id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090930.10 Rolnummer: 433 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-03 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiche Het verkeerde begrip van de strafwet in hoofde van beklaagden was ten tijde van de feiten onoverwinnelijk en vloeide voort uit een aan hen vreemde en niet toerekenbare oorzaak, namelijk het standpunt van verschillende bevoegde overheden die de niet-strafbaarheid van hun handelen aankondigden, één en ander binnen het kader van een wetgeving die het in casu gebruikte tuig onderbracht in een algemeen benoemde restcategorie, 'enig ander tuig' genoemd. Zodoende kan van beklaagden niet gesteld worden dat zij niet zouden gehandeld hebben zoals elke redelijke en vooruitziende persoon in hun situatie zou gedaan hebben. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtvaardiging en verschoning - Dwaling Vrije woorden: Jacht - Duivencarrousel - Onoverwinnelijke dwaling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - 18 Nota: Tegen dit arrest werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Hof van Beroep, zitting houdende op 30 september 2009 te Antwerpen, negende kamer ... GEDAAGD OM : te Beernem, op 11 februari 2007 DE EERSTE, DE TWEEDE & DE DERDE: Bij inbreuk op artikel 19 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 gebruik te hebben gemaakt van netten, strikken, stroppen, lokaas, giftige stoffen en van enig ander tuig geschikt om gangbaar wild te vangen, te doden of om het vangen of doden van dat wild te vergemakkelijken terwijl het gebruik te allen tijde verboden is, in casu een duivencarroussel met twee dode duiven gebruikt te hebben; ...
- BEOORDELING OP STRAFGEBIED - Beoordeling van de schuld 3.
- Beklaagden werden op 11 februari 2007 aangetroffen op een landbouwperceel te Hertsberge, terwijl zij aan het schieten waren op houtduiven. Op het moment van de vaststellingen lagen her en der hoopjes geschoten houtduiven. De verbalisanten doen opgave van een veertigtal geschoten houtduiven, zonder tot telling te zijn overgegaan. 3.
- Bij het schieten van de houtduiven maakten beklaagden gebruik van een duivencarrousel, zijnde te dezen een mechanisme, bestaande uit een sokkel waarop, tegenover elkaar, twee naar buiten lopende antennes waren bevestigd. Op elk van deze antennes was een dode houtduif met openstaande vleugels gespietst. Aangedreven door een batterij, draaiden deze antennes met de erop gespietste houtduiven in het rond. De bedoeling was om aan de duiven in de lucht de indruk te geven dat er zich op het landbouwveld levende duiven ophielden. Hierdoor werden deze duiven aangelokt, waardoor zij gemakkelijk konden afgeschoten worden vanuit een aantal schuilhokken die rond de duivencarrousel waren geplaatst en die bemand waren door beklaagden. 3.
- Zulke duivencarrousel valt onder het begrip "enig ander tuig" bedoeld in artikel 19 van het Jachtdecreet van 24 juli
- Volgens dit artikel is het, op sanctie van de daar bedoelde straffen, te allen tijde verboden om gebruik te maken van netten, stroppen, lokaas, giftige stoffen en van enig ander tuig geschikt om jaagbaar wild te vangen, te doden of om het vangen of doden van dat wild te vergemakkelijken. Zulke carrousel vergemakkelijkt immers het doden van houtduiven. Dit gebeurt bovendien op een wijze die niet als fair of weidelijk kan aanzien worden, nu aan de gelokte duiven zo goed als geen kans wordt geboden om te ontsnappen aan de jagers, die zelf ook geen noemenswaardige inspanning moeten leveren of enige kunde aan de dag moeten leggen om de duiven af te schieten. Het gebruik van zulke carrousel behoort dan ook niet tot de normale jachtpraktijk. 3.
- Het feit dat artikel 16,2° van het besluit van de Vlaamse regering d.d. 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering d.d. 21 oktober 2005, enkel het gebruik van levende lokvogels verbiedt, betekent niet dat - a contrario - het gebruik van andere dan daar genoemde jachtmiddelen, zoals een duivencarrousel, toegestaan is. De Vlaamse regering vermag trouwens hoe dan ook geen afbreuk te doen aan de bepalingen van het Jachtdecreet. 3.
- Anderzijds kan de burgerlijke partij niet gevolgd worden waar zij stelt dat een duivencarrousel, of de zich erop bevindende dode houtduiven, te aanzien zijn als "lokaas" in de zin van artikel 19 van het Jachtdecreet. Het begrip "lokaas" begrijpt immers het lokken van wild door het gebruik van voedsel of prooien die op zichzelf het wild aantrekken. Het simuleren van over de grond rondvliegende duiven om andere duiven te lokken valt daar niet onder. In tegenstelling tot wat de burgerlijke partij voorhoudt, ligt er ook geen bewijs voor dat beklaagden andere dieren dan houtduiven zouden gedood hebben. 3.
