id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091028.7 Rolnummer: 2005AR1526 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 20:30 Fiche Voor feiten of rechtshandelingen van voor 1 oktober 2004 (inwerkingtreding Wetboek IPR) blijven oude verwijzingsregels gelden (art. 127 § 1, 1ste zin W IPR) De IPR-regels op de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke worden beheerst door het recht van toepassing op de onrechtmatige daad (lex loci delicti). Noch uit de bewoordingen, noch uit hun doel kan worden afgeleid dat artikel 28 quater, § 1 Controlewet (09/07/1975) de toepassing van Belgisch recht dwingend oplegt m.b.t. de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke. Ook art. 86 WLVO is niet te beschouwen als een wet die het geval dwingend beheerst, zoals vermeld in artikel 28 quater Controlewet. Er moet worden nagegaan of de benadeelde volgens de lex loci delicti (te dezen Duits recht) de rechtstreekse vordering kan instellen UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemeen (internationaal privaatrecht - wetboek IPR) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (internationaal privaatrecht - algemene beginselen) Vrije woorden: IPR - toepasselijk recht - rechtstreekse vordering van benadeelde tegen de verzekeraar van aansprakelijke -lex loci delicti - Duits recht - art. 28 quater Controlewet en art. 86 WVLO zijn geen politiewetten Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/1526 AXA BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, KBO-nummer 0404.483.367, appellante, vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 tegen het vonnis gewezen op 26 april 2005 door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen tegen
- FIDEA NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Van Eycklei 14, KBO-nummer 0406.006.069, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. W. WECKHUYSEN loco Mr. CLIJMANS Eric, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Schermersstraat 30
- KBC Verzekeringen, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Van Overstraetenplein 2, KBO-nummer 0403.552.563, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. I. JANSSENS loco Mr. DE SOMER Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 9 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- Axa Belgium NV (hierna appellante genoemd) is de WAM-verzekeraar van NV Transport Van Egdom voor een vrachtwagen Scania met nummerplaat JKJ
- Op 6 november 1996 deed zich in Duitsland een ongeval voor waarbij, tijdens het lossen van de lading uit de voormelde vrachtwagen, een pallet van 500 kg is terechtgekomen op de heer Pfrenzinger, een werknemer van de Duitse firma Renck & Hessenmüller, die instond voor het lossen van de lading. Zo is op een bepaald moment tijdens het lossen van deze lading de bovenste pallet met nr. 4 beginnen te bewegen. Dit pallet is vervolgens naar de zijkant gegleden en is op de heer Pfrenziger gevallen, die hieronder werd gekneld en ernstig werd gewond. Appellante heeft onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning van aansprakelijkheid het slachtoffer, de heer Pfrenzinger, vergoed voor rekening van wie het behoort voor een bedrag van 54.309,87 DM. Vervolgens heeft zij, als beweerd gesubrogeerde in de rechten van het - vergoede - slachtoffer, een vordering ingesteld tegen de NV Fidea (hierna eerste geïntimeerde genoemd), de aansprakelijkheidsverzekeraar van Nova-Natie, die de stuwing van de lading onzorgvuldig zou hebben uitgevoerd. Appellante heeft haar vordering eveneens gericht tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar BA-uitbating van de NV Transport Van Egdom, zijnde de NV KBC-Verzekeringen (hierna tweede geïntimeerde genoemd). Deze partij wordt door appellante aangesproken in de mate dat de NV Transport Van Egdom medeaansprakelijk zou zijn voor de onzorgvuldige belading van de vrachtwagen. In een vonnis van 26 april 2005 verklaarde de rechtbank van koophandel te Antwerpen de vordering van appellante ongegrond omdat deze partij faalde in haar bewijslast. Zo was de eerste rechter van oordeel dat er geen doorslaggevende elementen waren om te besluiten wie juist de fouten heeft begaan die hebben geleid tot de geleden schade. 1.
- Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 2 juni 2005, heeft appellante tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In het tussenarrest van 11 oktober 2006 heeft het Hof beslist dat het geheel van de aangevoerde onrechtmatige daden volgens het zelfde recht dient te worden beoordeeld, en dat het toepasselijk recht in casu het Duitse recht is. Vervolgens werd een heropening van de debatten bevolen teneinde appellante toe te laten haar vordering aan te passen aan het toepasselijke Duitse recht, en alle partijen toe te laten hieromtrent te debatteren.
