← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090923.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090923.11 Rolnummer: 192 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-03 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 20:16 Fiche POLITIEK MISDRIJF - BEGRIP 1. Een politiek misdrijf is een misdrijf dat door zijn aard zelf, rechtstreeks de politieke instellingen (zijnde onder meer de staatsvorm, de parlementen, het gezag en de grondwettelijke prerogatieven van de Koning, de volgorde van de troonopvolging, de machtsuitoefening van de minister en de politieke rechten van de burgers zoals het kiesrecht) aanvalt in hun bestaan, hun organisatie of hun werking (zuiver politiek misdrijf), hetzij werd gepleegd met het oogmerk om een dergelijke aantasting te bereiken én dit feit, gelet op de bijzondere omstandigheden waarop het werd gepleegd, rechtstreeks een dergelijke aantasting tot gevolg heeft of tot gevolg kan hebben (gemengd politiek misdrijf) 2. De strafbare gedraging die erin bestaat dat de beklaagde weigert te zetelen als bijzitter in een stembureau houdt door zijn aard geen rechtstreekse aanval in op de politieke instellingen in hun bestaan, hun organisatie en hun werking (hypothese van het zogenaamd zuiver politiek misdrijf). 3. Indien deze strafbare gedraging wordt gepleegd met het oogmerk om de politieke instellingen aan te vallen in hun bestaan, hun organisatie en hun werking (hypothese van het zogenaamd gemengd politiek misdrijf) heeft dit feit gelet op de bijzondere omstandigheden waarop het werd gepleegd niet rechtstreeks een dergelijke aantasting tot gevolg gehad of tot gevolg kunnen hebben. GRONDWETTELIJK HOF - PREJUDICIËLE VRAAG 1. Het toetsingsvoorwerp van het Grondwettelijk Hof is overeenkomstig artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 beperkt tot wetskrachtige normen in formele zin. Het Grondwettelijk Hof vermag niet bepalingen van de Grondwet zelf te toetsen. 2. Men kan aan het Grondwettelijk Hof niet vragen om zich, via de omweg van artikel 13 van de Grondwet, uit te spreken over de invulling die het begrip politiek misdrijf heeft in artikel 150 van de Grondwet en in de herhalende tekst van artikel 8, eerste lid van het decreet van 19 juli 1831. VERJARING VAN DE STRAFVORDERING - ONMOGELIJKHEID OM ERAAN TE VERZAKEN 1. De regelen betreffende de verjaring raken de openbare orde. De strafrechter stelt desgevallend ambtshalve de verjaring vast. 2. Een beklaagde kan niet verzaken aan de verjaring van de strafvordering, zelfs niet indien hij de voorkeur zou geven aan een proces ten gronde teneinde zijn onschuld bewezen te zijn en hij daarbij een feitelijk belang zou hebben. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Tenietgaan van de straf - Verjaring STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Bevoegdheid Vrije woorden: Politiek misdrijf - Begrip Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag Verjaring van de strafvordering - Onmogelijkheid om eraan te verzaken Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 13 Grondwet 1994 - 142 Grondwet 1994 - 150 Kieswetboek - 204 Nota: tegen dit arrest werd geen cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Hof van Beroep, zitting houdende op 23 september 2009 te Antwerpen, negende kamer ... 5. De bevoegdheid van dit Hof

  1. i)Door de beklaagde wordt ten onrechte voorgehouden dat dit Hof onbevoegd zou zijn omdat de beklaagde wordt vervolgd voor een politiek misdrijf, waarvan de berechting exclusief aan het Hof van Assisen is opgedragen.
