← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090903.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090903.7 Rolnummer: 2009P241 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-09-28 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-07-02 20:10 Fiche

  1. Een schending van een door het EVRM gewaarborgd grondrecht moet niet noodzakelijk leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. Er dient te worden voorzien in een adequaat rechtsherstel, door ongedaan te maken wat verkeerd zou zijn gelopen en dus het slachtoffer van een schending terug te plaatsen in de voorheen bestaande toestand. Het Hof dient te dezen vast te stellen dat aan deze beklaagden thans de mogelijkheid wordt geboden opnieuw al hun verweermiddelen, zo in rechte als in feite, tegen het hun ten laste gelegde aan te voeren. Tegen het in deze nieuwe procedure tussen te komen arrest kunnen zij cassatieberoep aantekenen en alle andere rechtsmiddelen aanwenden die de wet hen ter beschikking stelt. Dat zij dan ook geen verdediging zouden hebben gevoerd voor het Hof van Cassatie is dan ook niet onherroepelijk of onherstelbaar geweest. De door de feitenrechters te maken beoordeling inzake het respecteren van de mensenrechten vormt geen rechtsmiddel tegen gerechtelijke beslissingen.
  2. Op grond van artikel 189ter vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (wettigheidsincidenten) wordt de verzending van de zaak aan het Openbaar Ministerie gevraagd ten einde deze aanhangig te maken bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde (Cass. 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3). Het Hof mag overigens de beslissing van de Kamer van de Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. De ter zake door zesde beklaagde aangevoerde redenen dat met name de wetgever een specifieke oplossing voorziet voor betreffende situatie is te dezen niet afdoende. De wetgever heeft immers aan de feitenrechter de keuze gelaten al dan niet de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie. De door zesde beklaagde in zijn conclusies aangehaalde verwijzingen naar de voorbereidende werkzaamheden vermogen daaraan geen afbreuk te doen. Het behoeft geen betoog dat de door de wetgever of de uitvoerende macht gemaakte beoordelingen, die hun weerslag niet vinden in de wet, niet geacht dienen te worden in de wet te zijn opgenomen.
  3. Het komt het Hof toe in het geheel van de gevoerde procedure te beoordelen of het recht op een eerlijk proces in hoofde van elke beklaagde werd gerespecteerd. Het Hof dient vast te stellen, zonder dat zij daardoor in de beoordeling treedt van de procedures die werden gevoerd voor andere rechtscolleges en wiens beslissingen enkel kunnen worden bestreden middels de daartoe geëigende rechtsmiddelen, dat in zijn totaliteit genomen elke beklaagde tot op heden een eerlijk proces heeft gehad.
  4. De betreffende feiten van mensensmokkel weerhouden geen geïdentificeerde slachtoffers, terwijl het noodzakelijk is de nationaliteit van de gesmokkelde personen te kennen. Enkel niet onderdanen van een EU-lidstaat kunnen worden gesmokkeld. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden:
  5. Strafvordering - Mensenrechten - recht op een eerlijk proces - schending - adequaat rechtsherstel - terugplaatsen van partijen in de situatie voor de schending
  6. Strafvordering - bijzondere opsporingsmethoden - controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling - wettigheidsincident - geen verplichting van de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie
  7. Strafvordering -recht op een eerlijk proces - globale beoordeling van de gehele procedure - geen beoordeling van procedures gevoerd voor andere rechtscolleges
