← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.6 Rolnummer: 103P2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-07-02 20:27 Fiche De feiten van opzetheling, waarvoor beklaagde in NEDERLAND bij het voormelde vonnis werd veroordeeld, zijn ten aanzien van de feiten vervolgd onder de tenlasteleggingen E.4 en F.3a en F.3b aan te merken als dezelfde feiten, in de zin van artikel 54 SUO. Het handelt om het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met mekaar verbonden zijn, precies omdat het handelt om verrichtingen met dezelfde omgewisselde (drug)gelden en in dezelfde tijdsperiode, en deze feiten perfect in de typologie van de witwasser thuis horen, welke laatste de band tussen het uit een basismisdrijf verworven geld en de uiteindelijke bestemming van dat geld tracht door te knippen door dit te verbergen of te verdoezelen, bijvoorbeeld door het om te zetten in andere valuta. Deze handelingen zijn, precies gelet op de doelstelling van een witwasser, innig en onlosmakelijk met mekaar verbonden, hoewel op te merken is dat de veroordeling in NEDERLAND betrekking had op feiten in NEDERLAND. De feiten van witwassen van de tenlastelegging G.3 zijn ten aanzien van de feiten vervolgd in NEDERLAND in de periode van mei 1995 tot februari 1996 onder de tenlastelegging B 'medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod' evenwel niet aan te merken als dezelfde feiten in de zin van artikel 54 SUO. Witwassen van gelden, zelfs voortkomende uit drughandel, valt alhier te onderscheiden van het (mede) stellen van daden van inbreuken op artikel 3 van de Opiumwet. Voor de in de tenlastelegging G.3 vermelde gelden is in NEDERLAND geen veroordeling gevolgd voor opzetheling. Verhandelen van verdovende middelen, of het medeplegen ervan, in NEDERLAND is een ander feit dan het witwassen van druggelden. Er is op dit punt geen gelijkheid van materiële feiten. Evenmin kan aanvaard worden dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen de feiten van opzetheling die de Middelburgse Politierechter bewezen verklaarde, en de feiten beoogd in tenlastelegging G.3. Het betreft onderscheiden feiten, en de eenheid van opzet, zoals bedoeld in artikel 65 lid 2 van het Strafwetboek kan enkel doorgevoerd worden met een Belgische definitieve beslissing. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen Vrije woorden: Strafrecht - ne bis in idem - begrip 'dezelfde feiten' - opzetheling (Nederland) - witwassen - drugsdelicten - onlosmakelijke band - geen gelijkheid van feiten - eenheid van opzet Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - SUO 54 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: - Bij tussenarrest van 29 september 2009 (P.05.0583.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4) heeft het Hof van Cassatie twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie betreffende de relevantie van het begrip 'eenheid van opzet' voor het begrip 'dezelfde feiten'en met betrekking tot de mogelijkheid bijkomend te kunnen straffen; - Bij arrest van 18 juli 2007 (C-367/05) heeft het Hof van Justitie de eerste vraag beantwoord; - Bij arrest van 27 november 2007 heeft het Hof van Cassatie het bestreden arrest deels vernietigd; - Tegen huidig arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen werd geen cassatieberoep ingesteld. Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 21 oktober 2009 te Antwerpen, Tiende kamer (...) BESTREDEN BESLISSINGEN EN VOORGAANDEN : Het vonnis, met notitienummer GE 75.96.369-96 en griffienummer 2001/1535, op tegenspraak ten aanzien van beklaagde N. K. uitgesproken door de negentiende kamer (3 rechters) van de Rechtbank van Eerste Aanleg, zitting houdende te Gent d.d. 20 april 2001, rechtsprekend in correctionele zaken, had onder meer als volgt beslist : OP STRAFRECHTELIJK GEBIED De lastens de beklaagde N. K. ten laste gelegde feiten E.4, F.3.a en G.3 worden heromschreven als volgt : E.4 Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder