id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090915.9 Rolnummer: 124 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-01-14 Raadplegingen: 147 - laatst gezien 2026-07-02 20:15 Fiche
- Het op 22 juni 2008 opgestelde proces-verbaal dat de beschrijving bevat van de gewraakte feiten geniet niet van de bijzondere bewijswaarde bepaald in artikel 62 Wegverkeerswet, indien het niet aan de overtreder in afschrift werd overgemaakt. Het proces-verbaal heeft dan de waarde van een inlichting.
- Eenmaal de weigering uitgesproken werd, is het misdrijf geweigerd te hebben zich te onderwerpen aan de ademtest bedoeld in artikel 59 par.1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer K.B. tot coördinatie van 16 maart 1968 voltrokken, ongeacht het verder aandringen van wie dan ook, zelfs als dat aandringen uiteindelijk resulteert in het afleggen van de ademtest.
- Nu beklaagde zich kenbaar had gemaakt als plaatsvervangend magistraat en hij vervolgens bemerkte dat de politieambtenaar, ingevolge die mededeling van zijn hoedanigheid, niet meteen overging tot het opleggen van de ademtest, maar zich verwijderde teneinde telefonisch contact te nemen met een parketmagistraat, en hem nadien verzocht om de ademtest te ondergaan, mocht en moest beklaagde er van uitgaan dat hij te doen had met een bevoegde politieambtenaar. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Algemeen (bewijs (strafrecht) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 - Ademtest - art. 59-61 Vrije woorden:
- Strafprocesrecht - bewijs - bijzondere bewijswaarde - artikel 62 wegverkeerswet - voorwaarde
- Strafrecht - wegverkeer - misdrijf weigering ademtest - weigering
- Strafprocesrecht - voorrecht van rechtsmacht - wegverkeer - ademtest - bevoegdheid politieambtenaar - opdracht van de parketmagistraat - omzendbrief Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 16-03-1968 - 59 §1 Nota: Het cassatieberoep werd verworpen bij arrest van 15 december 2009, P.09.1443.N Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 15 september 2009 te Antwerpen, eerste kamer (...) BETICHT VAN: Eén der magistraten zijnde vermeld in art. 479 van het Wetboek van Strafvordering, namelijk L. tot dit ambt benoemd bij K.B. van L. en hebbende gehandeld buiten dit ambt, te Mechelen, in het gerechtelijk arrondissement Mechelen in de nacht van 21 juni 2008 op 22 juni 2008 geweigerd te hebben zich te onderwerpen aan de ademtest bedoeld in artikel 59 par.1, terwijl het misdrijf aan zijn persoonlijk toedoen te wijten is (art. 34 par.2.3°, art. 38 par.1.1° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer K.B. tot coördinatie van 16 maart 1968) (...) 4.1 Het op 22 juni 2008 opgestelde proces-verbaal dat de beschrijving bevat van de gewraakte feiten geniet niet van de bijzondere bewijswaarde bepaald in artikel 62 WvW., nu het immers niet aan de overtreder in afschrift werd overgemaakt, minstens ontbreekt elk bewijs van dergelijke overmaking. Het proces-verbaal heeft de waarde van een inlichting. 4.2 Het op 22 juni 2008 opgestelde proces-verbaal vermeldt dat beklaagde bij een WODCA-controle te Mechelen geïntercepteerd werd. Wanneer door de bevoegde overheidspersoon aan de bestuurder gevraagd wordt of deze een ademtest wil afleggen, antwoordt deze dat hij voorrang van rechtsmacht geniet als plaatsvervangend vrederechter. Beklaagde identificeerde zich ook. Het proces-verbaal vermeldt vervolgens : "Op 22/06/08 te 00.00 uur nemen wij telefonisch contact op met de dienstdoende magistraat bij het Parket Mechelen (...). Wij doen het relaas van de feiten. Aangezien de magistraat via een andere telefoon nog in gesprek is, zegt ze terug te bellen. Om 00.02 uur gebeurt dit en (...) beveelt (met die bewoordingen) eerste opsteller om dhr. L. in opdracht en in naam van dhr. Procureur Generaal te Antwerpen een ademtest op te leggen. Daarna dient het resultaat aan haar meegedeeld te worden. Wij vragen hierop aan L. om een ademtest af te leggen, wat hij weigert. Hij