- Beklaagden kunnen verder niet gevolgd worden in hun standpunt, volgens welk zij op het ogenblik van de feiten houtduiven aan het bejagen of aan het bestrijden waren om schade aan gewassen te voorkomen of te verhelpen. Er kan immers geen sprake zijn van: - bijzondere bejaging (art. 10 BVR 18-07-2003), onder meer omdat de feiten plaatsvonden buiten de periode van bijzondere bejaging, die ten tijde van de feiten liep van 1 maart tot en met 14 september; - bestrijding (art. 12 § 7 BVR 18-07-2003 en art. 22 Jachtdecreet), onder meer omdat er in casu geen sprake is van een voorafgaande schriftelijke verwittiging van de door de Vlaamse Executieve aangewezen ambtenaar. 3.
- Houtduiven, die vallen onder het begrip "overig wild" (art. 3 Jachtdecreet), waren ten tijde van de feiten bejaagbaar, meer bepaald van 15 september tot en met 28 februari (art. 9 § 1, 3° BVR 18-07-2003, gewijzigd BVR 21-10-2005). Eerste beklaagde was jachtrechthouder over het perceel waar de feiten werden vastgesteld. Tweede en derde beklaagde waren ook jagers. Beklaagden waren op het moment van de feiten aan het jagen en niet aan het verdelgen. Daarbij dienden de principes van de weidelijkheid van de jacht te gelden. De overwegingen van partijen in verband met de schadelijkheid van de houtduif zijn dan ook niet pertinent. 3.
- Het Hof zal verder de overwegingen van partijen niet ontmoeten, waar deze het hebben over het al dan niet toegestaan zijn van andere jachtmiddelen dan de duivencarrousel. Het Hof heeft immers enkel te oordelen over de thans voorliggende feiten. 3.
- Onverminderd het gegeven dat de materialiteit van de feiten vaststaat, is het Hof anderzijds van oordeel dat, als gevolg van de hierna vermelde omstandigheden, beklaagden wel in hun argumentatie kunnen gevolgd worden, voor zover deze impliceert dat zij, in het voorliggende geval, geen kennis hadden van het wederrechtelijke karakter van hun handelen: - bij brief van 16 januari 2002 heeft voormalig minister van leefmilieu en landbouw DUA aan de federale politie te Maldegem op gemotiveerde wijze laten weten dat kunstmatige lokvogels niet als een verboden middel worden beschouwd (stuk 4 bundel beklaagden), waarbij, volgens het Hof, de algemene term "kunstmatige lokvogels" het gebruik van dode houtduiven op een duivencarrousel kan begrijpen, - bij e-mail van 28 november 2006 heeft het Agentschap voor Natuur en Bos aan de verschillende arrondissementscommissariaten laten weten: "Naar aanleiding van enkele recente berichten in de media over het gebruik van carrousels bij de duivenjacht wens ik u mee te delen dat het Agentschap voor Natuur en Bos het standpunt inneemt dat het gebruik van dergelijke tuigen een legale techniek is bij de duivenjacht' (stuk 5 bundel beklaagden), - na de feiten is de materie specifiek geregeld geworden in het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 30 mei 2008 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend. Hierin wordt het gebruik van duivencarrousels verboden bij de jacht op houtduiven (art.3, 2°) en toegelaten bij de bestrijding ervan (art. 20 § 1, eerste lid). 3.
- Het verkeerde begrip van de strafwet in hoofde van beklaagden was ten tijde van de feiten onoverwinnelijk en vloeide voort uit een aan hen vreemde en niet toerekenbare oorzaak, namelijk het standpunt van verschillende bevoegde overheden die de niet-strafbaarheid van hun handelen aankondigden, één en ander binnen het kader van een wetgeving die het in casu gebruikte tuig onderbracht in een algemeen benoemde restcategorie, "enig ander tuig" genoemd. Zodoende kan van beklaagden niet gesteld worden dat zij niet zouden gehandeld hebben zoals elke redelijke en vooruitziende persoon in hun situatie zou gedaan hebben. 3.
- De uitspraak van het Benelux-Gerechtshof d.d. 25 juni 2008, volgens welk - in de zin van artikel 2.3 van de Beschikking d.d. 2 oktober 1996 van het comité van ministers van de Benelux economische unie m.b.t. de jacht en de vogelbescherming - een duivencarrousel te aanzien is als een niet-toegestaan lokmiddel, ook in geval van verdelging van de houtduif, is niet van aard om afbreuk te doen aan het standpunt van het Hof. Deze uitspraak dateert immers van na de feiten en op het eerste zicht lijkt ook het genoemde BVR van 30 mei 2008 niet in overeenstemming met deze uitspraak. ... PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090930.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div