hun bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als daders of mededaders zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek. Bij inbreuk op art. 505 lid 1, 2° Sw (oud) thans strafbaar gesteld bij art. 505 lid 1, 2° Sw, zaken bedoeld in art. 42.3° Sw te hebben gekocht, in ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen, ofschoon hij de oorsprong ervan kende of moest kennen, nl, een niet nader te bepalen bedrag tussen 2.939.165 BEF en 3.918.887 BEF te 9000 Gent, bij het wisselkantoor NV TOP CHANGE, op 23.12.1994, F.3.a Bij inbreuk op art. 505 lid 1, 2° Sw (oud) thans strafbaar gesteld bij art. 505 lid 1, 2° Sw, zaken bedoeld in art. 42.3° Sw te hebben gekocht, in ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen, ofschoon hij de oorsprong ervan kende of moest kennen, nl. een niet nader te bepalen bedrag tussen 24.226.906 BEF en 32.302.542 BEF te 9000 Gent, bij het wisselkantoor NV DE MAERTELAERE, op meerdere data tussen 2 november 1994 en 28 december 1994 G.3 Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder hun bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek. Bij inbreuk op art. 505 lid 1, 2°, 3°, 4° ; lid 2, lid 3 en lid 5 Sw, zaken bedoeld in art. 42.3° Sw - te hebben gekocht, in ruil of om niet te hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer te hebben genomen, ofschoon zij de oorsprong ervan kennen of moesten kennen; - omgezet of overgedragen te hebben met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf, waaruit deze zaken voorkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden; - de aard, oorsprong, vindplaats vervreemding-verplaatsing of eigendom van de in artikel 42.3° Sw, bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen; nl. een niet nader te bepalen bedrag tussen 31.086.768 BEF en 41.449.024 BEF te 9000 Gent, bij het wisselkantoor NV TOP CHANGE, op meerdere data tussen 20 mei 1995 en 13 februari 1996; Veroordeelt de vijfde beklaagde, N. K., voor de hierboven omschreven, heromschreven en bewezen verklaarde betichtingen E4, F3(a-

  1. b)en G3, samen, (...) Tegen voormeld vonnis werd onder meer hoger beroep ingesteld : Het arrest, met notitienummer GE 75.96.369-96, parketnummer 678/01 en arrestnummer 95196, op tegenspraak ten aanzien van beklaagde N. K. uitgesproken door de Zesde Kamer van het Hof van beroep te Gent, rechtdoende in correctionele zaken, had onder meer als volgt beslist : (...) Bevestigt de bestreden vonnissen dd. 20/4/2001 en 15/2/2002 in de mate dat : (...) Hervormt het bestreden vonnis van 20/4/2001 als volgt : (...) Tegen voormeld arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15 maart 2005 werd onder meer beroep in cassatie ingesteld door beklaagde K. N. . Het Hof van Cassatie, bij arrest d.d. 27 november 2007 - P.05.0583.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4, besliste als volgt : Vernietigt het bestreden arrest van 15 maart 2005 in zoverre de eiseres N. K. wordt veroordeeld. (...) Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF : (...) BEOORDELING DOOR HET HOF : (...) 6. Beklaagde werd in NEDERLAND door definitief vonnis van de Politierechter van de Arrondissementsrechtbank te MIDDELBURG op 11 december 1998 veroordeeld voor : - A. medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd van 1 oktober 1994 tot en met 1 mei 1995, te Terneuzen - B. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod, van 1 oktober 1994 tot en met 10 februari 1997, te Terneuzen tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van TWEE jaren. De feiten van opzetheling, zoals omschreven in NEDERLAND, hebben betrekking op feiten van witwassen. De feiten van opzetheling, waarvoor beklaagde in NEDERLAND veroordeeld werd, zijn beperkter in tijd dan de vervolgingen in het Rijk voor witwassen. (...) 