← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091020.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091020.12 Rolnummer: 1194 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-30 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 20:27 Fiche Luidens artikel 4 van het Wegverkeersreglement moeten de weggebruikers onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen. De politie-inspecteur is een bevoegde persoon (artikel 3, 1° Wegverkeersreglement). Een aanval, hoe licht ook, tegen een agent van administratieve of gerechtelijke politie, die handelde in uitvoering van de wetten is een vorm van weerspannigheid. Beklaagde diende het door de bevoegde politie-inspecteur uitgeoefende ambt te respecteren en vermocht niet om, bij een interpellatie door de politie-inspecteur van een verdachte (die een inbreuk pleegde op het Wegverkeersreglement), de agent bij de arm te nemen en de arm weg te trekken. Evenmin vermocht hij om een politie-inspecteur weg te duwen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door privé-personen - Weerspannigheid Vrije woorden: Strafrecht - weerspannigheid - agent van politie - elke aanval - respecteren van politieoptreden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 269 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 272 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: De voorziening in cassatie tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 9 maart 2010 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 oktober 2009 te Antwerpen, Tiende kamer (...)

  1. Het past de omschrijving van tenlastelegging B te wijzigen als volgt : " B. DE TWEEDE (B. H. M.), te Antwerpen, op 16 april 2005, In de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van diens bediening, D. S. S., een agent die drager is van het openbaar gezag, slagen toegebracht te hebben, deze slagen bloedstorting, verwonding of ziekte veroorzaakt hebbende, meer bepaald een schram op het rechterjukbeen (artikelen 280 en 281 van het Strafwetboek) " . Tweede beklaagde werd van deze heromschrijving in kennis gesteld ter terechtzitting van dit Hof d.d. 29 april 2009 en kon zijn verdediging terzake voeren. Deze heromschrijving wijzigt de vervolgde feiten niet.
  2. Door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het Hof voorliggen, en na hernieuwd onderzoek door dit Hof gedaan, is de schuld van beklaagde B. H. Y. aan de feiten van de tenlasteleggingen A.III (zonder de verzwarende omstandigheid dat de feiten gepleegd werden ten gevolge van een voorafgaande afspraak en dat zij dragers van wapens waren) en A.IV (zonder de verzwarende omstandigheid dat de feiten gepleegd werden ten gevolge van een voorafgaande afspraak en dat zij dragers van wapens waren), C.III en C.IV, bewezen gebleven. Door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het Hof voorliggen, en na hernieuwd onderzoek door dit Hof gedaan, is de schuld van beklaagde B. H. M. aan de feiten van de tenlasteleggingen A.I (zonder de verzwarende omstandigheid dat de feiten gepleegd werden ten gevolge van een voorafgaande afspraak en dat zij dragers van wapens waren), B, zoals heromschreven, en C.I, bewezen gebleven.
  3. Uit de onderscheiden elementen van het dossier, en het onderzoek ter terechtzitting, leidt het Hof af dat, nadat een verkeersongeval gebeurd was, waarna twee politie-inspecteurs ter plaatse kwamen om het verkeer te regelen (st. 23), de genaamde A. S. op de rijbaan kwam, een lijnbus hinderde en aangemaand werd door een politie-inspecteur om terug te keren naar het voetpad. De genaamde A. S. weigerde zulks. Deze versie der feiten wordt bevestigd door het verslag van de politie (st. 23) en door getuigen (st. 76, 71, 87, 92). Luidens artikel 4 van het Wegverkeersreglement moeten de weggebruikers onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen. De politie-inspecteur is een bevoegde persoon (artikel 3, 1° Wegverkeersreglement). Dame A. S. is aan te merken als een weggebruiker, nu ze immers een persoon is die gebruik maakt van de openbare weg (artikel 2.45 Wegverkeersreglement). Dame A. S. gaf niet