← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091014.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091014.11 Rolnummer: 619 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-18 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 20:25 Fiche

  1. Het optreden van de politierechter bij het verlenen van dergelijke machtiging is, wat de aard ervan betreft, verschillend van dit van de onderzoeksrechter bij het uitschrijven van een bevel tot huiszoeking, nu de politierechter een passievere rol heeft en de machtiging enkel kan weigeren op gegronde vermoedens dat de aanvraag van de administratie hem zonder genoegzame redenen daartoe wordt voorgelegd. Zulks neemt evenwel niet weg dat, zoals te dezen, een aan de huisvisitatie voorafgaande rechterlijke toetsing is geschied, die voldoende waarborgen inhoudt tegen eventuele bevoegdheidsmisbruiken door de betrokken ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen en voldoet aan de door artikel 8 van het EVRM beoogde principiële waarborgen.
  2. Hetzelfde feit kan tegelijkertijd een gemeenrechtelijke en een fiscale valsheid uitmaken waarbij er, zoals te dezen, eendaadse samenloop kan ontstaan tussen de gemeenrechtelijke valsheid ( in casu feit A van zaak I ), de fiscale valsheid ( in casu feit B van zaak I - inbreuk op artikel 73 bis van het BTW-wetboek) en de specifieke valsheid voorzien bij artikel 259 van de AWDA - gepleegd met het opzet de douane te bedriegen - ( in casu feit 2 van zaak II ) en toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In geschriften Vrije woorden:
  3. strafprocesrecht - douane en accijnzen - huisvisitatie - toetsing door de politierechter - omvang - geen schending van artikel 8 EVRM
  4. strafrecht - fiscale valsheid - gemeenrechtelijke valsheid - eendaadse samenloop Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: De voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest van 27 april 2010 P.09.1628.N Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 14 oktober 2009 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) Betreffende de huisvisitaties en de in dit verband voorgestelde prejudiciële vraagstelling. Beklaagde verzoekt het Hof om, alvorens ten gronde te oordelen, drie prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, zoals geformuleerd op pp. 3, 4, 11 en 12 van zijn beroepsconclusie. De voorgestelde vragen hebben betrekking op de artikelen 197 en 198, § 3 van de AWDA. Artikel 197 van de AWDA bepaalt : " Met uitzondering van de tolkring en der gevallen, voorzien bij artikel 174, zullen er geen visitaties in de huizen, erven en panden van particulieren mogen plaats hebben, dan alleen tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds, en met machtiging van de rechter in de politierechtbank van het kanton waarin het te doorzoeken pand of erf gelegen is; die magistraat zal zelf medegaan of zijn griffier, of een ander overheidsambtenaar belasten om de ambtenaar bij de visitatie te vergezellen". Artikel 198, § 3 van de AWDA bepaalt : " In die gevallen dat de machtiging van de rechter in de politierechtbank wordt vereist, zal de schriftelijke aanvraag door een ambtenaar met tenminste de graad van controleur moeten gedaan worden, doch daarentegen door de rechter in de politierechtbank niet worden geweigerd, tenzij op gegronde vermoedens dat zij zonder genoegzame redenen mocht worden gevorderd". Uit de vermeldingen van de te dezen verleende machtigingen tot huisvisitatie ( cfr. de bijlagen sub 1, 7 , 8 en 12 bij voormeld PV van de ADA - zaak II ) blijkt dat ze beantwoorden aan alle ter zake gestelde wettelijke vereisten. De wettelijke mogelijkheden tot huisvisitatie inzake douane zijn, overeenkomstig artikel 197 van de AWDA, ook van toepassing met betrekking tot accijnzen. De voormelde vormvoorschriften, die de onschendbaarheid van de woonst beschermen, gelden overigens alleen voor de gebouwen of erven van " particulieren", met andere woorden de bewoonde ruimten ten aanzien waarvan de gebruikers hun recht op eerbiediging van het privé-leven kunnen doen gelden. De omstandigheid dat de kwestieuze machtigingen niet voorzien in een specifieke opdrachtomschrijving aan de ambtenaren aan welke zij worden verstrekt, is te dezen irrelevant gelet op de specifieke finaliteit van dergelijke machtigingen tot huisvisitatie die, omwille van hun geheel eigen aard, enkel en alleen de toepassing van de douane-en accijnswetgeving kunnen beogen, en op het gegeven dat, gelet op hun specifieke eigen opsporings- en vervolgingsbevoegdheid, de zoekingen en opsporingen waartoe de ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen worden gemachtigd, uit kracht van de wet zelf, enkel kunnen geschieden binnen de perken van hun eigen, beperkte wettelijke bevoegdheden. Het optreden van de politierechter bij het verlenen van dergelijke machtiging is, wat de aard ervan betreft, verschillend van dit van de onderzoeksrechter bij het uitschrijven van een bevel tot huiszoeking, nu de politierechter een passievere rol heeft en de machtiging enkel kan weigeren op gegronde vermoedens dat de aanvraag van de administratie hem zonder genoegzame redenen daartoe wordt voorgelegd. Zulks neemt evenwel niet weg dat, zoals te dezen, een aan de huisvisitatie voorafgaande