  2. ii)Of een misdrijf het karakter heeft van politiek misdrijf wordt bij afwezigheid van een (grond)wettelijke definitie van het begrip politiek misdrijf door de feitenrechter bepaald. iii/1) Een politiek misdrijf is een misdrijf dat door zijn aard zelf, rechtstreeks de politieke instellingen (zijnde onder meer de staatsvorm, de parlementen, het gezag en de grondwettelijke prerogatieven van de Koning, de volgorde van de troonopvolging, de machtsuitoefening van de minister en de politieke rechten van de burgers zoals het kiesrecht) aanvalt in hun bestaan, hun organisatie of hun werking (zuiver politiek misdrijf), hetzij werd gepleegd met het oogmerk om een dergelijke aantasting te bereiken én dit feit, gelet op de bijzondere omstandigheden waarop het werd gepleegd, rechtstreeks een dergelijke aantasting tot gevolg heeft of tot gevolg kan hebben (gemengd politiek misdrijf) iii/2) De stelling van de beklaagde dat deze omschrijving te eng is en strijdig met artikel 150 van de Grondwet (beroepsbesluiten, p. 21) kan het Hof niet overtuigen. Het Hof ziet overigens niet goed in hoe deze invulling van het begrip politiek misdrijf strijdig zou kunnen zijn met artikel 150 G.W, daar die grondwetsbepaling dit begrip niet definieert maar de zorg daartoe heeft overgelaten aan de rechter. iv/1) Het Hof is van oordeel dat de strafbare gedraging erin bestaande dat de beklaagde weigert te zetelen als bijzitter in een stembureau door zijn aard niet rechtstreeks de politieke instellingen aanvalt in hun bestaan, hun organisatie en hun werking (hypothese van het zogenaamd zuiver politiek misdrijf). Er kan immers bezwaarlijk worden voorgehouden dat dit misdrijf ongeacht de omstandigheden waarin het wordt gepleegd noodzakelijk moet bestaan in een rechtstreekse aanslag op het bestaan, de inrichting of de werking van de politieke instellingen of de politieke rechten. Het loutere feit bewust de verplichting om te fungeren als bijzitter in een bureau niet na te komen impliceert geenszins noodzakelijkerwijze een dergelijke rechtstreekse aanval. iv/2) Het is niet omdat andere misdrijven strafbaar gesteld in het Kieswetboek, zoals de kiesomkoping of het uitoefenen van kiesrecht nadat men daaruit ontzet is, klassiek als "politieke misdrijven uit hun aard" worden beschouwd dat dit ook zou moeten gelden voor de weigering om als bijzitter te fungeren, zoals nochtans wordt voorgehouden door de beklaagde (beroepsbesluiten, p. 22-23). Het gaat duidelijk om misdrijven van een andere aard. De eerste raken rechtstreeks en onmiddellijk de uitoefening van het kiesrecht terwijl het aan de beklaagde verweten misdrijf dat verband houdt met de wijze waarop verkiezingen worden georganiseerd slechts onrechtstreeks betrekking heeft op de uitoefening van dit kiesrecht. v/1) Het Hof is verder van oordeel dat indien wordt aangenomen dat de beklaagde het hem verweten strafbare feit heeft gepleegd met het oogmerk om de politieke instellingen aan te vallen in hun bestaan, hun organisatie en hun werking (hypothese van het zogenaamd gemengd politiek misdrijf), dit feit gelet op de bijzondere omstandigheden waarop het werd gepleegd niet rechtstreeks een dergelijke aantasting tot gevolg heeft gehad of tot gevolg heeft kunnen hebben. v/2) Opdat het aan de beklaagde verweten feit een politiek misdrijf zou kunnen zijn is vereist dat het in de concrete omstandigheden van de zaak een rechtstreeks en onmiddellijk politiek gevolg heeft veroorzaakt of kon veroorzaken. Aan die voorwaarde is m.b.t. het aan de beklaagde verweten misdrijf niet voldaan. De verkiezingen werden overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake zo georganiseerd dat de weigering van de beklaagde om als bijzitter in een stembureau te zetelen geen rechtstreeks en onmiddellijk politiek gevolg heeft veroorzaakt of kon veroorzaken. Er werd immers voorzien in de vervanging van de beklaagde door een plaatsvervanger. De beklaagde maakt op geen enkele wijze met concrete en verifieerbare elementen aannemelijk dat door zijn weigering de politieke instellingen rechtstreeks in hun bestaan, hun organisatie en hun werking werden aangetast en ook konden worden aangetast. Het gegeven dat zich bepaalde problemen zouden hebben voorgedaan zoals het late beginuur van de stemming in bepaalde stembureaus, waarbij geenszins aannemelijk is dat dit in causaal verband stond met het ten laste gelegde feit, volstaat niet om te kunnen gewagen van een rechtstreekse aantasting van een politieke instelling. v/3/
  3. i)Het Hof moet benadrukken dat de bewijsregeling in strafzaken niet inhoudt dat een strafrechter in het algemeen en dit Hof in het bijzonder gehouden zouden zijn om alles wat door een beklaagde wordt voorgehouden voor waar aan te nemen of alles wat door hem wordt betwist voor niet waar aan te nemen, behoudens tegenbewijs door het Openbaar Ministerie. Het tegenbewijs ligt slechts dan bij het Openbaar Ministerie indien de beweringen of de betwistingen van de beklaagde een zekere mate van aannemelijkheid of geloofwaardigheid hebben. v/3/
