest. Ten aanzien van de broers en de zusters, uitgezonderd M., M. en M. B., is evenmin aangetoond dat zij geen rechthebbenden meer zouden zijn. Zij komen in aanmerking indien de ouders niet als rechthebbenden kunnen worden beschouwd en het staat niet vast of zij al dan niet, zo zij de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt op het ogenblik van het ongeval, niet meer gerechtigd waren op kinderbijslag. M., M. (geboren ...1976) en M. B. dienen wel met zekerheid als niet rechthebbenden in de arbeidsongevallenwet te worden beschouwd. Zij hadden ruimschoots de leeftijd van 18 jaar bereikt op het ogenblik van het ongeval en zij konden zeker als niet meer kinderbijslaggerechtigd worden beschouwd. M. B. is gehuwd sedert ...september 2001 en geen van hen woonde op het ogenblik van het arbeidsongeval nog samen met het slachtoffer en met hun ouders, zoals blijkt uit de stukken van de dienst bevolking van Antwerpen, die ingevolge het tussenarrest werden gevoegd. Het is bewezen dat ook de N.V. E. Z. een onvoorzichtigheid heeft begaan in oorzakelijk verband met het overlijden van het slachtoffer. De feiten sub F, uitgezonderd "en bovendien door het plegen van een reeds verjaarde en derhalve niet als dusdanig in deze dagvaarding opgenomen inbreuk op artikel 1, enig artikel, van het Ministerieel Besluit van 25 november 1991 aangaande reinigingswerkzaamheden onder spanning van bepaalde elektrische hoogspanningsinstallaties (genomen in uitvoering van artikel 266 van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties verplicht gemaakt door de Koninklijke Besluiten van 10 maart 1981 en van 2 september 1981, strafbaar gesteld door de artikelen 24 t.e.m. 27 van de Wet op de electriciteitsvoorziening van 10 maart 1925) namelijk de reiniging van de voormelde elektriciteitscabine niet te hebben laten uitvoeren door twee in hoogspanning bevoegde personen, inbreuken die alleszins een fout uitmaken in hoofde van gedaagden, waarbij de fout (ook na verjaring van de strafvordering) blijft bestaan", en bij uitbreiding de feiten sub A, vierde en vijfde gedachtestreepje, C, D en E van de dagvaarding zijn bewezen in hoofde van zowel de betrokken vennootschap-werkgever als in hoofde van beklaagde W. N.. Deze misdrijven hebben een intrinsiek verband met de verwezenlijking van het doel van de vennootschap of met de waarneming van haar belangen en werden voor haar rekening gepleegd. Deze feiten zijn mede toe te schrijven aan een structureel falen van de vennootschapswerking, doordat op geen enkel beslissingsniveau werd verhinderd dat hoogspanningscabines werden gereinigd, zonder dat geweten was van welke type de betrokken cabine was. Het is ook bewezen dat het slachtoffer een fout heeft gemaakt in oorzakelijk verband met zijn overlijden. Het staat vast dat het slachtoffer onzorgvuldig heeft gehandeld, doordat hij bepaalde veiligheidsvoorschriften heeft genegeerd, en met name en onder meer door geen gebruik te hebben gemaakt van een voetbank of laddertje en van handschoenen en door niet te hebben gecontroleerd of de cabine volledig spanningsvrij was. Het Hof verwijst mede naar het hoger uiteengezette. Indien het slachtoffer wel de veiligheidsvoorschriften had nagekomen was het hem overkomen arbeidsongeval niet gebeurd zoals het thans is voorgekomen. Het Hof verwijst naar het deskundigenverslag, met uitsluiting evenwel van het besluit van de deskundige dat het ongeval uitsluitend aan het toedoen van het slachtoffer te wijten is. Dat het slachtoffer er mocht op vertrouwen dat zijn werkgever de nodige maatregelen had genomen om de cabine volledig spanningsvrij te maken, betekent daarom nog niet dat hij de veiligheidsvoorschriften mocht negeren. Ook om redenen van overmacht kon de cabine immers niet spanningsvrij zijn geweest, hetgeen te dezen niet het geval was, nu beklaagde en verwezene in gebreke zijn gebleven het nodige te doen om de cabine spanningsvrij te maken. Er is te dezen geen sprake van enige vorm van overmacht en de deskundige stelt ook uitdrukkelijk vast dat de betrokken cabine geen gebreken vertoonde. In strijd met de voorliggende onderzoeksgegevens laten de burgerlijke partijen gelden dat wijlen hun zoon en broer niet ervaren zou zijn geweest: het staat immers vast dat hij reeds twee jaar relevante werkervaring had opgedaan en dat hij gedurende meerdere dagen intensief werd begeleid. De voorziene veiligheidsmaatregelen zijn fundamenteel: het is steeds gevaarlijk zonder isolatie in contact te treden met geleiders die mogelijkerwijze onder spanning kunnen staan. Zowel het slachtoffer als beklaagde en verwezene hebben door hun toerekenbaar foutief handelen het betrokken arbeidsongeval met het overlijden van eerst genoemde tot gevolg, veroorzaakt. Deze eigen fout van het slachtoffer is tegenwerpelijk aan de nog ontvankelijke burgerlijke partijen, die in eigen naam een vergoeding vorderen. Gelet op de gelijke impact van de onderscheiden fouten, van enerzijds het slachtoffer en anderzijds beklaagde en verwezene, die beide eenzelfde fout hebben begaan, op het ongeval dient het slachtoffer voor 50% aansprakelijk te worden geacht voor het hem overkomen ongeval, waarbij hij het leven verloor. Het slachtoffer heeft manifest veiligheidsvoorschriften geschonden en het ongeval had voorkomen kunnen worden indien hij deze veiligheidsvoorschriften had nagekomen, zoals het ook in dezelfde mate voorkomen had kunnen worden indien beklaagde en verwezene de nodige maatregelen hadden genomen om de cabine voor zeker stroomvrij te maken dan wel de nodige bijkomende voorzorgmaatregelen te voorzien. De partijen geven niet nader aan welke bijzondere genegenheidsband, buiten de familieband en het feit dat het slachtoffer nog inwoonde bij zijn familie, heeft bestaan tussen hen en het slachtoffer. Rekening houdende met de door deze burgerlijke partijen terzake verstrekte gegevens en met de leeftijd van het slachtoffer, wordt de door de ontvankelijke burgerlijke partijen geleden morele schade in billijkheid voor elk van hen ex aequo et bono begroot op 2.000,00 euro, te vermeerderen met de gevorderde vergoedende intresten. Het staat immers vast dat de burgerlijke partijen M., M. (geboren op ...1976) en M. B. niet met wijlen hun broer samenwoonden. Beklaagde en verwezene worden dan ook solidair veroordeeld om aan M., M. (geboren ...1976) en M. B. een schadevergoeding voor elk van hen, 1.000,00 euro te betalen, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 4 december
  9. Aan elk van deze burgerlijke partijen wordt bovendien een rechtsplegingvergoeding toegekend van tweemaal 200,00 euro en met name voor de procedure in eerste aanleg en voor de procedure in hoger beroep. Geen gronden zijn voorhanden om een hogere of lagere rechtsplegingvergoeding toe te kennen. Op de door deze burgerlijke partijen gevraagde rechtsplegingvergoeding kan niet worden ingegaan, nu zij hoofdzakelijk worden afgewezen van de door hen gevorderde schadevergoedingen, die wat de omvang betreft niet worden verantwoord en derhalve willekeurig werden begroot, onder meer met het oogmerk een zeer hoge rechtsplegingvergoeding te kunnen vorderen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090611.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.