  8. Strafrecht - mensensmokkel - nationaliteit van de slachtoffers - alleen niet EU-onderdanen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 189ter Wet - 15-12-1980 - 75,77bis, 77quater, 77quinquies, 80 Nota: Het Hof van Cassatie verleende op 22/12/2009 akte van afstand van het ingestelde cassatieberoep (P.09.1600.N) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 september 2009, te Antwerpen, veertiende kamer (...) Gelet op het hoger beroep ingesteld op - 26 mei 2008 door tweede beklaagde, - 27 mei 2008 door derde beklaagde, - 21 mei 2008 door zesde beklaagde, - 21 mei 2008 door zevende beklaagde, - 4 juni 2008 door het Openbaar Ministerie, tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 20 mei 2008 door de negentiende correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dewelke recht doende in correctionele zaken: - de dagvaarding verbetert en zegt dat de naam van zesde beklaagde "M I F is; - beklaagde R. S. veroordeelt hoofdens de vermengde feiten A, C.1, D.2 en E.2 tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van euro 500,00 x 5,5 = euro 27.500 of 3 maanden; - beklaagde G. S. veroordeelt hoofdens de vermengde feiten A, C.1 en E.3 tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van euro 500,00 x 5,5 = euro 27.500 of 3 maanden; - beklaagde I. P. veroordeelt hoofdens de vermengde feiten B en C.2 tot een hoofdgevangenisstraf van 4 jaar en een geldboete van euro 500,00 x 5,5 = euro 27.500 of 3 maanden; - beklaagde M. I. S. veroordeelt hoofdens de vermengde feiten B en C.2 tot een hoofdgevangenisstraf van 4 jaar en een geldboete van euro 500,00 x 5,5 = euro 27.500 of 3 maanden; - beklaagde J. S. veroordeelt hoofdens de vermengde feiten A en C.1 tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van euro 500,00 x 5,5 = euro 27.500 of 3 maanden; - beklaagden elk ontzet van de rechten van art. 31 Sw voor een termijn van 10 jaar; - beklaagden ieder verplicht een bijdrage te betalen van euro 25,00 x 5,5 = euro 137,50, iedereen vergoeding van euro 29,30 oplegt en tweede, derde en zevende beklaagden ieder verwijst in 3/20sten en vijfde en zesde beklaagden ieder in 1/20ste der kosten, in totaal = euro 15.968,22; - verbeurd verklaart: * lastens beklaagde R. S.: euro 44.000,00, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen rechtstreeks uit het feit A verkregen; * lastens G. S.: euro 44.000,00, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen rechtstreeks uit het feit A verkregen; * lastens G. S.: 200 rupees, gestort op rekening van het C.O.I.V. en zegt dat dit bedrag dient te worden toegerekend op het hiervoor uitgesproken verbeuring ten belope van dit bedrag; * lastens I. P.: euro 1.500,00, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen rechtstreeks uit het feit B verkregen; * lastens M. I. S.: euro 1.500,00, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen rechtstreeks uit het feit B verkregen; * lastens M. I. S.: 2.080.017 Lei en 195 rupees, gestort op rekening van het C.O.I.V. en zegt dat dit bedrag dient te worden toegerekend op het hiervoor uitgesproken vermogensvoordeel ten belope van dit bedrag; * lastens J. S.: euro 44.000,00, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen rechtstreeks uit het feit A verkregen; * de overtuigingsstukken onder nummer OS 00615/2008, 00616/2008, 0061/2008 en 00622/2008; - ter beschikking van de Procureur des Konings stelt: de overtuigingsstukken onder nummer OS 00619/2008, 00621/2008, 00623/2008, 04858/2007 en 04827/2007; - de teruggave beveelt aan de rechtmatige eigenaar van de O.S. nrs. 00617/2008, 00620/2008 en 04758/2007; - beklaagden veroordeelt om elk euro 1,00 te betalen aan de burgerlijke partij meer de moratoire intresten; - beklaagde hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de burgerlijke partij van een rechtsplegingsvergoeding = euro 75,00; - de burgerlijke belangen ambtshalve aanhoudt. - - - - - - Gelet op het arrest van het Hof van Beroep te Gent gewezen op 6 januari 2009, beslissende als volgt: Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en er over beslissend: Doet het bestreden gedeelte van het aangevochten vonnis, verleend door de 19° correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 20 mei 2008 teniet en, Opnieuw wijzend: Strafrechtelijk Wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot het onbepaald uitstellen van de behandeling van deze zaak af, dit op grond van de hoger in het overwegend gedeelte van dit arrest aangehaalde motieven; Zegt voor recht dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen strafproces, in zijn geheel beschouwd, niet voldoet aan de vereisten van een behoorlijke rechtsbedeling, zoals omschreven in het artikel 6.