7. Uit de stukken van het dossier, en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat beklaagde gelden die door haar in NEDERLAND in het kader van het stellen van omwisselverrichtingen van gelden uit vreemde valuta verworven werden (een eerste witwashandeling), vervolgens terug omwisselde in het Rijk (een tweede witwashandeling). Beklaagde erkende geweten te hebben, dan wel te hebben kunnen vermoeden, omdat "het er gewoon bijhoorde" (sic) (KAFT 3/7, stuk 27-28), dat deze gelden afkomstig waren uit het drugmilieu. De in het Rijk gestelde witwasverrichtingen werden gesteld met de eerder verworven gelden, waaromtrent eerder gestelde feiten van opzetheling gepleegd werden, die reeds beoordeeld werden in het vonnis van de Politierechter van het Arrondissementsparket te MIDDELBURG. Artikel 54 van de Schengen uitvoeringsovereenkomst (19 juni 1990, verder : SUO) bepaalt dat een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Overeenkomstsluitende Partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden. Het vonnis van de Politierechter van de Arrondissementsrechtbank te MIDDELBURG voldoet aan die voorwaarden, nu het onherroepelijk is. De straf is als ondergaan aan te merken, dan wel kan ze niet meer ten uitvoer gelegd worden. De feiten van opzetheling, waarvoor beklaagde in NEDERLAND bij het voormelde vonnis werd veroordeeld, zijn ten aanzien van de feiten vervolgd onder de tenlasteleggingen E.4 en F.3a en F.3b aan te merken als dezelfde feiten, in de zin van artikel 54 SUO. Het handelt om het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met mekaar verbonden zijn, precies omdat het handelt om verrichtingen met dezelfde omgewisselde (drug)gelden en in dezelfde tijdsperiode, en deze feiten perfect in de typologie van de witwasser thuis horen, welke laatste de band tussen het uit een basismisdrijf verworven geld en de uiteindelijke bestemming van dat geld tracht door te knippen door dit te verbergen of te verdoezelen, bijvoorbeeld door het om te zetten in andere valuta. Deze handelingen zijn, precies gelet op de doelstelling van een witwasser, innig en onlosmakelijk met mekaar verbonden, hoewel op te merken is dat de veroordeling in NEDERLAND betrekking had op feiten in NEDERLAND. 8. Door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het Hof voorliggen, en na hernieuwd onderzoek door dit Hof gedaan, blijkt dat de strafvordering voor de vervolging van de feiten der tenlasteleggingen E.4, F.3.a en F.3.b niet ontvankelijk is, gelet op artikel 54 SUO. 9. De omschrijving van de tenlastelegging G.3 is te actualiseren als volgt (...) ingevolge de wet van 10 mei 2007, (...) 10. Artikel 3 van de Opiumwet (NL) bepaalt : " Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens art. 3a, 5e lid : A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen." Uit het afschrift van het Nederlandse strafdossier blijkt dat beklaagde in 1996 softdrugs verkocht. De feiten van witwassen van de tenlastelegging G.3 zijn ten aanzien van de feiten vervolgd in NEDERLAND in de periode van mei 1995 tot februari 1996 onder de tenlastelegging B "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod" evenwel niet aan te merken als dezelfde feiten in de zin van artikel 54 SUO. Witwassen van gelden, zelfs voortkomende uit drughandel, valt alhier te onderscheiden van het (mede) stellen van daden van inbreuken op artikel 3 van de Opiumwet. Voor de in de tenlastelegging G.3 vermelde gelden is in NEDERLAND geen veroordeling gevolgd voor opzetheling. Verhandelen van verdovende middelen, of het medeplegen ervan, in NEDERLAND is een ander feit dan het witwassen van druggelden. Er is op dit punt geen gelijkheid van materiële feiten. Evenmin kan aanvaard worden dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen de feiten van opzetheling die de Middelburgse Politierechter bewezen verklaarde, en de feiten beoogd in tenlastelegging G.3. Het betreft onderscheiden feiten, en de eenheid van opzet, zoals bedoeld in artikel 65 lid 2 van het Strafwetboek kan enkel doorgevoerd worden met een Belgische definitieve beslissing. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.