onmiddellijk gevolg aan een gegeven bevel van een bevoegde persoon, waarna getracht werd door de politie-inspecteur, door zijn rechterarm achter de rug van de dame te houden, deze dame naar het voetpad te begeleiden, doch zonder gevolg. De dame verzette zich waarna de politie-inspecteur de dame bij haar linkerbovenarm vast nam om haar van de rijbaan te verwijderen. Diverse getuigen bevestigen dat de dame sloeg naar de agent (st. 63, 76, 92), of zich verweerde (st. 87). Beklaagde B. H. Y. verklaarde : " Op een bepaald moment zag ik dat er een agent een dame van allochtone origine vasthad. Ik ken ze niet persoonlijk, doch enkel van ziens. Ik ben dan tussenbeide gekomen. Ik heb de agent in kwestie vastgenomen bij de arm, en die weggetrokken. Ik zag ook dat de agent enkele slagen had gekregen van die dame. Mijn intentie was om die uit mekaar te halen. Ik geen intentie om de zaak te doen escaleren." . In het verslag van de politie is beschreven dat terwijl de politie-inspecteur dame A. S. tracht te kalmeren enkele allochtone jongeren rondom hem komen staan, en één ervan grijpt de politie-inspecteur stevig bij de arm en roept dat mannen geen vrouwen mogen aanraken (st. 22). De interventie van beklaagde B. H. Y. wordt ook bevestigd door getuigen (st. 76-75, 69). Het gedrag van dame A. doet niets af aan de intentie van beklaagde B. H. Y.. Het is onjuist dat beklaagde B. H. Y. enkel zijn hulp wilde aanbieden. Beklaagde B. H.Y. is toerekeningsvatbaar, zelfs als hij zwakbegaafd is. Het is onjuist voor te houden dat beklaagde B. H. Y. is verder gegaan naar zijn zus, nu hij immers, kort nadat hij tussen kwam in de interventie van inspecteur V. tegenover dame A., door zijn broer B. H. M. opgemerkt werd aan een bank en bijgevolg steeds in de nabije omgeving is gebleven van het tumult, waaraan hij in den beginne zelf erg actief deelnam. Verder in het proces-verbaal is vermeld dat inspecteur R. haar collega V. ter hulp komt en tracht de jongeren af te houden. Omdat de jongeren met teveel zijn, lukt dat niet. Inspecteur R. bemerkt dat beklaagde B. H. Y. een aanval wil inzetten op inspecteur V.. Inspecteur R. werpt zich voor beklaagde B. H. Y. en wordt bruut door hem weggeduwd (st. 22). Deze feiten maken in hoofde van beklaagde B. H. Y. een vorm van weerspannigheid uit. Het betreft een aanval, hoe licht ook, tegen een agent van administratieve of gerechtelijke politie, die handelde in uitvoering van de wetten. Beklaagde B. H. Y. diende het door de bevoegde politie-inspecteur uitgeoefende ambt te respecteren en vermocht niet om, bij een interpellatie door de politie-inspecteur van een verdachte (die een inbreuk pleegde op het Wegverkeersreglement), de agent bij de arm te nemen en de arm weg te trekken. Evenmin vermocht hij om een politie-inspecteur weg te duwen. Het blijkt dat beklaagde B. H. Y. zich hierna ietwat verwijderde van het ontstane tumult. Nadien werd hij terug bemerkt en alsdan zonder verzet van zijn kant opgeleid. In hoofde van beklaagde B. H. Y. komt enkel bewezen voor dat deze daad van weerspannigheid gepleegd werd door verscheidene personen, nu blijkt dat de politie-inspecteur meteen na zijn interpellatie van dame A. omringd werd door verschillende jongeren, hetgeen ook te kaderen is in de aanval op de normale uitoefening van zijn ambt door de interpellerende politie-inspecteur. Er zijn geen elementen voorhanden die aantonen dat dit gebeurde met voorbedachtheid. Evenmin was beklaagde B. H. Y. drager van een wapen. Verder komt het feit van tenlastelegging A.III en IV opzichtens B. H. Y. enkel bewezen voor ten aanzien van inspecteur V. en R.. Er blijkt niet dat beklaagde B. H. Y. beoogde weerspannigheid te plegen tegen de overige in de tenlastelegging vermelde politie-inspecteurs. Het proces-verbaal vermeldt dat de linkermouw van inspecteur V. beschadigd (st. 22 onderaan) werd. Waar beklaagde B.H. Y. de wetenschap haalt dat de mouw gescheurd werd is voor het Hof niet duidelijk (p. 10 conclusie). Uit de vaststellingen van de politie kan opgemaakt worden dat beklaagde B. H. Y. niet de gehele tijd de voor hem typerende pet droeg (st. 21).