  9. E.V.R.M.; Zegt voor recht dat, ingevolge het schenden van de rechten van verdediging, het bewijs geput uit de bijzondere opsporingsmethode van observatie, als niet toelaatbaar dient te worden geweerd; Verklaart derhalve de strafvordering niet ontvankelijk; Laat de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat. Laat de tolkkosten, gevallen in de beide aanleggen, ten laste van de Staat. Burgerlijk Verklaart de burgerlijke vordering niet ontvankelijk; Laat de kosten gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van de burgerlijke partij ten haren laste. - - - - - - Gelet op het arrest van het Hof van Cassatie gewezen op 3 maart 2009, beslissende, onder meer, als volgt: Vernietigt het bestreden arrest. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. (...) De hogere beroepen van tweede beklaagde R. S. alias J. S., derde beklaagde G. S., vijfde beklaagde I. P., zesde beklaagde M. I. S. en zevende beklaagde J. S. en van het Openbaar Ministerie tegen deze beklaagden zijn ontvankelijk. De naam van zesde beklaagde dient in alle processtukken te worden gelezen als "M. I. S.". De geboorteplaats van vijfde beklaagde dient eveneens in alle processtukken juist te worden gespeld als "T". In de tenlastelegging A worden de woorden "minstens en onder meer" weggelaten. Deze woorden zijn nutteloos en kunnen zeker niet impliceren dat ook andere niet nader genoemde slachtoffers van mensensmokkel begrepen dienen te worden in de betrokken tenlastelegging. Door deze verbeteringen en aanpassingen wordt niet geraakt aan de ten laste gelegde feiten en hun omschrijvingen. Geen afdoende gronden zijn voorhanden om in te gaan op de door zevende beklaagde gevraagde herkwalificatie van de feiten sub A van de dagvaarding. De terzake door deze beklaagde gemaakte overwegingen betreffen de schuldvraag. Het recht op een eerlijk proces. Tweede beklaagde R. S. concludeert tot de onontvankelijkheid van de strafvordering wegens schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Daardoor zou ook een schending van artikel 14 EVRM zijn tussengekomen, nu niet alle procespartijen op een gelijke wijze werden behandeld. Meer in het bijzonder en onder meer voert deze beklaagde aan dat hij niet regelmatig in kennis werd gesteld van het door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatieberoep en van de terechtzitting, waarop dit cassatieberoep werd behandeld, terwijl andere partijen hiervan wel in kennis werden gesteld. De artikelen 1105 en 1106 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 418, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering werden in deze opvatting van beklaagde, niet nageleefd. Daardoor zouden de rechten van verdediging, van wapengelijkheid en derhalve van een eerlijk proces geschonden zijn. Mutatis mutandis werpt ook derde beklaagde G. S. dit middel op. Uit de schending van deze rechten, zoals gewaarborgd door het EVRM, besluiten deze beklaagden dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Tweede beklaagde besluit ook dat het arrest van het Hof van Cassatie van 3 maart 2009 te zijnen aanzien geen uitwerking kan hebben. Deze beklaagden voeren evenwel geen rechtsgrond aan op basis waarvan in onderhavig geval en aangenomen dat de door hen aangevoerde schendingen van het EVRM-verdrag bewezen zouden zijn, tot de onontvankelijkheid van de strafvordering of tot het buitenwerkingstellen van het betrokken arrest van het Hof van Cassatie dient te worden besloten. Een schending van een door het EVRM gewaarborgd grondrecht moet niet noodzakelijk leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. Er dient te worden voorzien in een adequaat rechtsherstel, door ongedaan te maken wat verkeerd zou zijn gelopen en dus het slachtoffer van een schending terug te plaatsen in de voorheen bestaande toestand. Het Hof dient te dezen vast te stellen dat aan deze beklaagden thans de mogelijkheid wordt geboden opnieuw al hun verweermiddelen, zo in rechte als in feite, tegen het hun ten laste gelegde aan te voeren. Tegen het in deze nieuwe procedure tussen te komen arrest kunnen zij cassatieberoep aantekenen en alle andere rechtsmiddelen aanwenden die de wet hen ter beschikking stelt. Dat zij dan ook geen verdediging zouden hebben gevoerd voor het Hof van Cassatie is dan ook niet onherroepelijk of onherstelbaar geweest. Zij kunnen bovendien, zoals overigens hun medebeklaagden ook doen, de overmaking vorderen van de zaak aan het Openbaar Ministerie voor een nieuwe BOM-controle (artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering). Het te dezen door tweede en derde beklaagden aangevoerde middel inzake de schending van het recht op een eerlijk proces door tekortkomingen in de eerdere cassatieprocedure, aangenomen