  4. ii)De blote bewering van de beklaagde dat het hem verweten misdrijf een rechtstreekse aanslag zou inhouden op de politieke instellingen en dat er ernstige moeilijkheden voor de organisatie van de verkiezingen waren (beroepsbesluiten na cassatie, p. 24) acht het Hof niet aannemelijk of geloofwaardig. Het enkele feit dat een substituut procureur des Konings - overigens van een ander parket dan het vervolgende parket - zou hebben verklaard dat een prioriteit werd gemaakt van de vervolging van de verzuimde voorzitters en bijzitters, dat de BHV-dienstweigeraars massaal zouden zijn vervolgd of nog dat er instructies zouden bestaan van het parket-generaal om deze te vervolgen (beroepsbesluiten na cassatie, p. 25) maakt de blote bewering van de beklaagde dat het afwezig blijven van voorzitters of bijzitters ernstige moeilijkheden voor de organisatie van de verkiezingen met zich heeft meegebracht of kon meebrengen, zelfs reeds zonder enige collectieve actie, nog niet geloofwaardig of aannemelijk. Het Hof acht de voormelde (interne) parketinstructie of - aanbeveling - niet relevant voor zijn beoordeling zodat het voorbrengen ervan, voor zover het Openbaar Ministerie al zou kunnen gehouden zijn ze over te leggen, niet nuttig. v/3/
  5. ii)Het enkele gegeven dat de beklaagde betwist dat stembureaus tijdig zijn opengegaan en dat er geen problemen zijn geweest om de bureaus samen te stellen (beroepsbesluiten na cassatie, p. 27), houdt nog niet in dat dit Hof het door de beklaagde betwiste gegeven niet voor waar zou mogen aannemen. De beklaagde dient zijn betwisting met concrete en verifieerbare elementen te staven, wat hij niet heeft gedaan. Hij kan dan ook het Openbaar Ministerie niet verwijten dat omtrent zijn betwisting geen verder onderzoek is gedaan. v/4) De beklaagde kan verder evenmin worden gevolgd waar hij voorhoudt dat bij de beoordeling van het karakter van politiek misdrijf dit Hof niet enkel zou rekening moeten houden met het aan de beklaagde verweten feit maar ook met de gedragingen van andere personen die eveneens hun medewerking aan de organisatie van de verkiezingen hebben geweigerd. Bij de beoordeling van de vraag of het aan de beklaagde verweten feit een (zogenaamd gemengd) politiek misdrijf is en of dit Hof van de vervolging van dit feit kennis kan nemen, kan enkel rekening worden gehouden met het aan de beklaagde verweten feit en dus niet met andere analoge feiten die gebeurlijk door anderen zouden zijn gepleegd. Alleen het aan de beklaagde verweten feit ligt ter beoordeling van dit Hof voor. A fortiori kan het Hof geen rekening houden - wat het blijkbaar volgens de beklaagde wel zou moeten doen (beroepsbesluiten na cassatie, p. 28) met de hypothese dat bij een nog groter aantal gewetensbezwaarden het effect wel zou kunnen geweest zijn dat de kiesverrichtingen niet zouden hebben kunnen doorgaan of nog dat de vervangers eveneens zouden hebben geweigerd. vi/1) Het Hof ziet geen grond om het Grondwettelijk Hof te bevragen op de door de beklaagde gevorderde wijze. vi/2) Het toetsingsvoorwerp van het Grondwettelijk Hof is overeenkomstig artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 beperkt tot wetskrachtige normen in formele zin. Het Grondwettelijk Hof vermag niet bepalingen van de Grondwet zelf te toetsen. vi/3) Dat de berechting van politieke misdrijven is opgedragen aan het hof van assisen is vastgelegd in artikel 150 van de Grondwet ("De jury wordt ingesteld ... voor politieke misdrijven ..."). Deze regel werd herhaald in artikel 8, eerste lid van het decreet van 19 juli 1831 ("Wanneer het om politieke misdrijven ... gaat, wordt het onderzoek gevoerd en de uitspraak gedaan zoals in criminele zaken"). Artikel 8, eerste lid van dit decreet voegt dus - hoe men het ook draait of keert (beroepsbesluiten na cassatie, p. 32) - niets toe aan wat in de Grondwet is bepaald m.b.t. de vervolging van politieke misdrijven, namelijk dat die is opgedragen aan het hof van assisen. In dit decreet wordt - net zoals in de Grondwet - niets bepaald met betrekking tot de omschrijving van het begrip politiek misdrijf. Er kan dan ook niet ernstig worden voorgehouden dat er geen conformiteit zou zijn tussen deze decreetsbepaling en de Grondwet. Er is volstrekte identiteit. vi/4) Vragen dat het Grondwettelijk Hof zich, via de omweg van artikel 13 van de Grondwet, zou uitspreken over de invulling die het begrip politiek misdrijf heeft in artikel 150 van de Grondwet en in de herhalende tekst van artikel 8, eerste lid van het decreet van 19 juli 1831 zou impliceren dat het Grondwettelijk Hof wordt gevraagd de door de rechtspraak (inclusief dit Hof) gehanteerde