  4. Op het moment dat beklaagde B. H. M. zich op de plaats der feiten aanbood, was het tumult al volop gaande en in evolutie, inclusief het werpen van voorwerpen naar de politie. Dit blijkt uit diverse getuigenverklaringen (st. 75 (eerste deel), 63, 76, 78), het verslag van de politie en de eigen verklaring van beklaagde B. H. M. (st. 9). Uit de eigen verklaring van beklaagde B. H. M. is af te leiden dat hij bij het ter plaatse komen bemerkte dat zijn broer B. H. Y. aan een bank stond, en enige ogenblikken later opgepakt werd door de politie (st. 9). Beklaagde B. H. M. verklaarde dat hij dan naar zijn broer gegaan is, maar tegengehouden werd door één van de agenten. Deze nam hem bij de arm en zei dat hij niet mocht doorlopen. B. H. M. wilde zijn arm losrukken, maar dat werd verhinderd door de agent. B. H. M. verklaarde dat hij zich dan kwaad gemaakt heeft, en met luide stem gesproken, maar dat hij niet geslagen heeft. Zijn oogschaalprothese heeft één en ander niet belet. In het verslag van de politie is vermeld dat beklaagde B. H. M. erg agressief optrad tegen de arrestatie van zijn broer, hij agenten aanviel en dat hij beledigingen riep in de Nederlandse en een vreemde taal en ook agenten tegen de borst sloeg. Verder sloeg hij met de rugzijde van zijn hand politie-inspecteur D. S. in het gezicht (st. 26-25). Het proces-verbaal (st. 25-26) preciseert niet welke politie-inspecteurs precies werden aangevallen of beledigd, afgezien van politie-inspecteur D. S. zelf. Het komt bewezen voor dat beklaagde B. H. M. zich schuldig maakte aan weerspannigheid nu hij een politie-inspecteur sloeg die hem wilde tegenhouden tussen te komen in de arrestatie van zijn broer. Er zijn geen elementen voor handen die bewijzen dat dit gebeurde met voorbedachtheid. Beklaagde B. H. M. droeg evenmin een wapen. De feiten van weerspannigheid gebeurden wel door verscheidene personen, nu het een groepsgebeuren betrof. De feiten komen enkel bewezen voor ten opzichte van inspecteur D. S.. De opgestelde processen-verbaal laten niet toe adequaat verdere benadeelden te identificeren met betrekking tot de door beklaagde B. H. M. gepleegde feiten van tenlastelegging A.
  5. De feiten van tenlastelegging B, zoals heromschreven, komen bewezen voor, gelet op de vaststellingen in stuk 25 en
  6. Het feit dat van de door B. H. M. aan politie-inspecteur D. S. gegeven slag geen melding wordt gemaakt door anderen dan door de betrokken politie-inspecteur, doet geen afbreuk aan het geloof dat het hof hecht aan diens verklaring.
  7. Het gegeven dat beklaagde B. H. Y. aan politie-inspecteur V. zegde niet toe te staan dat deze een vrouw interpelleerde is een morele aantasting van het openbaar gezag en bijgevolg smadend. Die uitspraak van beklaagde B. H. Y. doet afbreuk aan de eerbied verschuldigd aan een lid van de politie. Ten opzichte van politie-inspecteur V. is het feit van smaad door beklaagde B. H. Y. bewezen. Het wegduwen van een politie-inspecteur die optreedt bij een interventie is evenzeer smadend. Het getuigt van een gebrek aan eerbied voor een politiefunctionaris. Ten opzichte van politie-inspecteur R. is het feit van smaad door beklaagde B. H. Y. bewezen. Voor het overige, bij gebrek aan afdoende precieze elementen, niet. Het proces-verbaal dat in het dossier voorkomt onder de stukken 22 en 23 is opgesteld door de inspecteurs V. en R.. Beiden doen de vaststellingen tenzij uit het proces-verbaal anders blijkt. 8.I n het verslag van de politie is vermeld dat de politie-inspecteurs L., V. D. B., D. W. en L. op continue wijze worden toegeroepen dat zij varkens zijn (st. 19). Inspecteur D. S. vermeldt dat beklaagde B. H. M. tal van smadelijke beledigingen roept in het Nederlands en in een vreemde taal. Een verhoorde getuige verklaarde gehoord te hebben dat de menigte de politieagent aan het uitschelden was (st. 4). Dit blijkt ook uit de getuigenverklaring van stuk
  8. Beklaagde B. H. M. verklaarde dat hij zich kwaad maakte. De in dit randnummer vermelde elementen maken duidelijk dat beklaagde B. H. M. wel degelijk zich smadend heeft uitgelaten ten opzichte van politie-inspecteur D. S.. Of hij zulks ook deed tegenover andere in de tenlastelegging vermelde politiefunctionarissen kan, bij gebrek aan precisering in de processen-verbaal, niet bewezen worden verklaard. Een verwijzing naar "collega's", zonder identificatie van die collega's kan in voorliggend geval niet leiden tot een bewezenverklaring. Het is niet nodig te weten welke exact de smadende bewoordingen waren die beklaagde B. H. M. in zijn kwaadheid heeft toegeroepen aan de politiefunctionaris. Op voldoende wijze is de teneur bekend van de uitgesproken gewraakte bewoordingen op basis van de voorgaande in dit randnummer vermelde elementen, en dito sfeer die ter plaatse heerste, welk laatste onder meer beschreven werd in stuk