dat deze bewezen zouden zijn, zijn dan ook in de huidige stand van de procedure geen afdoende grond om tot onontvankelijkheid van de strafvordering te besluiten of tot het niet in acht nemen van het betrokken cassatiearrest ten aanzien van tweede beklaagde. Overigens en ten overvloede dient te worden vastgesteld dat uiteraard het Hof van Beroep geen bevoegdheid heeft om te oordelen over de al dan niet regelmatigheid van de gevoerde cassatieprocedure. Het arrest van het Hof van Cassatie dringt zich op aan het Hof van Beroep, waarnaar de zaak is verwezen. De door de feitenrechters te maken beoordeling inzake het respecteren van de mensenrechten vormt geen rechtsmiddel tegen gerechtelijke beslissingen. Zesde beklaagde M. I. S. concludeert tot de verzending van de zaak aan het Openbaar Ministerie ten einde de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering. Hij steunt deze vordering op artikel 189ter vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Vijfde beklaagde I. P. sluit zich hierbij aan. De wetgever heeft op 16 januari 2009 een vierde lid toegevoegd aan artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering, en met name: "Buiten het in het eerste lid bedoelde geval, kan de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle". Naar zesde beklaagde voorhoudt is er te dezen "zonder twijfel sprake van een wettigheidsincident". De begane onregelmatigheid zou, naar deze beklaagde voorhoudt, terug te brengen zijn op de tekstuele interpretatie van het (oude) artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat door de toenmalige verwarrende libellering aanleiding kon geven tot verschillende interpretaties waar pas met het arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 duidelijkheid werd in geschapen. De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde (Cass. 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3). Geen redenen noch gronden worden nochtans door beklaagden aangebracht die het Hof thans ertoe zouden moeten doen besluiten de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie ten einde deze bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling aan te brengen. Het Hof bemerkt thans evenmin enige grond om tot overzending aan het Openbaar Ministerie te besluiten. Het Hof mag overigens de beslissing van de Kamer van de Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. De ter zake door zesde beklaagde aangevoerde redenen dat met name de wetgever een specifieke oplossing voorziet voor betreffende situatie is te dezen niet afdoende. De wetgever heeft immers aan de feitenrechter de keuze gelaten al dan niet de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie. De door zesde beklaagde in zijn conclusies aangehaalde verwijzingen naar de voorbereidende werkzaamheden vermogen daaraan geen afbreuk te doen. Het behoeft geen betoog dat de door de wetgever of de uitvoerende macht gemaakte beoordelingen, die hun weerslag niet vinden in de Wet, niet geacht dienen te worden in de Wet te zijn opgenomen. Het Hof maakt de zaak dan ook niet over aan het Openbaar Ministerie. Het komt het Hof toe in het geheel van de gevoerde procedure te beoordelen of het recht op een eerlijk proces in hoofde van elke beklaagde werd gerespecteerd. Het Hof dient vast te stellen, zonder dat zij daardoor in de beoordeling treedt van de procedures die werden gevoerd voor andere rechtscolleges en wiens beslissingen enkel kunnen worden bestreden middels de daartoe geëigende rechtsmiddelen, dat in zijn totaliteit genomen elke beklaagde tot op heden een eerlijk proces heeft gehad. Overigens laten beklaagden terzake geen middelen gelden, uitgezonderd de opgeworpen middelen inzake de BOM-controle en de gevoerde cassatieprocedure. De rechten van verdediging werden niet onherstelbaar aangetast. De schuldvraag. De schuld van vijfde en zesde beklaagden aan de hen sub B van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is niet bewezen gebleven. De betreffende feiten van mensensmokkel weerhouden geen geïdentificeerde slachtoffers, terwijl het noodzakelijk is de nationaliteit van de gesmokkelde personen te kennen. Enkel niet onderdanen van een EU-lidstaat kunnen worden gesmokkeld. De schuld van tweede, derde en zevende beklaagden aan de hen sub A van de dagvaarding, zoals hoger aangepast, ten laste gelegde feiten, uitgezonderd de voorziene verzwarende omstandigheid dat zij misbruik hebben gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de met name genoemde slachtoffers verkeren, is bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van tweede, derde en zevende beklaagden aan de hen sub C.1 van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van vijfde en zesde beklaagden aan de hen sub C.
