id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091112.20 Rolnummer: B 531/09 BB Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 20:34 Fiche Voor de toepassing van artikelen 418-420 van het strafwetboek moet het vaststaan dat de fouten begaan door de inverdenkinggestelden de slagen en verwondingen hebben veroorzaakt. Het is niet voldoende dat er een mogelijkheid van verlies van een kans zou zijn of op een verhoogd risico zou bestaan, maar er dient een juridische zekerheid te bestaan van het verlies van een kans of van het bestaan van een verhoogd risico ingevolge dit weerhouden gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg. Er zijn te weinig bezwaren om te besluiten dat tussen de fout van een geneesheer en de slagen en verwondingen opgelopen door zijn patiënt een oorzakelijk verband bestaat, en dat derhalve de geneesheer schuldig is aan onopzettelijke slagen en verwondingen, wanneer er enkel wordt vastgesteld dat de patiënt een kans zou hebben gehad om gespaard te blijven van complicaties door de doorverwijzing naar een derde-lijns/universitair centrum. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Onopzettelijke doding en slagen Vrije woorden: Strafrecht - onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen - medische aansprakelijkheid - fout - vaststaand oorzakelijk verband - geen gemiste kans - geen verhoogd risico - geen voldoende bezwaren Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 418 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Tegen dit arrest werd geen cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 12 november 2009 te Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling (...) 3.1 De hogere beroepen van de burgerlijke partijen, regelmatig naar vorm en termijn, zijn ontvankelijk. 3.2 Het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, stelt vast dat de saisine van de onderzoeksrechter door de bestreden beschikking van de raadkamer, die geen beslissing nam in verband met "de onbekenden" waartegen de klachten met burgerlijke partijstelling, werden neergelegd, niet geledigd werd. 3.3 Overeenkomstig artikel 235 van het wetboek van strafvordering stelt het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, vast dat voornoemde onbekenden zich vereenzelvigen met de inverdenkinggestelden K. D. en d. F. d. L. D.. 3.4 De burgerlijke partij S. F. werd door de inverdenkinggestelden geopereerd en na of tijdens deze operatie trad er een cerebro-vasculair accident op met blijvende fysieke gevolgen. 3.5 Het college van deskundigen kwam tot het besluit dat, citaat: "men kan stellen dat mits een heelkundige ingreep door een meer gespecialiseerd team, er 33% minder kans op deze concrete complicatie zou geweest zijn" en nog dat "Het college van deskundigen is van mening dat beide NKO artsen (inverdenkinggestelden) een medische fout hebben begaan door dergelijke complexe hoog risico ingreep aan te vatten waarbij het operatieteam geen ervaring heeft met zulke zeldzame heelkunde, in een hospitaalstructuur waar uiterst summiere operatieverslagen werden geschreven en waar het radiografisch bundel verloren gaat. Zulke heelkunde dient doorverwezen naar een derde-lijns/universitair centrum. Wetenschappelijk onderzoek heeft onbetwistbaar aangetoond dat de outcome dan beter is met minder verwikkelingen." 3.6 De burgerlijke partijen weerhouden, in hoofde van beide inverdenkinggestelden, volgende feiten, die zij beschouwen als een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in de zin van artikel 418 van het strafwetboek: - een gebrek aan informatie van de patiënt over de risico's van de ingreep, wat ontkend wordt; - een gebrek aan preoperatief contact van dokter d. F. d. L.; - het opstellen van een te summier operatieverslag; - het verloren gaan van het radiografisch bundel; - het verhogen van de risico's op complicaties door het feit dat zij de patiënt niet hebben doorgestuurd naar een meer performant ziekenhuis met personeel dat over meer ervaring beschikt. 3.7 Het onderzoek is grondig en volledig; er dient geen verder onderzoek te worden bevolen in het kader van de waarheidsvinding. 3.8 Het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, ziet niet in wat het causaal verband zou kunnen zijn tussen een bondig operatieverslag en het verloren gaan van het radiografisch bundel (niets toont aan dat dit preoperatief was) en het optreden van de medische complicatie. 3.9 Wat de andere verwijten betreft, deze komen er samengevat op neer dat de operatie had moeten worden uitgevoerd in een derde-lijns/universitair centrum met meer ervaren personeel en dat de burgerlijke partij S. F. zeker voor deze optie zou gekozen hebben indien hij beter geïnformeerd was geweest; m.a.w. aansluitend bij de conclusie van de deskundigen: het verlies van een kans of het verhogen van het risico. 3.10 Voor zover er in hoofde van de inverdenkinggestelden al sprake zou zijn van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, is het niet voldoende dat er een mogelijkheid van verlies van een kans zou zijn of op een verhoogd risico zou bestaan, maar dient er een juridische zekerheid te bestaan van het verlies van een kans of van het bestaan van een verhoogd risico ingevolge dit weerhouden gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg. 3.11 De deskundigen stellen dat er 33% minder kans zou geweest zijn op de ontstane complicatie, maar zij spreken zich niet uit over de vraag hoeveel kans er is op deze complicatie. Professor Dr. M. stelt in zijn niet tegengesproken schrijven dat het voorkomen van deze accidenten (complicaties) 1,53% is, zodat 33% meer het risico zou verhogen met 0,51%, aangenomen dat het Jan Palfijnziekenhuis een laag volume ziekenhuis zou zijn en het ziekenhuis waarnaar zou kunnen worden doorverwezen een beduidend hoger volume ziekenhuis zou zijn voor deze concrete operatie. Voor het overige worden geen acties beschreven die zouden ondernomen zijn of nagelaten werden en die mede aan de oorzaak zouden liggen van de huidige toestand van S.. De deskundigen duiden ook niet aan waar de chirurgen zouden hebben gefaald op technisch gebied. 3.12 Men mag evenmin voorbijgaan aan het feit dat er een duidelijk verschil is in het vereiste causale verband voor de toepassing van artikelen 418-420 van het strafwetboek en artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, namelijk het vaststaand karakter van het causaal verband. Meerbepaald moet voor de toepassing van artikelen 418-420 van het strafwetboek vaststaan dat de fouten begaan door de inverdenkinggestelden de slagen en verwondingen hebben veroorzaakt. Dat betekent dat een arts niet op grond van de artikelen 418-420 van het strafwetboek kan worden vervolgd voor de nalatigheid zorgen toe te dienen waarvan het resultaat onzeker was (gemiste kans,verhoogd risico), in casu bv. het zelf opereren of de niet verwijzing naar een derde-lijns/universitair centrum. Trouwens ook in een universitair ziekenhuis kunnen zich complicaties voordoen. 3.13 Gebaseerd op voorgaand standpunt zijn er te weinig bezwaren om te besluiten dat tussen de fout van een geneesheer en de slagen en verwondingen opgelopen door zijn patiënt een oorzakelijk verband bestaat, en dat derhalve de geneesheer schuldig is aan onopzettelijke slagen en verwondingen, wanneer er enkel wordt vastgesteld dat de patiënt een kans zou hebben gehad om gespaard te blijven van complicaties door de doorverwijzing naar een derde-lijns/universitair centrum. 3.14 Er bestaan tegen inverdenkinggestelden te weinig bezwaren. Er is geen reden tot vervolging. 3.15 Het hoger beroep van de burgerlijke partijen is niet gegrond. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091112.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.