id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.7 Rolnummer: 1248 P 2007 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-02 20:27 Fiche De rechtstreekse dagvaarding ertoe strekkende de afschaffing minstens de herleiding te bekomen van de opgelegde dwangsom uitgebracht tegen de Procureur des Konings, is niet ontvankelijk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Strafrecht - stedenbouw - dwangsom - vordering tot afschaffing of vermindering - tegen het O.M. - niet ontvankelijk Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1385quinquies Nota: De voorziening in cassatie door de rechtstreeks dagende partijen werd verworpen bij arrest van 30 maart 2010 (P.09.1698.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.8) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 21 oktober 2009 te Antwerpen, Twaalfde kamer (...) Inzake
- V. R. A. (...) rechtstreeks dagende partij
- L.W. (...) rechtstreeks dagende partij tegen Het Openbaar Ministerie rechtstreeks gedaagde partij (...) de rechtstreekse dagvaarding luidende als volgt: Aangezien verzoekende partijen - in hoofdorde - de opheffing vragen van de dwangsom die bijkomend werd opgelegd bij een veroordeling tot herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Mechelen d.d. 27 november 2002, 11e kamer, nr. 1745; In ondergeschikte orde, wordt de vermindering van de dwangsom gevorderd; Het bevel opgelegd in dit vonnis luidt als volgt: "Beveelt op vordering van de gemachtigde ambtenaar (thans Stedenbouwkundig Inspecteur) of van het College van Burgemeester en Schepenen, het herstel van de plaats, nader omschreven in de betichting, in haar oorspronkelijke staat door het slopen van het wederrechtelijk aangebouwde gedeelte en de wederrechtelijk verbouwde en tot garage en berging omgevormde ruimte (de vroegere stal), vermeld in de tenlastelegging; Bepaalt de termijn van herstel op één jaar, beginnende op de dag volgend op de dag waarop onderhavig vonnis in kracht van gewijsde is getreden; Voor het geval de plaats niet vrijwillig in de vorige staat wordt hersteld binnen de gestelde termijn, beveelt dat de gemachtigde ambtenaar of het College van Burgemeester en Schepenen van ambtswege in de uitvoering van het vonnis kan voorzien voor wat het herstel betreft, onder een leiding en toezicht van de eerste daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, deze desnoods bijgestaan door de Openbare Macht; Zegt dat wie het vonnis doet uitvoeren, gerechtigd is de van de herstelling van de plaats afkomstige materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een gekozen plaats; Zegt voor recht dat de veroordeelden gehouden zijn tot alle uitvoeringskosten, te verminderen met de opbrengst van de verkoop van de materialen en de voorwerpen; Verklaart de uitvoeringskosten invorderbaar op vertoon van een staat of afrekening, begroot en invorderbaar verklaard door de Beslagrechter; Zegt dat de herstelmaatregel wordt opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van 75 EUR per kalenderdag vertraging in het voltooid herstel van de plaats in de vorige staat en dit vanaf de dag volgend op de laatste dag van de gestelde hersteltermijn;" De opheffing, en ondergeschikt de vermindering van de dwangsom, overeenkomstig artikel 1385quinquies Ger.Wb., te verkrijgen; (...) II. Motivering ten gronde. Er is geen aanleiding om de behandeling van onderhavig geschil uit te stellen in afwachting van een advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid. Waar de rechtstreeks dagende partijen een vordering ex artikel 1385 quinquies Gerechtelijk Wetboek formuleren, ertoe strekkende de afschaffing minstens de herleiding te bekomen van de te hunnen laste opgelegde dwangsom bij vonnis van de correctionele rechtbank van Mechelen van 27 november 2002, werd deze vordering ten onrechte aanhangig gemaakt ten aanzien van de Procureur des Konings van Mechelen; het loutere feit dat het Openbaar Ministerie een vorderingsrecht heeft met betrekking tot een herstelvordering inzake van ruimtelijke ordening en stedenbouw, maakt hem nog niet tot een titularis van een opgelegde dwangsom, gekoppeld aan een bevolen herstelmaatregel; te dezen is de gedwongen uitvoering benaarstigd door de Stedenbouwkundig Inspecteur Antwerpen die, in geval van een vordering met betrekking tot de door hem gedwongen gevorderde dwangsom, de procespartij is, naast het College van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente. De rechtstreekse dagvaarding zoals uitgebracht tegen de Procureur des Konings is dan ook niet ontvankelijk. Er was voor de eerste rechter geen enkele verplichting om te wachten tot dat de rechtstreeks dagende partijen een nieuwe procedure zouden inleiden tegen de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur en de gemeente noch om huidig geding te voegen met die nieuw aangekondigde procedure. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091021.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div