  10. van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van tweede beklaagde aan de hem sub D.
  11. en E.
  12. van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van derde beklaagde aan de hem sub E.
  13. van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Het Hof steunt zijn overtuiging van de aangehouden schuld van de onderscheiden beklaagden op het gevoerde strafonderzoek, zijnde het telefonieonderzoek, de observaties, de huiszoekingen en de overige vaststellingen van de politie. Er wordt verder verwezen naar de verklaringen van tweede en derde beklaagden en naar de andere beklaagden, in zoverre zij verklaringen afleggen betreffende de andere beklaagden. In conclusies laten tweede en derde beklaagden uitdrukkelijk gelden de tenlasteleggingen niet te betwisten. Op grond van het gevoerde strafonderzoek is het afdoende bewezen dat ook vijfde beklaagde deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie, zoals weerhouden onder de tenlastelegging C.
  14. Dat hij geen transporten zou hebben uitgevoerd, zoals beklaagde in conclusies overweegt, verhindert niet dat hij deel uitmaakte van een organisatie die wel degelijk mensensmokkel beoogde. In deze conclusies ontkent hij overigens niet de intentie te hebben gehad een transport uit te voeren en contacten te hebben gehad met eerste beklaagde. Hij is niet geloofwaardig niet te hebben geweten dat er een organisatie bestond, nu het immers vaststaat dat hij er deel van heeft uitgemaakt. Het feit dat deze beklaagde enkel met slechts één persoon contact heeft gehad, belet niet dat een organisatie van meer dan twee personen bestaande was. Het is afdoende bewezen dat deze beklaagde en zijn medebeklaagden geen humanitaire of menslievende doeleinden nastreefden. Het staat vast dat de betrokken organisatie mensensmokkel beoogde en ook heeft uitgevoerd. Zevende beklaagde is evenmin geloofwaardig in zijn overwegingen niet te hebben geweten dat er een organisatie bestaande was. Dat hij niet zelf een "netwerk" rond zich heeft gemaakt, belet niet dat hij deel uitmaakte van de organisatie waarin onder meer eerste beklaagde een essentiële rol speelde. Hij ontkent overigens in conclusies niet te hebben gehandeld in opdracht van eerste beklaagde en zelf te hebben beschikt over een "passeur". Anders dan beklaagde in deze conclusies voorhoudt, is afdoende bewezen dat hij als dader of mededader betrokken was bij de smokkeltransporten zoals bedoeld in de tenlastelegging A van de dagvaarding. Zesde beklaagde kan niet worden gevolgd in zijn beoordeling van het gevoerde strafonderzoek. Hij voert in conclusies aan dat zijn veroordeling "duidelijk niet" is "gesteund op deze elementen op zich" bedoeld wordt de in het synthese proces-verbaal opgesomde bezwarende elementen "daar deze op zich geen bewijs bevatten van een concrete betrokkenheid van de concludent, doch is gesteund op vermoedens van de politionele onderzoekers die uit deze elementen voortvloeien" (pagina 13). Naar het oordeel van het Hof staat de schuld van deze beklaagde aan het hem sub C.2 ten laste gelegde feit, hetzij zijn lidmaatschap aan een criminele organisatie, vast op grond van het gevoerde strafonderzoek, hetzij de hoger aangehaalde onderzoekselementen. Anders dan beklaagde voorhoudt, levert grondig onderzoek van het strafdossier afdoende bewijs op van de schuld van deze beklaagde. Voorzover deze beklaagde het bestreden vonnis kritiseert, zijn de betrokken overwegingen van zijn conclusie irrelevant, nu het Hof zijn eigen beoordeling heeft gemaakt. De problematiek van de geldschuld die eerste beklaagde zou hebben gehad ten aanzien van deze beklaagde, is dan ook niet relevant