rechterlijke toetsing is geschied, die voldoende waarborgen inhoudt tegen eventuele bevoegdheidsmisbruiken door de betrokken ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen en voldoet aan de door artikel 8 van het EVRM beoogde principiële waarborgen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde reeds in meerdere arresten ( onder meer, nummer 16/2001 de dato 14 februari 2001 en nummer 60/2002 de dato 28 maart 2002) dat de visitatiebepalingen van de douanewetgeving weliswaar afwijken van de gemeenrechtelijke regeling met betrekking tot de huiszoeking, doch dat dergelijke afwijking verantwoord is om redenen eigen aan de douanemisdrijven, waarvan de vaststelling vaak wordt bemoeilijkt door de mobiliteit van de goederen waarop douane- en/of accijnsrechten verschuldigd zijn. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het verschil in behandeling ten aanzien van gemeenrechtelijke misdrijven berust op een objectief criterium, dat in verband staat met het nagestreefde doel, te weten een efficiënte fraudebestrijding, en dat de uitoefening van de visitatiebevoegdheid door de ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen, met voldoende waarborgen ter voorkoming van misbruik is omringd. Om alle voormelde redenen is er te dezen dan ook geen grond tot het stellen van de door beklaagde opgeworpen prejudiciële vragen. Ook de overige desbetreffend door beklaagde in beroepsconclusie aangevoerde argumenten, onder meer verwijzend naar het arrest van het Grondwettelijk Hof de dato 3 december 2008 ( nummer 171/2008) met betrekking tot artikel 4, § 1, 1° van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, doen geen afbreuk aan voormelde, op de hierboven weergegeven gronden gestoelde, besluitvorming. Beklaagde heeft voor de feitenrechter tegenspraak kunnen voeren, onder meer, omtrent de regelmatigheid van de uitgevoerde huisvisitaties. De voorwaarden van een eerlijk proces zijn in casu vervuld voor het geheel van de gevoerde rechtspleging en de waarborgen, vervat in artikel 6, § 1 van het EVRM, werden te dezen niet miskend. Betreffende het " lex specialis - beginsel". Uit de gegevens van het onderzoek blijkt dat de kwestieuze valse facturen werden opgesteld en in de boekhouding van de BVBA W. W. T. S. werden opgenomen, onder meer, teneinde de balans van de aankopen in evenwicht te brengen met deze van de verkopen, nu er geen rechtmatige aankoop onder verbruiksregime van de betrokken accijnsgoederen is geschied, dit wil zeggen met betaling van zowel de verschuldigde accijnzen als van de verschuldigde BTW. Aldus werd tevens de werkelijke herkomst van de gefactureerde goederen bewimpeld en konden de normale concurrentieverhoudingen in de betrokken sector worden verstoord middels een lagere prijszetting. Beklaagde voert aan dat, zo bewezen, de hem in zaak I sub A en B ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken - gemeenrechtelijke valsheid (feit A ), respectievelijk fiscale valsheid inzake BTW ( feit B ) - en de hem in zaak II sub 2 ten laste gelegde feiten ( inbreuk op artikel 259 van de AWDA - douanevalsheid) , dezelfde feiten betreffen en hetzelfde voorwerp hebben, en dat, op grond van het algemeen rechtsbeginsel " lex specialis derogat lex generalis" , de hem ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in de door het Openbaar Ministerie ingestelde strafvordering ( zaak I - feiten A en B ) dienen heromschreven te worden als het misdrijf uitmakend dat wordt strafbaar gesteld bij artikel 259 AWDA, en zich te dezen identificeert met de door de administratie der douane en accijnzen in zaak II sub 2 vervolgde feiten. Het Hof kan deze stelling niet bijtreden. Hetzelfde feit kan tegelijkertijd een gemeenrechtelijke en een fiscale valsheid uitmaken waarbij er, zoals te dezen, eendaadse samenloop kan ontstaan tussen de gemeenrechtelijke valsheid ( in casu feit A van zaak I ), de fiscale valsheid ( in casu feit B van zaak I - inbreuk op artikel 73 bis van het BTW-wetboek) en de specifieke valsheid voorzien bij artikel 259 van de AWDA - gepleegd met het opzet de douane te bedriegen - ( in casu feit 2 van zaak II ) en toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek. Uit de feitelijke gegevens van het gevoerde onderzoek staat vast dat beklaagde, wat de hem ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften en/of gebruik van valse stukken betreft, niet enkel een fiscaal doel had, zowel wat de ontduiking van BTW als wat de ontduiking van accijnzen op minerale oliën betreft, doch tevens tezelfdertijd handelde met een ander bedrieglijk opzet, namelijk met de bedoeling zichzelf en/of derden wederrechtelijk te verrijken en zijn concurrentiepositie en/of deze van zijn vennootschap, in de betrokken sector te handhaven of te verstevigen. Verder kunnen, in tegenstelling tot hetgeen beklaagde voorhoudt, bij fraude met petroleumproducten, het opzet om BTW te ontduiken en een gemeenrechtelijk opzet, wel degelijk en zoals te dezen, gelijktijdig en in dezelfde determinerende mate, een doel op zich vormen en maken zij niet ipso facto een noodzakelijk gevolg uit van het opzet om accijnsrechten te ontduiken. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091014.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.