wil de Procureur Generaal zelf spreken. Wij repliceren hierop dat dit niet de procedure is en dat de dienstdoende magistraat van het Parket Mechelen ons bevolen heeft de ademtest op te leggen en dat dit volstaat. Betrokkene blijft echter weigeren. Wij herhalen nogmaals onze vraag, echter zonder resultaat. Wij delen L. mee dat bij een normale procedure na een weigering ademtest een bloedproef volgt, bij uiterlijke tekenen van alcoholopname tweede graad. Betrokkene blijft echter de ademtest weigeren. Op 22/06/08 te 00.07 uur nemen wij terug telefonisch contact op met (...) en doen het relaas van de feiten. Op haar vraag laten wij L. met haar spreken. Ook zij kan hem niet overtuigen een ademtest af te leggen. Hij wil de instructies van de Procureur Generaal zelf horen. Even daarna nemen wij de telefoon terug over. (...) geeft ons de opdracht alles nauwgezet te noteren en gaat de Procureur Generaal verwittigen. Op 22/06/08 te 00.25 uur contacteert (...) ons opnieuw met de melding dat zij de Procureur Generaal met dienst telefonisch niet kan bereiken, ondanks veelvuldige pogingen. Zij sprak een boodschap in om haar dringend te contacteren, echter zonder gevolg. Zij meldt ons dat ze de Procureur des Konings te Mechelen gaat verwittigen. Op 22/06/08 te 00.50 uur worden wij opnieuw telefonisch gecontacteerd door (...). Zij deelt ons mee dat ze de Procureur des Konings te Mechelen gecontacteerd heeft. Deze beveelt via haar aan L., eveneens in opdracht en naam van dhr. Procureur Generaal te Antwerpen, om een ademtest af te leggen. Op 22/06/08 te 01.00 uur delen wij ook het bevel van de Procureur des Konings te Mechelen mee aan L. . Hierop antwoordt deze dat hij niet moeilijk wil doen en een ademtest zal afleggen. Op 22/06/08 te 01.05 uur legt L. dan een ademtest af, die negatief resulteert. (...) Betrokkene vertoonde wel degelijk uiterlijke tekenen van alcoholopname tweede graad, niet van dronkenschap. Zijn adem rook middelmatig naar alcohol. Zelf verklaarde hij twee glazen bier gedronken te hebben. (...)" In zijn verhoor van 6 november 2008 verklaarde beklaagde : "Ik heb hierop geantwoord dat ik als plaatsvervangend rechter over voorrang van rechtsmacht beschikte en deze ademtest zou afleggen, nadat de Procureur Generaal hiertoe opdracht zou geven. Er werd mij door de politie gemeld dat ik in elk geval de ademtest moest afleggen. Ik vroeg u om rechtstreeks een contact te willen hebben met de procureur generaal met dienst. Ik heb geen contact gehad met de Procureur Generaal, wel met een substituut van de procureur des Konings. Ik heb tegen de Substituut telefonisch gemeld dat ik een rechtstreekse instructie van het Parket Generaal verwachtte. Op aandringen van de politie heb ik uiteindelijk de ademtest afgelegd, zonder contact gehad te hebben met Procureur Generaal. (...) Betreffende mijn oorspronkelijke weigering om een ademtest af te leggen zonder rechtstreekse opdracht en contact met de Procureur Generaal, meende ik dat mijn weigering terecht was. Het probleem was dat er geen rechtstreeks contact was met Procureur Generaal." 4.3 Beklaagde verwijst naar de omzendbrief van de Procureur-generaal te Antwerpen van 5 juni 1975 gericht aan de Procureurs des Konings en Arbeidsauditeurs, waarin bepaald is : "(...) Bij het opsporen of vaststellen van misdaden of wanbedrijven waarbij een magistraat, die het voorrecht van rechtsmacht bezit, betrokken is - ondermeer bij verkeersongevallen of verkeersinbreuken, - is het de politie -en rijkswachtdiensten geenszins geoorloofd tot zijn ondervraging of verhoor over te gaan; - is het de magistraat niet toegelaten zich tot een dergelijke ondervraging of verhoor te lenen, er zich spontaan of bereidwillig aan te onderwerpen of er de politie - of rijkswachtdiensten uitdrukkelijk om te verzoeken; (...) Uit artikel 479 van het wetboek van strafvordering vloeit voort dat de procureur-generaal beslist over de strafvordering inzake misdrijven die een correctionele straf medebrengen. De magistraat