en maakt de verklaring van eerste beklaagde niet ongeloofwaardig. Overigens ontkent deze beklaagde niet dat hij geld te goed had van eerste beklaagde. Of beklaagde al dan niet daadwerkelijk heeft deelgenomen aan bepaalde transporten is niet relevant: hij maakte deel uit van een organisatie die het oogmerk had misdrijven van mensensmokkel te plegen. De bewering van deze beklaagde dat eerste beklaagde verklaringen ten nadele van hem zou hebben afgelegd uit wraakzucht is niet geloofwaardig en neemt daarom de geloofwaardigheid van die verklaringen niet weg. Dat hij enkel contact had met eerste en vijfde beklaagden verhindert geenszins zijn lidmaatschap aan een criminele organisatie. Het is bewezen dat hij kennis had van de criminele aard van de organisatie waarvan hij deel uitmaakte, en met name dat deze mensensmokkel beoogde. Hij maakte wetens en willen deel uit van de betrokken organisatie, waarvan hij wist dat zij mensensmokkel beoogde. De door deze beklaagde in zijn conclusies gemaakte beoordeling van het strafonderzoek doet geen afbreuk aan zijn schuld aan het hem sub C.
  15. ten laste gelegde. Bestraffing. De ten laste van elk der beklaagden bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, zodat alleen de zwaarste straf dient te worden opgelegd. De hierna aan elk van deze beklaagden opgelegde bestraffing vormt een afdoende en juiste bestraffing voor al de aan elk van hen toegerekende misdrijven samen, gelet op enerzijds de aard van de feiten en anderzijds het strafrechtelijk verleden van deze beklaagden. Er wordt rekening gehouden met de omvang van de feiten en het erdoor veroorzaakte menselijke leed. Ook wordt het aandeel van elk van hen in rekening gebracht. De opgelegde geldboete wordt verantwoord door het beoogde snel en gemakkelijk geldgewin. De vervangende gevangenisstraffen zijn aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboetes. Overeenkomstig artikel 77sexies van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden tweede, derde en zevende beklaagden veroordeeld tot ontzetting uit de rechten van artikel 31 van het Strafwetboek. Gelet op de omvang van de feiten wordt de periode van de ontzetting voor elk van hen bepaald op zeven jaar. Geen afdoende feitelijke gronden zijn voorhanden om in te gaan op de vordering van het Openbaar Ministerie tot verbeurdverklaring van uit de betrokken aangehouden misdrijven verkregen vermogensvoordelen. De doorgevoerde becijfering is te hypothetisch, terwijl toch tal van slachtoffers konden worden geïdentificeerd. Aan deze beklaagden wordt geen gunstmaatregel toegekend. Een effectieve bestraffing dringt zich op ten einde deze beklaagden te behoeden voor recidive. Tweede beklaagde is niet geloofwaardig niet te hebben gehandeld met een kwaad oogmerk. Te zijnen aanzien werden reeds verzachtende omstandigheden aangenomen in de verwijzingsbeschikking. Met zijn ondergane voorhechtenis wordt geen rekening gehouden: voorhechtenis kan niet als een element ter mildering van de straf worden aangehouden. Met de overige door deze beklaagde aangehaalde elementen wordt wel rekening gehouden bij de straftoemeting, onder die aanpassing dat beklaagde meer vermogensvoordeel beoogde dan alleen financiële middelen om in het door hem genoemde beloofde land te geraken. Ten aanzien van vijfde beklaagde houdt het Hof bij de straftoemeting tevens rekening met de door deze beklaagde opgeworpen elementen. Derde beklaagde daarentegen is geenszins geloofwaardig in zijn bewering "niet uit eigen vrije beweging in het milieu van de mensensmokkel" te zijn terechtgekomen. Met de overige door deze beklaagde aangevoerde elementen, uitgezonderd de ondergane