← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091001.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091001.11 Rolnummer: B 907 /03 BB Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-01-07 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 20:20 Fiche Artikel 56bis/47sexies,§3,5° van het wetboek van strafvordering bepaalt, zonder daaraan een nietigheidssanctie te koppelen, dat de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de datum van de schriftelijke machtiging. Voor de berekening van de periode van observatie moet de aanvangsdatum in acht worden genomen zoals die blijkt uit de inhoud van de schriftelijke machtiging. Die aanvangsdatum kan verschillen van de datum waarop de onderzoeksrechter zijn machtiging opstelt. Uit de elementen van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat tussen de datum van de beschikking tot machtiging en de datum van aanvang van de observatie er zich gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Strafrecht - bijzondere opsporingsmethoden - observatie - duurtijd van één maand - aanvangsdatum - datum schriftelijke machtiging - verschillend - geen gewijzigde omstandigheden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 235bis Wetboek van Strafvordering - 56bis Wetboek van Strafvordering - 47sexies Nota: Een onderzoeksrechter had bevolen dat de observatie niet ingaat op datum van de machtiging, maar meerdere dagen nadien. Bij gelegenheid van de BOM controle (artikel 235ter Sv) werd door de verdediging de nietigheid van de observatie opgeworpen omdat die langer duurde dan één maand te rekenen vanaf de datum van de machtiging. Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 15 december 2009 (P09.1569.N) dat oordeelde dat het ogenblik van het opstellen van de schriftelijke machtiging enerzijds en de aanvang van de periode van de machtiging (observatie) anderzijds niet noodzakelijk dezelfde moeten zijn. De onderzoeksrechter of de procureur des Konings kan de observatie laten ingaan op een andere datum. De duur van de observatie mag evenwel één maand niet overschrijden. Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 1 oktober 2009 te Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling (...)

  1. BEOORDELING VAN HET HOF (...) 3.2 De machtiging van de onderzoeksrechter tot observatie, daterende van 16 juli 2003, bepaalt dat de observatie wordt bevolen voor de periode van één maand vanaf 15 augustus
  2. De inverdenkinggestelde B.I. ontwikkelt de stelling dat de observatie overeenkomstig de tekst van artikel 56bis/47sexies,§3,5° van het wetboek van strafvordering noodzakelijk ingaat op datum van de schriftelijke machtiging van de onderzoeksrechter, namelijk 16 juli
  3. De observatie kon derhalve niet plaats vinden tot 14 september 2003, namelijk bijna gedurende twee maanden te rekenen vanaf de schriftelijke machtiging. Derhalve is deze observatie onwettig, gezien hetzelfde artikel bepaalt dat de observatie niet langer mag worden uitgevoerd dan gedurende één maand vanaf de datum van de machtiging. Daarenboven stelt inverdenkinggestelde dat de maatregel van observatie, in strikte zin op te vatten omdat die bijzonder ingrijpend is in het privé-leven van de burgers, is gekoppeld aan de voorwaarden van subsidiariteit en proportionaliteit. De onderzoeksrechter kan niet verder dan een maand vooruitkijken om deze voorwaarden te beoordelen. 3.3 Artikel 56bis/47sexies,§3,5° van het wetboek van strafvordering bepaalt, zonder daaraan een nietigheidssanctie te koppelen, dat de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de datum van de schriftelijke machtiging. Voor de berekening van de periode van observatie moet de aanvangsdatum in acht worden genomen zoals die blijkt uit de inhoud van de schriftelijke machtiging. Die aanvangsdatum kan verschillen van de datum waarop de onderzoeksrechter zijn machtiging opstelt. De machtiging of bevel tot observatie dient te worden begrepen in zijn inhoudelijke betekenis. De beschikking is slechts het instrumentum ervan. Dat de inhoudelijke beslissing de referentie vormt blijkt tevens uit de vergelijking met de mondelinge machtiging tot observatie bij toepassing van artikel 47sexies,§5 van het wetboek van strafvordering. In deze situatie kan eveneens de datum van de inhoudelijke machtiging en die van de schriftelijke machtiging in tijd verschillen. Aanvaard wordt dat het vertrekpunt in dergelijk geval de mondelinge machtiging betreft. Voorts kan worden vergeleken met artikel 90quater,§1,lid 2, 4° van het wetboek van strafvordering. Dit wetsartikel bepaalt dat de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de beslissing waarbij de telefoontap wordt bevolen. Uit de tekst van 56bis/47sexies,§3,5° van het wetboek van strafvordering kan bijgevolg worden afgeleid dat, zoals te dezen, de inhoudelijke machtiging in tijd kan worden bepaald op een datum na die van de schriftelijke beschikking tot machtiging. 3.4 Inzake ging het om een observatie met technische hulpmiddelen, waarvan de uitvoering mogelijk afhankelijk is van de beschikbaarheid ervan. De onderzoeksrechter motiveerde dat het onderzoek deze maatregel vereiste en dat de overige middelen van onderzoek niet leken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen. De onderzoeksrechter was van oordeel dat op datum van de inhoudelijke machtiging, namelijk de aanvangsdatum van de observatie, deze voorwaarden van subsidiariteit en proportionaliteit nog aanwezig waren. Uit de elementen van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat tussen de datum van de beschikking tot machtiging en de datum van aanvang van de observatie er zich gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan. De machtiging tot observatie werd nadien door de onderzoeksrechter overigens verlengd en uitgebreid (kaft VIII). 3.5 Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat door de politiediensten de observatie conform de wettelijke voorwaarden gedurende één maand werd uitgevoerd, zulks vanaf de datum van de inhoudelijke machtiging, namelijk vanaf 15 augustus
  4. Verder werden alle observaties uitgevoerd binnen de periode en de voorwaarden van de door de onderzoeksrechter verleende machtigingen. 3.6 De observatie heeft rechtsgeldig zoals werd bevolen door de onderzoeksrechter een aanvang genomen op 15 augustus 2003 en werd vervolgens binnen de wettelijke periode van één maand uitgevoerd. De omstandigheid dat de beschikking tot machtiging dateert van vóór de opgedragen aanvangsdatum heeft inverdenkinggestelde niet in zijn rechten geschonden. De bewijzen voortspruitende uit deze bijzondere opsporingsmethode zijn rechtsgeldig bekomen. Er dringt zich op grond van artikel 235bis van het wetboek van strafvordering geen maatregel op van verwijdering van stukken uit het strafdossier. 3.7 Tot besluit kan worden gesteld dat geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091001.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.