- Eisen in hoger beroep 2.
- Appellante vraagt in hoofdorde om geïntimeerden solidair en/of in solidum, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot het betalen van een provisionele som van 54.309,87 DM (hetzij 27.768, 20 EUR), onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, te vermeerderen met de intresten vanaf de respectieve data van uitbetaling, de gerechtelijke intresten, en de kosten. Ondergeschikt verzoekt zij de vordering reeds gegrond te verklaren voor een provisioneel bedrag van 20.000 EUR, alsook de aanstelling van een geneesheer-deskundige te bevelen met de gebruikelijke opdracht tot begroting van de lichamelijke letselschade, geleden door de heer Pfrenziger ingevolge het ongeval van 5 november
- Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat de fout niet genoegzaam zou vaststaan, verzoekt appellante in uiterst ondergeschikte orde, een deskundige aan te stellen met als opdracht "advies te geven over de vraag of de belading van de kwestieuze vrachtwagen door NV Nova Natie al dan niet zorgvuldig en volgens de regels van de kunst is geschied.". 2.
- Eerste geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van appellante, vraagt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen te bevestigen, en appellante te verwijzen in de kosten. In ondergeschikte orde verzoekt zij de vordering van appellante slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren en de aansprakelijkheid te verdelen over de verzekerden van beide geïntimeerden, elk voor de helft, en bijgevolg de vordering van appellante, in zoverre ingesteld tegen eerste geïntimeerde, slechts gegrond te verklaren ten bedrage van de helft van de gevorderde schadevergoeding, zijnde de som van 13.884,10 EUR. Tevens vordert zij de eis tot vrijwaring van tweede geïntimeerde ongegrond te verklaren. Uiterst ondergeschikt verzoekt eerste geïntimeerde de vordering van appellante slechts ten belope van een provisionele som van 1 EUR gegrond te verklaren. 2.
- Tweede geïntimeerde concludeert eveneens tot de ongegrondheid van het hoger beroep, en verzoekt appellante te verwijzen in de kosten. In ondergeschikte vordert zij de eis van appellante slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren, met name ten belope van een provisionele som van 1 EUR. Eveneens in ondergeschikte orde vordert zij, bij incidenteel beroep, eerste geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring voor alle sommen waartoe zij worden veroordeeld.
- Beoordeling 3.
- Ontvankelijkheid van de rechtstreekse vorderingen, ingesteld door appellante tegen geïntimeerden 3.1.
- In de motivering van haar "syntheseconclusies in hoger beroep na heropening der debatten", betwist tweede geïntimeerde de ontvankelijkheid van de rechtstreekse vordering, ingesteld door appellante. Concreet voert tweede geïntimeerde aan dat de vraag of appellante, als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer, over een rechtstreekse vordering beschikt tegen de verzekeraars van de - beweerdelijk - aansprakelijke personen volgens het Duitse recht dient te worden beslecht, en dat dit recht in casu aan appellante geen rechtstreekse vordering toekent. 3.1.
- De vraag of een procespartij gerechtigd is een rechtsvordering in te stellen, en met name beschikt over de hiertoe vereiste hoedanigheid en belang, wordt beheerst door de lex fori, zijnde het Belgische recht. Naar Belgisch recht volstaat het dat de partij die de vordering instelt terecht of ten onrechte beweert titularis van een recht te zijn. Er wordt geenszins vereist dat dit recht ook effectief bestaat. Een dergelijke betwisting raakt immers de grond van de zaak. 3.1.
- Verder stelt het Hof vast dat partijen geen andere gronden van onontvankelijkheid opwerpen. Zo wordt in de voormelde besluiten van tweede geïntimeerde niet langer betwist dat appellante gesubrogeerd is in de rechten van het slachtoffer. Het Hof stelt ook geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid vast, zodat de vordering ontvankelijk wordt verklaard. 3.