voorhechtenis, houdt het Hof wel rekening. Burgerlijke partijstelling Ter terechtzitting van 29 april 2008 van de correctionele Rechtbank te Dendermonde vorderde de burgerlijke partij ten laste van elke beklaagde een schadevergoeding van 1,00 euro voor door haar geleden morele schade. Zij vorderde tevens de hoofdelijke veroordeling van beklaagden tot een in billijkheid te bepalen rechtsplegingsvergoeding. Ten aanzien van deze burgerlijke partijstelling zelf ontwikkelen beklaagden geen andere middelen dan de hoger aangehaalde en tegemoet getreden middelen. Gelet op de voorliggende onderzoeksgegevens is deze burgerlijke partijstelling en de erin gestelde vorderingen ontvankelijk en gegrond als volgt: tweede, derde, vijfde, zesde en zevende beklaagden, die allen schuldig worden bevonden aan lidmaatschap van een criminele organisatie die mensensmokkel beoogt (tenlasteleggingen C.1 en C.2), worden overeenkomstig artikel 50 van het Strafwetboek solidair veroordeeld om aan de burgerlijke partij een schadevergoeding van 1,00 euro te betalen. Aan de burgerlijke partij wordt bovendien een rechtsplegingsvergoeding van 150,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en 150,00 euro voor de huidige procedure toegekend. Tot betaling ervan worden alle beklaagden solidair veroordeeld. Geen redenen zijn voorhanden om te dezen af te wijken van het basisbedrag. De overige verbeurdverklaringen. Geen gronden zijn voorhanden om ten laste van deze beklaagden verbeurdverklaringen uit te spreken van in beslaggenomen voorwerpen. BESLISSING. HET HOF, recht doende op tegenspraak en met inachtneming van de artikelen: - 2, 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935, - 1, 2, 3, 7, 31, 33, 38, 40, 44, 45, 65, 66, 79, 80, 100, 231, 324bis, 324ter en 325 van het Strafwetboek, - 75, 77bis, 77quater, 77quinquies en 80 van de wet van 15 december 1980, - 1 van de wet van 5 maart 1952, - 3 en 4 van de wet van 17 april 1878, - 1382 van het Burgerlijk Wetboek, - 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, - 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985, - 58 van het K.B. van 18 december 1986, - 91 van het K.B. van 28 december 1950, - 66, 162, 162bis, 185, 186, 190, 194, 210, 211, 211bis, 212, 226, 227, 332 en 427 van het Wetboek van Strafvordering. Ontvangt de hogere beroepen en er recht op doende met eenparigheid van stemmen. Zegt dat:
  16. de naam van zesde beklaagde in alle processtukken dient te worden gelezen als "M. I. S.".
  17. de geboorteplaats van vijfde beklaagde in alle processtukken dient te worden gespeld als "T".
  18. in de tenlastelegging A de woorden "minstens en onder meer" dienen te worden weggelaten. Strafrechtelijk. Betreffende beklaagde R. S.. Verklaart beklaagde R. S. schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten sub A (zoals verbeterd) C.1, D.2 en E.
  19. Veroordeelt beklaagde dienvolgens hoofdens deze vermengde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van ZES JAAR en een geldboete van TACHTIGDUIZEND EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op VIERHONDERDVEERTIGDUIZEND EURO of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Verklaart beklaagde ontzet van de rechten van artikel 31 van het Strafwetboek voor een termijn van zeven jaar. Verplicht beklaagde een bijdrage te betalen van VIJFENTWINTIG EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op HONDERDZEVENENDERTIG EURO VIJFTIG CENT. Legt beklaagde een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. Betreffende beklaagde G. S. Verklaart beklaagde G. S. schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten sub A (zoals verbeterd), C.1 en E.