  9. De in de voorliggende zaak opgestelde processen-verbaal genieten geen bijzondere bewijswaarde. Deze processen-verbaal hebben de waarde van een inlichting. Het Hof apprecieert soeverein hun waarde. Voor de beoordeling van de feiten en tenlasteleggingen houdt het Hof rekening met alle elementen die opgeleverd werden door het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De originele verklaringen in de stukken 118 tot 144 en 161 tot 186 schuift het Hof evenwel terzijde, en houdt er geen rekening mee, nu deze stukken op een uniforme wijze opgesteld werden, en kennelijk beïnvloed werden door beklaagde B. H. M., die voorafgaand aan het verhoor door de politie van sommige getuigen, deze getuigen al in het bezit stelde van een uitgetypte verklaring dienstig voor het nog af te leggen verhoor (st. 109). Het Hof houdt rekening met het gegeven dat bepaalde inlichtingen waarop het Hof zijn oordeel steunt aangereikt zijn door een burgerlijke partij. De verwijzing naar het arrest van 13 november 2003 en het vonnis van 28 september 2005 (p. 5 conclusie beklaagden) is niet pertinent, nu immers deze uitspraken niet in hun geheel ter kennis werden gebracht van het Hof, het Hof evenmin het dossier dat erop betrekking heeft kent, en in het algemeen het Hof niet gebonden is door een jurisprudentieel precedent. Het Hof kan de waarde van die uitspraken niet appreciëren. Voor de feiten van de tenlastelegging B steunt het Hof op de verklaring van politie-inspecteur D. S. . Voor de feiten van tenlastelegging A.III-IV, C.I-III-IV op bevindingen/vaststellingen van de politie, getuigenverklaringen en medische attesten, voor de feiten van de tenlastelegging A.I op bevindingen van politie en getuigenverklaringen. De regels van de tegenspraak werden gerespecteerd. De in randnummer 42 aangehaalde passage in de conclusies van beklaagden is niet pertinent voor de beoordeling van de schuld van beklaagden aan de hen ten laste gelegde feiten. Beklaagden voeren niet aan wat precies met hetgeen in randnummer 42 wordt vermeld te hunnen ontlaste is. De verklaring van dame T. wordt verrekend in de straftoemeting. De buschauffeur K. beschrijft enkel dat in de aanvangsfase bepaalde jongeren een nuttige hulp boden ten aanzien van dame A.. Dit is niet zo nadat dame A. terug naar de inspecteur liep en hem sloeg ... . Dat de buschauffeur nergens iets verklaarde over een jongeman met een beige pet, kan geen afbreuk doen aan de voorgaande overwegingen. Het kan niet uitgesloten worden dat de anonieme getuige (st. 76) met de "man van Turkse origine van 30 à 40 jaar oud" toch beklaagde B. H.Y. bedoelde, maar dat element werd niet verder onderzocht. De geciteerde verklaring van S H. (randnummer 46 conclusie beklaagden) doet niets af aan de voorgaande overwegingen en het oordeel van het Hof. De geciteerde verklaring van M. E. (randnummer 47 conclusie beklaagden) geeft aan dat deze getuige een te beperkt zicht heeft gehad op het geheel der feiten om het oordeel van het Hof te kunnen beïnvloeden. De getuige B. spreekt wel van getrek en geduw tussen de twee eerste vaststellers en de hen omringende jongeren. De getuige V. R. spreekt wel van schelden door de jongeren. Ook getuige V. D. R. spreekt over een menigte die de politie omringt. Deze drie getuigen verwijzen weliswaar niet nominatim naar beklaagden. De verklaring van getuige B. is strijdig met de verklaring van beklaagde B. H. Y. zelf, waar deze laatste immers erkent de politie-inspecteur bij de arm genomen te hebben. Getuige E. bevestigt dat de politie twee jongeren uit de groep haalde en meenam en dat dat gebeurde onder licht protest en zonder grote moeilijkheden. Uit de verklaring van getuige A. M. (st. 93) blijkt dat hij niets zag van de feiten die ten laste worden gelegd van beklaagde B. H. Y.. Zijn verklaring is niet belastend voor beklaagde B. H. M. . Omtrent de afloop van een onderzoek door het Comité P is het Hof niets bekend.
  10. De overige door beklaagden aangevoerde middelen en argumenten zijn niet pertinent en dienen niet beantwoord te worden. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091020.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.