- Gegrondheid van de rechtstreekse vorderingen, ingesteld door appellante tegen geïntimeerden 3.2.
- Anders dan appellante voorhoudt, wordt de vraag welk recht toepasselijk is op de rechtstreekse vordering niet beslecht door de regels van het Wetboek van 16 juli 2004 houdende het wetboek van internationaal privaatrecht (Wb.IPR). Art. 127 §1, 1ste zin Wb.IPR verklaart de nieuwe verwijzingsregels van toepassing op rechtshandelingen en rechtsfeiten die zich voordoen vanaf de datum van inwerkingtreding van het Wb.IPR, zijnde 1 oktober
- Rechtshandelingen of rechtsfeiten die zich vóór deze datum hebben voorgedaan, blijven onderworpen aan de oude verwijzingsregels. Vast staat dat het schadeverwekkend feit, met name het ongeval tijdens het lossen van de lading van de vrachtwagen, vóór deze datum heeft plaatsgevonden. Geen van de partijen betwist dat ook de verzekeringsovereenkomsten, waarop appellante haar rechtstreekse vorderingen steunt, vóór 1 oktober 2004 zijn afgesloten. De verruiming van de toepasselijkheid van de verwijzingsregels, opgenomen in art. 127, §1, 2e zin Wb.IPR, tot de gevolgen die vanaf 1 oktober 2004 voortvloeien uit een vóór die datum voorgevallen rechtshandeling of rechtsfeit, geldt niet voor de toekomstige gevolgen van contractuele of buitencontractuele verbintenissen. Zelfs indien aangenomen wordt dat de rechtstreekse vordering als een dergelijk "toekomstig gevolg" kan worden gekwalificeerd, laat dit artikel appellante evenmin toe om zich te beroepen op de toepasselijkheid van de regels van het Wb. IPR teneinde het recht toepasselijk op de door haar ingestelde rechtstreekse vorderingen vast te leggen. 3.2.
- Het Hof treedt de stelling van tweede geïntimeerde bij dat, volgens de IPR-regels die golden vóór de inwerkingtreding van het Wb. IPR, de rechtstreekse vordering wordt beheerst door het recht van toepassing op de onrechtmatige daad. Bijgevolg dient krachtens de lex loci delicti te worden beoordeeld of de benadeelde (of zijn gesubrogeerde) - zijnde appellante - in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraars van de aansprakelijke partijen kan instellen. In zijn tussenarrest van 11 oktober 2006 heeft het Hof geoordeeld dat de lex loci delicti, toepasselijk op het geheel van de onrechtmatige daden, Duits recht is. Uit het voorgaande volgt dat dit recht eveneens de rechtstreekse vordering van appellante beheerst. Ten onrechte werpt appellante tegen dat de toepassing van het Duitse recht wordt doorkruist door de werking van art. 28 van de Belgische Controlewet van 9 juli 1975, bepaling die zij kwalificeert als een politiewet. Vast staat dat de regels tot aanduiding van het recht toepasselijk op overeenkomsten van schadeverzekering en levensverzekering (sedert 1991) zijn uitgewerkt in de arts. 28 ter-octies Controlewet. Deze bepalingen vormen immers de omzetting van de Europese eenvormige verwijzingsregels, uitgevaardigd in de Europese richtlijnen schade- en levensverzekering. Noch uit hun bewoordingen, noch uit hun doel kan worden afgeleid dat deze artikelen, en meer bepaald art. 28 quater §1 Controlewet, de toepassing van Belgisch recht dwingend oplegt op een rechtstreekse vordering, ingesteld door een schadelijder tegen de verzekeraar van de schadeveroorzaker. Evenmin maakt deze partij het aannemelijk dat art. 86 WLVO als een "wet die het geval dwingend beheerst", zoals vermeld in art. 28 quater Controlewet kan worden gekwalificeerd. 3.2.