  20. Veroordeelt beklaagde hoofdens deze vermengde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van ZES JAAR en een geldboete van TACHTIGDUIZEND EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op VIERHONDERDVEERTIGDUIZEND EURO of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Verklaart beklaagde ontzet van de rechten van artikel 31 van het Strafwetboek voor een termijn van zeven jaar. Verplicht beklaagde een bijdrage te betalen van VIJFENTWINTIG EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op HONDERDZEVENENDERTIG EURO VIJFTIG CENT. Legt beklaagde een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. Betreffende beklaagde I. P. Verklaart beklaagde niet schuldig aan het hem ten laste gelegde feit sub B. Spreekt beklaagde er dienvolgens van vrij en ontslaat hem van elke uit dien hoofde tegen hem ingestelde rechtsvervolging. Verklaart beklaagde schuldig aan het hem ten laste gelegde feit sub C.
  21. Veroordeelt beklaagde dienvolgens tot een hoofdgevangenisstraf van TWEE JAAR en tot een geldboete van VIERDUIZEND EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op TWEEËNTWINTIGDUIZEND EURO of een vervangende gevangenisstraf van één maand. Verplicht beklaagde een bijdrage te betalen van VIJFENTWINTIG EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op HONDERDZEVENENDERTIG EURO VIJFTIG CENT. Legt beklaagde een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. Betreffende beklaagde M. I. S. Verklaart beklaagde niet schuldig aan het hem ten laste gelegde feit sub B. Spreekt beklaagde er dienvolgens van vrij en ontslaat hem van elke uit dien hoofde tegen hem ingestelde rechtsvervolging. Verklaart beklaagde schuldig aan het hem ten laste gelegde feit sub C.
  22. Veroordeelt beklaagde dienvolgens tot een hoofdgevangenisstraf van TWEE JAAR en tot een geldboete van VIERDUIZEND EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op TWEEËNTWINTIGDUIZEND EURO of een vervangende gevangenisstraf van één maand. Verplicht beklaagde een bijdrage te betalen van VIJFENTWINTIG EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op HONDERDZEVENENDERTIG EURO VIJFTIG CENT. Legt beklaagde een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. Betreffende beklaagde J. S. Verklaart beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten sub A (zoals verbeterd) en C.
  23. Veroordeelt beklaagde dienvolgens hoofdens deze vermengde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van VIJF JAAR en tot een geldboete van VIJFTIGDUIZEND EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op TWEEHONDERDVIJFENZEVENTIGDUIZEND EURO of een vervangende gevangenisstraf van twee maanden. Verklaart beklaagde ontzet van de rechten artikel 31 van het Strafwetboek voor een termijn van zeven jaar. Verplicht beklaagde een bijdrage te betalen van VIJFENTWINTIG EURO vermeerderd met 45 opdeciemen en alzo gebracht op HONDERDZEVENENDERTIG EURO VIJFTIG CENT. Legt beklaagde een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. Kosten. Verwijst beklaagden ieder in hun deel der kosten van de strafvordering in beide aanleggen begroot op: - euro 2.424,08 voor beklaagde R. S., - euro 2.484,08 voor beklaagde G. S., - euro 1.624,29 voor beklaagde I. P., - euro 1.624,29 voor beklaagde M. I. S., - euro 2.424,08 voor beklaagde J. S., alle kosten veroorzaakt zijnde door de thans nog aangehouden misdrijven en de kosten van tolk en van de vernietigde procedure uitgesloten. Burgerlijk. Veroordeelt beklaagden solidair tot betaling aan de burgerlijke partij van een schadevergoeding ten belope van EEN EURO ( euro 1,00), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en van een rechtsplegingsvergoeding begroot op telkens euro 150,00 in eerste aanleg en in hoger beroep. Verwijst beklaagden solidair in de kosten van deze burgerlijke vordering in eerste aanleg en van huidige procedure, deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op euro 27,
  24. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090903.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.