id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090910.5 Rolnummer: 74 AGA 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 20:13 Fiche Daar waar, ten tijde van de feiten, één van de constitutieve elementen van het bij artikel 30bis §4 van de wet van 27 juni 1969 geviseerde misdrijf, erin bestond dat het diende te gaan om een betaling verschuldigd aan een niet-geregistreerde medecontractant, dient het, ingevolge de voormelde wetswijziging (Programmawet van 27 april 2007) te gaan om een betaling verschuldigd aan een medecontractant die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft. Het niet-geregistreerd zijn impliceert niet noodzakelijk het hebben van sociale schulden (en vice versa). Het Hof stelt vast dat in casu de feiten, die op basis van de oude wet een misdrijf uitmaakten, volgens de nieuwe wet niet meer als dusdanig strafbaar zijn. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Toepassing in tijd strafrecht Vrije woorden: Strafrecht - strafrechtspleging - werking in de tijd - artikelen 2 Sw. 7 EVRM en artikel 15 BUPO (IVBPR) - inperking van de strafbaarstelling Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Verdrag of internationale overeenkomst - 7 EVRM Verdrag of internationale overeenkomst - 15 BUPO Nota: Tegen dit arrest werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 10 september 2009 te Antwerpen, veertiende kamer (sociaal) (...) Luidens de vermeldingen van de inleidende akten worden voornoemde beklaagden onder de voormelde respectieve tenlasteleggingen vervolgd wegens inbreuk op artikel 30bis §4, tweede lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, strafbaar gesteld door artikel 35 §1, al. 1, 3° en al. 3 van voormelde wet van 27 juni 1969, feiten die, zo bewezen, gepleegd werden tussen 27 april 2002 en 23 december 2002 (feiten sub I.2), respectievelijk tussen 17 juni 2005 en 26 september 2005 (feiten sub I.3). In zijn ten tijde van de feiten toepasselijke versie, bepaalde artikel 30bis §4, eerste lid van voormelde wet van 27 juni 1969 dat de opdrachtgever die, voor de in §1 vermelde werken (zijnde de door de Koning bepaalde werkzaamheden) aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling niet is geregistreerd, een deel of het geheel van de prijs betaalt, verplicht is bij die betaling 15% van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief BTW, in te houden en te storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. In zijn ten tijde van de feiten toepasselijke versie bepaalde artikel 30bis §4, tweede lid van voormelde wet van 27 juni 1969 dat de aannemer die, voor de in §1 vermelde werken aan een onderaannemer een deel of het geheel van de prijs betaalt, verplicht is bij die betaling 35% van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief BTW, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. Artikel 35, al. 1, 3° van voormelde wet bepaalde ten tijde van de feiten dat worden gestraft met ... de personen bedoeld bij artikel 30bis §4, die nalaten de verschuldigde sommen binnen de voorgeschreven termijn te storten. In zijn actuele versie, na wijzigingen en zoals laatst vervangen bij artikel 55 van de Programmawet van 27 april 2007 (inwerkingtreding op 1 januari 2008) bepaalt artikel 30bis §4, eerste lid van voormelde wet van 27 juni 1969 dat de opdrachtgever die voor de in §1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht is bij die betaling 35% van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief BTW, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst. In zijn actuele versie, na wijzigingen en zoals laatst vervangen bij artikel 55 van de Programmawet van 27 april 2007, bepaalt artikel 30bis §4, tweede lid van de wet van 27 juni 1969 dat de aannemer die voor de in §1 vermelde werken, een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht is bij die betaling 35% van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de BTW, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst. Het thans van toepassing zijnde artikel 35 §1, lid 1, 3° van de wet van 27 juni 1969 bepaalt dat worden gestraft met ... de personen bedoeld bij artikel 30bis §4, die nalaten de verschuldigde sommen binnen de voorgeschreven termijn te storten. Krachtens artikel 2, eerste lid van het Strafwetboek kan geen misdrijf worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Krachtens artikel 7 EVRM en artikel 15 BUPO (IVBPR) kan niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. De strafrechtelijke principes van overgangsrecht zijn van toepassing op de eigenlijke strafwetten waarbij een bepaald handelen of nalaten als misdrijf wordt omschreven of afgeschaft, de constitutieve bestanddelen van het misdrijf worden geformuleerd zodat de strafbaarstelling wordt verruimd of ingeperkt, of waarbij een bepaalde strafmaat wordt gesteld. Daar waar, ten tijde van de feiten, één van de constitutieve elementen van het bij artikel 30bis §4 van de wet van 27 juni 1969 geviseerde misdrijf, erin bestond dat het diende te gaan om een betaling verschuldigd aan een niet-geregistreerde medecontractant, dient het, ingevolge de voormelde wetswijziging (Programmawet van 27 april 2007) te gaan om een betaling verschuldigd aan een medecontractant die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft. Het niet-geregistreerd zijn impliceert niet noodzakelijk het hebben van sociale schulden (en vice versa). Het Hof stelt vast dat in casu de feiten, die op basis van de oude wet een misdrijf uitmaakten, volgens de nieuwe wet niet meer als dusdanig strafbaar zijn. Gelet op wat voorafgaat is, ingevolge artikel 2 van het Strafwetboek, de strafvordering met betrekking tot de sub I.2 aan beklaagde G. K. en sub I.3 aan beklaagden A. A. en de N.V. A. ten laste gelegde feiten vervallen en dienen deze beklaagden desbetreffend van rechtsvervolging te worden ontslaan. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090910.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.