die het voorrecht van rechtsmacht bezit, is hem alleen uitleg en verantwoording verschuldigd. Dit zal geschieden door middel van een geschreven verklaring hem rechtstreeks toe te zenden. (...) De magistraat van mijn ambtsgebied die het voorrecht van rechtsmacht bezit dient dan ook : - wanneer hij bij een verkeersongeval met lichamelijke letsels of materiële schade betrokken werd; - wanneer te zijne laste, bij middel van een procesverbaal of een onmiddellijke inning, een verkeersovertreding vastgesteld werd, na hierom door mijn ambt verzocht te zijn, zijn geschreven verklaring, samen met het hem overgemaakte dossier of procesverbaal, rechtstreeks aan mijn ambt terug te zenden. (...)" Beklaagde erkent in conclusie de voormelde omzendbrief van de Procureur-generaal te kennen. In het voorliggende dossier is de voormelde omzendbrief gevoegd in kopie, dit voor wat betreft de eerste drie bladzijden ervan. Deze omzendbrief heeft evenwel geen betrekking op het afleggen van een ademtest op zichzelf. Op te merken is ook dat bij de aanvankelijke vaststellingen in de nacht van 21 op 22 juni 2008 geen verhoor werd afgenomen. Evenmin is alsdan aan beklaagde gevraagd om enige schriftelijke verklaring op te stellen of over te maken. Beklaagde verwijst tevens naar de omzendbrief van 15 november 1996 van de Procureur-generaal te Antwerpen gericht aan de Procureurs des Konings en Arbeidsauditeurs, betreffende het voorrecht van rechtsmacht, opleggen van ademtest en ademanalyse. Deze omzendbrief bepaalt onder meer : "De administratieve en de gerechtelijke functie blijken aldus zodanig met elkaar verweven te zijn dat een strikt onderscheid niet kan worden gemaakt : een eerste handeling, die als van louter administratieve aard zou kunnen worden bestempeld, vertoont immers aspecten die ze, mede ingevolge de in art. 60 W.P.W. opgelegde verplichtingen, tegelijkertijd kenmerkt als een eerste stap naar de erop noodzakelijkerwijze volgende handelingen die ervan niet kunnen worden losgemaakt en die louter de uitoefening van de gerechtelijke politie behelzen. Daarbij moet het opleggen van een ademanalyse of, desgevallend, van een bloedproef, zonder enige twijfel als een onderzoeksdaad worden beschouwd die het noodzakelijk gevolg is van een positieve ademtest en er derhalve ondeelbaar mee verbonden is. Vermits enkel mijn ambt bevoegd is onderzoeksdaden te stellen of te doen stellen tegenover personen die voorrecht van rechtsmacht genieten, vloeit uit hetgeen voorafgaat voort dat, ter vrijwaring van de principes die in de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van Strafvordering liggen vervat, een bijzondere handelwijze moet worden gevolgd wanneer er aanleiding toe bestaat deze categorie van bestuurders aan een alcoholcontrole te onderwerpen. Ingeval van art. 59 §1-3° W.P.W. kan de bevoegde politieambtenaar aan ieder die aanstalten maakt om op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen een ademtest (of desgevallend onmiddellijk een ademanalyse, art. 59 § 2 W.P.W.) opleggen. Nu het dan uitsluitend gaat om een handeling van administratieve politie, kan deze controle zonder enige tussenkomst van mijn ambt worden uitgevoerd. In alle andere gevallen die door art. 59 § 1 W.P.W. zijn voorzien, zal de bevoegde politieambtenaar zich evenwel voor het opleggen van de ademtest (of desgevallend onmiddellijk de ademanalyse, art. 59 § 2 W.P.W.) telefonisch tot uw ambt moeten richten. Bij het ontvangen van dit bericht zal U, wanneer voldaan is aan de voorwaarden zoals bepaald in art. 59 § 1, 1° en 2° W.P.W., op grond van onderhavige richtlijnen aan de politieambtenaren mededelen dat in mijn naam en opdracht moet worden overgegaan tot het opleggen van de ademtest (of desgevallend onmiddellijk de ademanalyse, art. 59 § 2 W.P.W.) aan de persoon die voorrecht van rechtsmacht geniet. Enkel ingeval van positief resultaat dient mijn ambt vervolgens zo spoedig mogelijk telefonisch om eventuele verdere instructies te worden verzocht. Hieraan weze nog toegevoegd dat de bevoegde politieambtenaren gerechtigd zijn, zo daartoe aanleiding bestaat, de nodige maatregelen te treffen om te vermijden dat betrokkene zich aan de controle zou onttrekken." 