id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090617.7 Rolnummer: 242 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-07-02 20:01 Fiche
- De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak overeenkomstig artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering over te maken aan het Openbaar Ministerie. Het Hof mag de beslissing van de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. Bovendien overweegt deze beklaagde in rechte onjuist dat het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te dezen nietig zou zijn en nooit zou hebben bestaan, terwijl dit arrest niet nietig werd verklaard. Geen rechtsmiddel werd tegen dit arrest aangewend. Het staat dan ook vast dat te dezen de vereiste bomcontrole werd uitgevoerd.
- Geen gegronde redenen zijn te dezen voorhanden om gedurende een langere periode de berechting van beklaagden uit te stellen. Het is hun recht om binnen redelijke en dus korte tijd te worden berecht en de overheden dienen dit onvoorwaardelijk te honoreren. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Strafrecht - strafrechtspleging - art. 235ter Sv. - wettigheidsincident - geen verplichting tot overmaking- uitgevoerde bomcontrole Strafrecht - strafrechtspleging - uitstel - gegronde redenen - redelijke termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 235ter Nota: Van het cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest op 6 oktober 2009 werd afstand gedaan op 14 oktober
- Het eindarrest werd gewezen op 16 september 2009 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 17 juni 2009 te Antwerpen, veertiende kamer (...) Beklaagden verzoeken in hoofdorde de zaak te verdagen "in afwachting van het tussen te komen arrest van het Grondwettelijk Hof in de zaak bij het Grondwettelijk Hof gekend onder het rolnummer 4685 (Nl)" (cfr. besluiten beklaagde S. L. en besluiten beklaagde H. K.). Beklaagde S. L. voegt aan dit verzoek nog het verzoek toe de zaak onbepaald uit te stellen om de Procureur Generaal toe te laten toepassing te maken van artikel 441 van het Wetboek van Strafvordering. Beklaagde H. K. besluit vervolgens zowel tot de mogelijkheid (in meest ondergeschikte orde) als tot de onmogelijkheid (in ondergeschikte orde) voor het Hof van Beroep de zaak als nog over te maken aan het Openbaar Ministerie. In het petitum van zijn besluiten wordt gevraagd de strafvordering niet ontvankelijk te verklaren en in meest ondergeschikte orde "de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie met het oog op het aanhangig maken bij de bevoegde kamer van de inbeschuldigingstelling ten einde een tegensprekelijk debat te organiseren aangaande de controle van de bijzondere opsporingsmethoden". De overige beklaagden en het Openbaar Ministerie vragen ook de zaak overeenkomstig artikel 189ter vierde lid van het Wetboek van Strafvordering te verzenden aan het Openbaar Ministerie ten einde de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie beperkt zijn vordering tot dit verzoek. Nopens artikel 189ter, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever heeft op 16 januari 2009 een vierde lid toegevoegd aan artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering, en met name: "Buiten het in het eerste lid bedoelde geval, kan de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle". Naar beklaagden voorhouden is er te dezen "duidelijk en onmiskenbaar sprake van een wettigheidsincident" (cfr. besluiten voor beklaagde S. L.). Er zou geen geldige controle op de bijzondere opsporingsmethoden hebben plaatsgevonden, waardoor de gevolgde procedure nietig zou zijn, naar beklaagden voorhouden (cfr. besluiten voor beklaagde S. L. en beklaagde H. K.). De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde (Cass. 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3). Geen afdoende redenen noch gronden worden door beklaagden aangebracht die het Hof thans ertoe zou moeten doen besluiten de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie ten einde deze bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingsteling aan te brengen. Het Hof bemerkt thans evenmin enige grond om tot overzending aan het Openbaar Ministerie te besluiten. Het Hof mag de beslissing van de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. Het Hof kan dan ook niet besluiten dat de rechten van verdediging van beklaagden bij de controle van de bijzondere opsporingsmethoden zouden zijn geschonden door een gebrek aan tegenspraak ingevolge de afwezigheid van de Procureur Generaal bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde, zoals beklaagde H. K. in besluiten voorhoudt. Overigens heeft ook het Hof van Cassatie niet overwogen dat de afwezigheid van de Procureur Generaal een schending van het recht op verdediging of het recht op een eerlijk proces zou inhouden. Beklaagden voeren thans ook geen andere elementen aan waardoor hun rechten op een eerlijk proces of hun rechten van verdediging zouden zijn geschonden. De door beklaagde H. K. gemaakte overwegingen missen te dezen dan ook elke relevantie. Bovendien overweegt deze beklaagde in rechte onjuist dat het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te dezen nietig zou zijn en nooit zou hebben bestaan, terwijl dit arrest niet nietig werd verklaard. Geen rechtsmiddel werd tegen dit arrest aangewend. Het staat dan ook vast dat te dezen de vereiste bomcontrole werd uitgevoerd. Dat de wetgever een specifieke oplossing zou hebben voorzien voor deze situatie is te dezen evenmin afdoende. De wetgever heeft immers aan de feitenrechter de keuze gelaten al dan niet de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie. Het Hof verzendt de zaak dan ook niet naar het Openbaar Ministerie, doch beveelt een heropening van de debatten voor een verdere afhandeling van de zaak. Geen gronden worden aangevoerd die zouden beletten dat te dezen de zaak niet verder afgehandeld kan worden. De thans door beklaagde H. K. aangevoerde gronden zijn niet afdoende om tot onontvankelijkheid van de strafvordering te besluiten. Nopens het gevraagde uitstel. Gelet op het hoger uiteengezette is het door beklaagden gevraagde uitstel zonder voorwerp geworden. Overigens zijn de door beklaagden aangehaalde redenen niet afdoende om het door hen gevraagde uitstel van de zaak te wettigen en vormen zij daartoe ook geen rechtsgrond. Geen gegronde redenen zijn te dezen voorhanden om gedurende een langere periode de berechting van beklaagden uit te stellen. Het is hun recht om binnen redelijke en dus korte tijd te worden berecht en de overheden dienen dit onvoorwaardelijk te honoreren. Of beklaagden al dan niet aangehouden zijn is daarbij niet relevant. Het komt verder niet toe aan het Hof om het Openbaar Ministerie te suggereren toepassing te maken van artikel 441 van het Wetboek van Strafvordering. Het Hof heeft daaromtrent geen overwegingen te maken. De ter zake door beklaagde S. L. gemaakte overwegingen missen dan ook elke relevantie. Beklaagden hebben het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Het Hof verklaart dan ook onderhavig arrest uitvoerbaar bij voorraad. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090617.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.