- Bijgevolg dient te worden nagegaan of volgens het toepasselijke Duitse recht appellante een rechtstreekse vordering kan instellen tegen de verzekeraars van de, volgens haar, aansprakelijke partijen. Samen met tweede geïntimeerde dient het Hof vast te stellen dat dit niet het geval is. Op het ogenblik van het schadegeval voorzag het Duitse recht deze rechtstreekse vordering enkel in het kader van de verplichte verzekering voor motorvoertuigen. Dit is veranderd met de invoering van § 115 VVG (Versicherunsvertragsgesetz), zijnde de Duitse verzekeringswet die op 1 oktober 2008 in werking is getreden en geldt voor verzekeringsovereenkomsten afgesloten na deze datum. Luidens deze bepaling kan de verzekeraar van de aansprakelijke partij rechtstreeks worden aangesproken door de benadeelde partij indien het een wettelijk verplichte verzekering betreft en hetzij de verzekerde insolvent is hetzij de woonplaats van de verzekerde onbekend is. Aan deze toepassingsvoorwaarden is in casu niet voldaan. Hieruit volgt dat tweede geïntimeerde terecht opwerpt dat de rechtstreekse vordering, door appellante ingesteld tegen geïntimeerden, volgens het toepasselijke Duitse recht ongegrond dient te worden verklaard. 3.2.
- Ten overvloede merkt het Hof op dat zelfs indien de stelling - zoals vertolkt door een deel van de rechtsleer - wordt bijgetreden dat de door appellante ingestelde rechtstreekse vorderingen geregeerd worden door het recht toepasselijk op de respectieve verzekeringsovereenkomsten (zijnde het Belgische recht), het Hof de beslissing van de eerste rechter bijtreedt dat deze vorderingen ongegrond zijn. Zo is het aan appellante, als eisende partij, om aan te tonen dat de verzekerden van geïntimeerden een onrechtmatige daad hebben gepleegd en dat zij aldus gerechtigd is deze partij hiervoor aan te spreken. Volgens het toepasselijke Duitse recht dient zij hierbij aan te tonen dat de stuwer van de lading, respectievelijk de vervoerder van de lading één van de rechten of belangen, opgesomd in art. 823, 1ste al. BGB (zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak), heeft geschonden, dat de inbreuk wederrechtelijk was, dat deze partijen een fout hebben begaan door hetzij opzettelijk of onzorgvuldig te handelen, en dat de inbreuk op de rechten en belangen - beschermd door § 823, 1ste al. BGB - heeft geleid tot de specifieke schade, waarvoor het slachtoffer (in wiens rechten appellante werd gesubrogeerd) een vergoeding vordert. A. Vordering, ingesteld tegen eerste geïntimeerde 3.2.
- Concreet verwijt appellante de verzekerde van eerste geïntimeerde de lading slecht te hebben gestuwd. Zo werd een zwaar pallet van 500 kg op een veel lichter pallet met kartons geplaatst, waardoor deze kartons ineen werden gedrukt en er geen betrouwbare stabiliteit voor het bovenste pallet was. Tevens stelt appellante dat de verzekerde van eerste geïntimeerde dit zware pallet, in strijd met de regels van goede belading en stuwing, niet met een las had vastgemaakt. Het bewijs van deze beweerde slechte stuwing kan, volgens het Duitse recht, met alle middelen van recht worden geleverd. 3.2.5.
- Tot staving van haar stelling verwijst appellante in de eerste plaats naar de "feitelijke materiële vaststellingen", zoals o.m. bevestigd in de fotodocumentatie. Samen met eerste geïntimeerde dient het Hof vast te stellen dat de voorgebrachte foto's geen duidelijkheid geven over de wijze van stuwing. Bovendien betwist appellante niet dat deze foto's na het schadegeval werden genomen, dus op het ogenblik dat de heer Wegner de lading met zijn heftruck al had gemanipuleerd. Er kan dan ook niet worden uitgesloten dat de toestand van de lading, zoals weergegeven op de voorgebrachte foto's, het gevolg is van handelingen van deze uitlader. Dit geldt des te meer nu uit de verklaring van de heer Etienne (zijnde de chauffeur van de NV Transport Van Egdom) blijkt dat de heer Wegner bij het lossen van de lading vrij wild te keer ging en ook het slachtoffer (de heer Pfrenzinger) bevestigt dat het betrokken pallet is beginnen schuiven nadat de heer Wegner, na een aantal verkeerde manipulaties, een ander pallet had opgeheven. 3.2.5.