definitie van het grondwettelijk begrip politiek misdrijf te beoordelen. Zulks behoort niet tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof, ook niet indien de beklaagde zich niet kan vinden in de gehanteerde omschrijving. Anders dan uit door de beklaagde geformuleerde vraagstelling zou kunnen blijken is artikel 150 van de Grondwet niet de norm waaraan de beklaagde artikel 8, eerste lid van het decreet van 19 juli 1831 wil laten toetsen (beroepsbesluiten na cassatie, p. 31) maar is deze grondwettelijke bepaling het eigenlijke en niet toegelaten toetsingsvoorwerp van zijn vraag. Zulks houdt geen rechterlijke willekeur in (beroepsbesluiten na cassatie, p. 32) maar een rigoureus respect voor de regels die in de Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 zijn vastgelegd m.b.t. de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. vi/5) Het Hof ziet evenmin grond om, in het licht van de afwijzende beslissing van de eerste door de beklaagde voorgestelde prejudiciële vraag, het Grondwettelijk Hof een tweede prejudiciële vraag te stellen m.b.t. de beweerde schending door artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. De vraagstelling gaat immers uit van de foutieve veronderstelling dat: - de situatie waarbij een wettelijke bepaling niets anders doet dan een grondwettelijke bepaling over te nemen en dus geen enkele van de Grondwet te onderscheiden autonome betekenis heeft ; - te vergelijken zou zijn met de situatie waarbij een wet wel degelijk een autonome betekenis heeft. Die situaties zijn niet vergelijkbaar en laten dus een verschil in behandeling toe. vi/6) Het voormelde houdt anders dan de beklaagde stelt (beroepsbesluiten na cassatie, p. 33) geen schending in van artikel 13 van de Grondwet en evenmin van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM. Niet aan de orde is hier een beweerde ongrondwettige interpretatie van wetten door de rechter, doch weil een door de beklaagde betwiste invulling van het grondwettelijk begrip politiek misdrijf. Bovendien stelt de beklaagde ten onrechte de grondwettelijke (hypothese dat de Grondwet de bevoegde rechter aanwijst) en de wettelijke bepalingen (met een autonome betekenis) (hypothese dat de wet los van de Grondwet de bevoegde rechter aanwijst) op hetzelfde niveau. Aangezien het gaat om naar hun aard en wijze van totstandkoming fundamenteel verschillende normen houdt een verschil in toetsingsbevoegdheid door het Grondwettelijk Hof geen verboden discriminatie in. 6. De verjaring van de strafvordering i/1) De regelen betreffende de verjaring raken de openbare orde. De strafrechter stelt desgevallend ambtshalve de verjaring vast. i/2) Een beklaagde kan niet verzaken aan de verjaring van de strafvordering, zelfs niet indien hij de voorkeur zou geven aan een proces ten gronde teneinde zijn onschuld bewezen te zien. Een beklaagde die voorhoudt onschuldig te zijn kan er feitelijk belang bij hebben dat hij wordt vrijgesproken na een debat ten gronde eerder dan de strafvordering verjaard te horen verklaren, doch de verjaring van de strafvordering bestaat niet in het persoonlijk belang van een rechtsonderhorige maar wel in het algemeen belang. Het belang van de samenleving om verjaarde feiten niet te beoordelen primeert op het voorgehouden belang van een beklaagde. i/3) Door de beklaagde wordt dan ook ten onrechte voorgehouden dat hij recht zou hebben te horen beslissen dat hij onschuldig is aan het misdrijf dat hem ten laste werd gelegd (beroepsbesluiten na cassatie, p. 1-2). Het Hof moet in dat verband vaststellen dat het verweer van de beklaagde op dit punt weinig consequent is : hij houdt ook voor - zij het "in uiterst ondergeschikte orde" (beroepsbesluiten na cassatie, p. 68) - dat de strafvordering is verjaard en hij vordert - zij het "uiterst subsidiair" (beroepsbesluiten na cassatie, p. 71) dat het Hof de verjaring zou vaststellen.
  6. ii)De strafvordering voor het aan de beklaagde verweten misdrijf verjaart volgens artikel 204 van het Kieswetboek door verloop van zes maanden na de dag waarop dit wanbedrijf zou zijn gepleegd. iii) De verjaring van de strafvordering werd nuttig gestuit op 30 november 2007 door de bij verstek gewezen beslissing.
  7. iv)De verjaring van de strafvordering was geschorst vanaf de datum van het door het Openbaar Ministerie met een cassatieberoep bestreden arrest van het Hof van Beroep van Brussel (20 mei 2008) tot de datum van het arrest van het Hof van Cassatie (6 januari 2009). Bij de aanvang van de schorsing van de verjaring waren nog slechts tien dagen te gaan vooraleer de verjaring van de strafvordering zou worden bereikt.
  8. v)Dit Hof kan thans dan ook enkel de verjaring van de strafvordering vaststellen. ... PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090923.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.