4.4 Het misdrijf omschreven in artikel 34 §2.3° WvW. staat los van het gegeven dat na een weigering de bedoelde ademtest af te leggen toch een negatieve ademtest wordt afgelegd. 4.5 De Wegverkeerswet bepaalt niet binnen welk tijdsbestek de ademtest dient afgelegd te worden nadat daartoe door een bevoegde overheidspersoon een verzoek is gericht aan een persoon die zich bevindt in de toepassingsvoorwaarden van artikel 59 §1 WvW.. Wel is bepaald dat een dergelijke persoon om een wachttijd mag verzoeken van 15 minuten (art. 23 K.B. 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen). In voorliggende zaak heeft de beklaagde niet om een dergelijke wachttijd verzocht. In voorliggende zaak leidt het verstrijken van een zekere tijd vanaf het verzoek om een ademtest af te leggen op zichzelf niet tot het bewezen verklaren van het vervolgde misdrijf. De door beklaagde uitgesproken weigering doet dat wel. Eenmaal de weigering uitgesproken werd, is het misdrijf voltrokken, ongeacht het verder aandringen van wie dan ook, zelfs als dat aandringen uiteindelijk resulteert in het afleggen van de ademtest. 4.6 Het is aan beklaagde, als persoon die geniet van het voorrecht van rechtsmacht, om bij een controle door de politie, zoals in voorliggend geval, zijn hoedanigheid van plaatsvervangend magistraat kenbaar te maken. Dit gebeurde zoals het behoort. Na deze mededeling nam de politie contact op met de magistaat met dienst van het parket van de procureur des Konings te Mechelen. Ingevolge de voormelde omzendbrief van 15 november 1996 vermocht de parketmagistraat met dienst van het parket van de procureur des Konings aan de politie de opdracht te geven om in naam en opdracht van de Procureur-generaal de verdere onderzoeksdaden, bestaande in het daadwerkelijk opleggen van de ademtest, te laten uitvoeren. Door de verstrekte mondelinge opdracht van de magistraat met dienst van het parket van de procureur des Konings werd de hoofdinspecteur, die contact nam met de voormelde parketmagistraat, bevoegd om ten aanzien van beklaagde de verdere onderzoeksdaden regelmatig te stellen, meer bepaald het daadwerkelijk opleggen van de ademtest. Het is niet de zorg van beklaagde om in te staan voor de regelmatigheid van de opzichtens hem gevoerde (gerechtelijke) onderzoeksdaden. Beklaagde moet zich enkel kenbaar maken met zijn bijzondere hoedanigheid. Beklaagde moet, vervolgens en voor het overige, niet meewerken aan zijn eigen vervolging en veroordeling. Het is niet vereist dat de Procureur-generaal persoonlijk in de concrete opsporing of vervolging van beklaagde zou optreden. Evenmin is vereist dat er een persoonlijk contact zou zijn tussen de geïnterpelleerde plaatsvervangend magistraat en een lid van het Openbaar Ministerie bij de opsporing van een misdrijf. De mededeling aan de interpellerende politieambtenaar dat de ademtest daadwerkelijk kan opgelegd worden in naam en in opdracht van het ambt van de Procureur-generaal maakt de politieambtenaar bevoegd om die onderzoeksdaad te stellen. Nu beklaagde zich kenbaar had gemaakt als plaatsvervangend magistraat en hij vervolgens bemerkte dat de politieambtenaar, ingevolge die mededeling van zijn hoedanigheid, niet meteen overging tot het opleggen van de ademtest, maar zich verwijderde teneinde telefonisch contact te nemen met een parketmagistraat, en hem nadien verzocht om de ademtest te ondergaan, mocht en moest beklaagde er van uitgaan dat hij te doen had met een bevoegde politieambtenaar. Het is niet aan beklaagde, maar wel aan de politieambtenaar, dat meegedeeld moest worden dat de ademtest in naam en in opdracht van het ambt van de Procureur-generaal uitgevoerd moest worden. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090915.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.