- Appellante verwijst tevens naar de verklaringen van zowel de heer Etienne, het slachtoffer, als de chauffeur van de heftruck, en voert hierbij aan dat deze personen allen verklaarden dat de palletten verkeerd waren geladen. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat noch de heer Wegner, noch de heer Pfrenzinger verklaren dat de palletten slecht waren geladen. Zo legt de heer Wegner geen verklaring af over de toestand van de lading. De heer Pfrenzinger verklaart ter zake enkel dat hij "nadien heeft gehoord" dat het pallet dat hem getroffen had, om een 500 kg zwaar pallet handelde dat op een veruit lichtere pallet stond en dat het pallet ook niet was vastgesjord of beveiligd. Uit deze verklaring kan dan ook niet worden afgeleid dat dit slachtoffer zelf de - thans beweerde - slechte lading heeft vastgesteld. Wat de verklaring van de heer Etienne betreft, treedt het Hof de vaststelling van de eerste rechter bij dat de belangen van deze partij, zijnde de vervoerder van de beweerdelijk slecht gestapelde lading, strijdig zijn met deze van de verzekerde van eerste geïntimeerde, zodat deze verklaring niet de vereiste waarborgen van objectiviteit biedt. Bovendien gaat deze verklaring, waarin melding wordt gemaakt van (mislukte) pogingen om het bewuste pallet - oorzaak van het ongeval - te lossen, in tegen de verklaring van beide werknemers van de Duitse firma die instonden voor de lossing, waarin enkel melding wordt gemaakt van pogingen tot lossing van een nabijgelegen pallet waarna het bewuste pallet is beginnen schuiven. De verklaring van de heer Etienne is dan ook niet voldoende om de beweerde slechte stuwing aan te tonen. 3.2.5.
- Appellante verwijst ten slotte naar het eindverslag van het strafdossier, waarin na onderzoek door het bestuur voor arbeidsveiligheid, de "feitelijkheden" werden bevestigd. Opnieuw dient te worden vastgesteld dat de hoofdofficier van Justitie zijn verslag uitsluitend steunt op "gegevens verstrekt door de benadeelde en de getuigen" zonder te verduidelijken wat de benadeelde precies heeft verklaard of te preciseren welke getuigen hij zou hebben gehoord. Ook dit verslag, dat niet is gesteund op enige persoonlijke vaststelling van de officier van Justitie, volstaat derhalve niet als bewijs van de beweerde slechte stuwing door de verzekerde van eerste geïntimeerde. De bewijswaarde van dit verslag is enkel beperkt tot de vaststelling dat de heer Etienne klaarblijkelijk geen "slagen en verwondingen door nalatigheid" kan worden verweten. Hetzelfde geldt voor de door appellante ingeroepen brief van 4 februari 1998 van het Staatsanwaltschaft Hamburg, waarin de redenen van sepot ten aanzien van de bestuurder Etienne werden uiteengezet. 3.2.5.
- Hieruit volgt dat het Hof dient te besluiten dat, bij gebreke van enige vaststelling op tegenspraak, geen van de voorgebrachte stukken toelaat te besluiten dat de lading van de vrachtwagen Scania op onzorgvuldige wijze werd gestuwd door de verzekerde van eerste geïntimeerde. Gelet op het tijdsverloop sinds de datum van het ongeval acht het Hof het niet passend in te gaan op het verzoek tot aanstelling van een deskundige. Zo maakt appellante het geenszins aannemelijk dat deze deskundige thans nog nuttige vaststellingen kan doen of zijn oordeelsvorming kan steunen op andere dan in deze procedure voorgelegde stavingstukken. 3.2.
