id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090825.4 Rolnummer: 2009/BB/669 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 20:09 Fiche
- Het feit dat verdachte in comateuze toestand verkeerde sluit geenszins uit, dat gelet op de aard en de ernst van de feiten en de commotie die een invrijheidstelling bij de publieke opinie zou teweegbrengen, er ernstig gevaar voor de openbare veiligheid bestond en nog steeds bestaat. De aanhouding kan in dergelijke omstandigheden geen schending van het vermoeden van onschuld inhouden.
- Naar luid van artikel 16, § 2 Wet op de voorlopige hechtenis moet de onderzoeksrechter de verdachte ondervragen over de hem ten laste gelegde feiten, tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt. Uit voormelde bepalingen dient te worden afgeleid dat de wetgever de ondervraging enkel heeft voorgeschreven voor het geval dat de verdachte ook effectief kan worden verhoord. De ontstentenis van de voorgeschreven ondervraging kan bijgevolg enkel aanleiding geven tot een in vrijheidstelling van de verdachte wanneer deze laatste niet alleen fysiek aanwezig is maar ook in een fysieke toestand verkeert die hem toelaat te worden ondervraagd. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Bevel tot aanhouding Vrije woorden:
- Voorlopige hechtenis - ernstig gevaar voor de openbare veiligheid - publieke commotie bij invrijheidstelling - geen schending vermoeden van onschuld
- Voorlopige hechtenis - ondervraging door de onderzoeksrechter - onmogelijkheid te verhoren Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 16 § 2 Nota: Het beroep in cassatie werd verworpen bij arrest van 8 september 2009 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 25 augustus 2009 te Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling (...)
- Handhaving van de voorlopige hechtenis 3.
- Gelet op de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten als A. poging moord en B. opzettelijke brandstichting bij nacht in een bewoond pand, dienen de vier criteria voorzien in artikel 76, S I derde lid van de wet van 20.7.1990 betreffende de voorlopige hechtenis niet te worden beoordeeld, doch enkel het gevaar voor de openbare veiligheid (artikel 6,§ 1 , eerste lid VHW). Het feit dat verdachte in comateuze toestand verkeerde sluit geenszins uit, dat gelet op de aard en de ernst van de feiten en de commotie die een invrijheidstelling bij de publíeke opinie zou teweegbrengen, er ernstig gevaar voor de openbare veiligheid bestond en nog steeds bestaat. De onderzoeksrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat er volstrekte noodzakelijkheid bestond om verdachte onder aanhoudingsbevel te plaatsen. De aanhouding kan in dergelijke omstandigheden geen schending van het vermoeden van onschuld inhouden. 3.
- Luidens artikel 16, § 2 , VHW moet de onderzoeksrechter de verdachte ondervragen over de hem ten laste gelegde feiten, tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt. Uit voormelde bepalingen dient te worden afgeleid dat de wetgever de ondervraging enkel heeft voorgeschreven voor het geval dat de verdachte ook effectief kan worden verhoord. De onmogelijkheid om te verhoren doet zich eveneens voor indien de verdachte zich in de fysieke onmogelijkheid bevind om te worden ondervraagd. De ontstentenis van de voorgeschreven ondervraging kan bijgevolg enkel aanleiding geven tot een in vrijheidstelling van de verdachte wanneer deze laatste niet alleen fysiek aanwezig is maar ook in een fysieke toestand verkeert die hem toelaat te worden ondervraagd. Op het ogenblik van het afleveren van het aanhoudingsbevel verkeerde de verdachte niet in een toestand die het de onderzoeksrechter mogelijk had kunnen maken hem te ondervragen. De ontstentenis van ondervraging en/of mededeling aan de verdachte dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en dat hij ter zake opmerkingen kan formuleren leidt derhalve niet tot enige sanctie. Het aanhoudingsbevel bevat volgende motieven met betrekking tot de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en de omstandigheden eigen aan de persoonlijkheid van de verdachte: "Aangezien er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van inverdenkinggestelde aanwezig zijn; nl. dat er ernstige aanwijzingen zíjn inverdenkinggestelde zíjn (x) vriendin heeft overgoten met benzine in de nacht van 31 mei op 01 juni 2009 en gepoogd heeft haar in brand te steken, waarop de woning, waar ze verbleven, vuur heeft gevat en zijn vriendin en anderen werden gewond; Dat de feiten blijk geven van een totaal gebrek aan normbesef en een gevaarlijke ingesteldheid; Dat er tevens aanwijzingen zijn dat inverdenkinggestelde mogelijks psychologische of psychiatrische problemen heeft en hij een gevaar uitmaakt voor onze samenleving, inzonderheid voor zijn (ex) vriendin en haar familie; Dat gelet op dit alles, recidivegevaar te vrezen valt." Aldus werden de voorschriften van artikel 16, § 5 VHW geenszins geschonden. Gelet op de bestaande fysieke onmogelijkheíd in hoofde van de verdachte om een betekening van het aanhoudingsbevel in ontvangst te nemen binnen de 24 uur vanaf zijn vrijheidsbeneming, kan er ook niet worden besloten tot enige schending van de bepalingen van artikel 18, §1 , eerste lid VHW. Het staat bovendien vast dat deze betekening daadwerkelijk is gebeurd van zodra er een einde is gekomen aan de voormelde fysieke onmogelijkheid, op 23.6.2009 om 11.55 uur (stuk 75/76 kaft voorlopige hechtenis). Ter gelegenheid van de ondervraging van de verdachte op dat ogenblik heeft hij geen opmerkingen geformuleerd en/of bezwarende verklaringen afgelegd. Uit deze ondervraging kan ook geen schending van zijn rechten wan verdediging worden afgeleid. 3.
- Ten overvloede kan nog worden gesteld : Een voorafgaandelijke vrijheidsbeneming is niet noodzakelijk om de onderzoeksrechter toe te laten, indien hij dit noodzakelijk beoordeelt , een bevel tot aanhouding af te leveren. De onderzoeksrechter heeft aan de hand van de stukken van het dossier en het medisch attest van 1 juni 2009 van dr. M. V. , dienst intensieve zorgen en anesthesie, vastgesteld dat er een onmogelijkheid was om de betrokkene te verhoren. Deze omstandigheid maakt het bevel tot aanhouding van 1 juni 2009, zonder voorafgaandelijk verhoor door de onderzoeksrechter, niet nietig of onregelmatig. Op 3 juni 2009 werd door de politiediensten nogmaals geïnformeerd over de toestand van verdachte (stuk 36). Alsdan werd gemeld dat zijn toestand zeer kritiek was en dat hij niet verhoorbaar was. Op 23 juni 2009 heeft de onderzoeksrechter zich zelf naar het Sint-Augustinus ziekenhuis te Antwerpen begeven (stuk 76) en hem in kennis gesteld van het feit dat een aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd en hem in kennis gesteld van zijn inverdenkingstelling van poging moord en opzettelijke brandstichting bij nacht in een bewoond pand. Het bevel tot aanhouding is regelmatig. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090825.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.