- Bovendien merkt het Hof op dat, zelfs indien aangenomen wordt dat er sprake zou zijn van een slechte stuwing, appellante dient aan te tonen dat deze fout in oorzakelijk verband staat met de schade, geleden door het door haar vergoede slachtoffer. Ook dit bewijs wordt niet geleverd. Uit de verklaringen van de heer Pfrenzinger blijkt immers dat de heer Wenger, zijnde de chauffeur van de heftruck die zich bezig hield met het ontladen van de betrokken vrachtwagen, problemen had bij het afladen van een bepaalde pallet. Op het ogenblik dat hij erin slaagde dit pallet op te tillen (blijkbaar na een aantal mislukte pogingen), begon een ander pallet te schuiven. Het is dit pallet dat uiteindelijk op het slachtoffer is terecht gekomen. Appellante maakt het evenwel niet aannemelijk dat dit pallet is weggeschoven door de beweerde slechte stuwing en niet door de slechte manipulatie van een nabij gelegen pallet door de heer Wenger. Appellante toont met andere woorden niet aan dat zonder de beweerde stuwing het betrokken pallet niet zou zijn weggeschoven, zoals vereist door § 823 BGB. De rechtstreekse vordering, ingesteld door deze partij op grond van het beweerde onrechtmatig handelen van de stuwer, is dan ook terecht ongegrond verklaard. 3.2.
- Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat eerste geïntimeerde opwerpt dat er sprake is van een risico-aanvaarding door het slachtoffer. Dit verweer wordt immers slechts in ondergeschikte orde gevoerd, met name in zoverre het Hof de slechte stuwing van de lading bewezen zou achten (wat niet het geval is), en houdt aldus geenszins een erkenning van aansprakelijkheid van de stuwer in. 3.2.
- Appellante spreekt de verzekerde van eerste geïntimeerde eveneens aan op grond van § 412 HGB (Wetboek van koophandel), dat stelt dat de "verzender het goed veilig voor vervoer moet laden, stuwen en bevestigen, alsook lossen" en dat "de vervoerder voor de veilige verzending moet zorgen". Zoals appellante niet betwist, heeft deze bepaling - die deel uitmaakt van het boekdeel in het Duitse wetboek van koophandel dat handelt over de "handelstransacties" - betrekking op de contractuele verplichtingen van de verzender en de vervoerder. Zelfs indien aangenomen wordt dat de verzekerde van eerste geïntimeerde als een "verzender" in de zin van deze bepaling is opgetreden (wat door deze partij wordt betwist), toont appellante niet aan dat het slachtoffer - in wiens rechten zij is getreden - een contractuele relatie had met de verzekerde van eerste geïntimeerde en zich aldus ten aanzien van deze partij op een beweerde inbreuk van deze bepaling kan beroepen. B. Vordering, ingesteld tegen tweede geïntimeerde 3.2.
- Appellante verwijt de verzekerde van tweede geïntimeerde een inbreuk op zijn plicht tot controle, voor de aanvang van het transport, dat de lading goed en veilig werd gestuwd. Zoals reeds uiteengezet (nr. 3.2.5.) toont appellante niet aan dat er sprake is van een slechte stuwing. Zelfs indien dit het geval zou zijn, dient het Hof samen met tweede geïntimeerde vast te stellen dat appellante geenszins aantoont dat § 823, 1ste al. BGB in een algemene zorgvuldigheidsplicht voorziet voor de vervoerder van een oplegger die - zoals geen van de partijen betwist - door een (professionele) stuwer was verzegeld, om deze zegels te verbreken en de stuwing te controleren. Zo heeft de (Belgische) rechtspraak waar deze partij naar verwijst, betrekking op de contractuele plichten van de vervoerder doch niet op de eventuele buitencontractuele aansprakelijkheid van een vervoerder tegen de uitlader van de vervoerde goederen. Om de hierboven vermelde redenen (nr. 3.2.8.) kan appellante ook ten aanzien van deze partij haar vordering niet steunen op § 412 HGB. De rechtstreekse vordering, door appellante ingesteld tegen tweede geïntimeerde, is bijgevolg eveneens terecht ongegrond verklaard. 3.
- Gerechtskosten Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante ongegrond wordt verklaard. Appellante wordt dan ook, als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van art. 1017 Ger. W., verwezen in de kosten van het hoger beroep van eerste en tweede geïntimeerde, begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis met toevoeging van de hierboven vermelde gronden. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van eerste geïntimeerde vereffend op 2.000 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van tweede geïntimeerde vereffend op 2.000 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 28 oktober
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer E. VAN ENGELEN Plaatsvervangend Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS E. VAN ENGELEN K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091028.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div