← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.15 Rolnummer: 166 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2011-01-24 Raadplegingen: 294 - laatst gezien 2026-07-02 20:38 Fiche

  1. Gelet op het tussengekomen cassatiearrest van 6.01.2009, staat het vast dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard. Derhalve dient het Hof de bevoegdheid opnieuw te beoordelen rekening houdend met de wettelijke bevoegdheidsbepalingen die op het ogenblik van de uitspraak in beroep gelden overeenkomstig art. 3 Ger.W. Op grond van art. 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, kan het Hof zelf verzachtende omstandigheden aannemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangig gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd en daarvoor in aanmerking komt op grond van art. 2, derde lid.
  2. Op grond van art. 6 EVRM verklaart het Hof dit arrest uitvoerbaar bij voorraad gezien beklaagden, gelet op de tijdsperiode waarin de feiten zich voordeden, het recht hebben dat hun zaak binnen een redelijke termijn behandeld en beslecht wordt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Verzachtende omstandigheden - Wet 4 oktober 1867 Vrije woorden:
  3. Strafrecht - procedure - juiste kwalificatie - toegelaten ontdubbeling - correctionalisatie - bevoegdheid - verzachtende omstandigheden - toepassing in de tijd van een nieuwe wet - onmiddellijk toepasselijk - geen schending van de rechten van verdediging
  4. Strafrecht - procedure - tussenarrest - redelijke termijn - uitvoerbaar bij voorraad Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 3 Nota: De voorzieningen in cassatie werden verworpen op 9.11.2010 (P.09.1915.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.5/1) Het verdient ook aanbeveling kennis te nemen van het arrest van het Hof van Cassatie van 06/01/2009, P.08.1289.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.
  5. Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 18 november 2009 te Antwerpen, de twaalfde kamer (...) II. Motivering ten gronde Toepassing in de tijd van de wet van 8 juni 2008 inzake verzachtende omstandigheden (BS 16.06.2008, in voege 26.06.2008) Het cassatiearrest van 6.01.2009 vermeldt dat het feit omschreven onder de tenlastelegging F.17 moet worden ontdubbeld ("De rechter moet aan die feiten de juiste juridische kwalificatie geven door eveneens valsheid in geschrifte of het gebruik ervan in de bewoordingen van de wet te omschrijven. Dit is geen verboden ontdubbeling van de oorspronkelijke tenlastelegging ... (p.5) .... Hieruit volgt dat de feiten van de tenlastelegging die voor de correctionele rechtbank en het hof van beroep aanhangig waren, ook valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, waarmee ééndaadse samenloop is, inhouden ... (p.7)"). Art. 3 Ger.WB. bepaalt dat wetten op de bevoegdheden van toepassing zijn op hangende zaken zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn gemaakt behoudens uitzondering bij wet bepaald. Beklaagden betwisten niet dat het nieuwe art. 3 lid 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden (BS 16.06.2008, in voege op 26.06.2008) een procedurewet is die op hangende zaken onmiddellijk van toepassing is behoudens wanneer er reeds over de grond van de zaak een beslissing werd genomen waarbij de bevoegdheid werd vastgesteld. Wanneer de eerste rechter zich terecht bevoegd heeft verklaard voor de feiten waarvoor hij gevat werd, dient de rechter in beroep opnieuw de bevoegdheid te beoordelen maar conform de wetgeving van toepassing op het ogenblik van de beoordeling ervan door de eerste rechter gelet op het correctiemechanisme voorzien in art. 3 in fine Ger.WB. (die bepaling wil immers vermijden dat geldig aanhangig gemaakte zaken worden onttrokken aan de op dat ogenblik van de uitspraak geldende rechtsinstantie). Wanneer de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard voor de feiten waarvoor hij gevat werd, dient de rechter in beroep de bevoegdheid ook opnieuw te beoordelen maar dan rekening houdend met de bevoegdheidsbepalingen van kracht op het ogenblik van zijn eigen uitspraak gelet op art. 3 Ger.WB. In dat geval geldt het correctiemechanisme voorzien in art. 3 in fine Ger.WB. niet gezien de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd verklaarde. In deze zaak dient het Hof de wettigheid te toetsen van de beslissing van de correctionele rechtbank te Leuven van 25.06.2007, aanhangig ingevolge het regelmatig ingestelde hoger beroep. Dit houdt in dat het aan het Hof van Beroep behoort om de bevoegdheid te onderzoeken. Gelet op het tussengekomen cassatiearrest van 6.01.2009, staat het vast dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard. Derhalve dient het Hof de bevoegdheid opnieuw te beoordelen rekening houdend met de wettelijke bevoegdheidsbepalingen die op het ogenblik van de uitspraak in beroep gelden overeenkomstig art. 3 Ger.WB. De door beklaagden aangehaalde rechtsleer en arresten van het Hof van Cassatie van 24.12.1973 en van 23.09.1983 waarbij wordt gesteld dat wetten inzake bevoegdheid vanaf hun inwerkingtreding onmiddellijk van toepassing zijn op hangende rechtsplegingen waarin nog geen beslissing ten gronde is genomen, noch het cassatiearrest van 16.10.1985 zijn op onderhavig geval van toepassing nu zij een van deze zaak verschillende situatie tot voorwerp hebben. Ten onrechte beweert beklaagde L. L. dat door de toepassing van de nieuwe procedureregel de rechten van verdediging zijn geschonden als zou hij zich dienen te verdedigen voor tenlasteleggingen die voor de eerste maal in hoger beroep worden voorgehouden, nu hij zich immers voor dezelfde feiten moet verantwoorden, voorzien onder de tenlastelegging F.17, dewelke thans gekwalificeerd worden als een inbreuk op art. 314 SW alsook valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken waarmee er ééndaadse samenloop is. Het betreft dezelfde feiten onder diverse kwalificaties en derhalve is er geen sprake van dat de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden noch dat door de onmiddellijke toepassing van de nieuwe procedurewet op hangende zaken dit een schending van art. 6 EVRM zou uitmaken. Gelet op de bepalingen van het arrest van het Hof van Cassatie van 6.01.2009 acht het Hof, conform de nota van het Openbaar Ministerie neergelegd ter zitting op 23.09.2009, het gepast de feiten van de tenlasteleggingen F.17, dewelke gekwalificeerd worden als een inbreuk op art. 314 SW, ook als volgt te omschrijven. "F.17.
  6. te Aarschot op hierna vermelde data Als openbaar officier of ambtenaar met bedrieglijk opzet of met oogmerk om te schaden, bij het opmaken van akten van zijn ambt, het wezen of de omstandigheden ervan vervalst te hebben, hetzij door andere overeenkomsten te schrijven dan die welke partijen hebben opgegeven of gedicteerd, hetzij door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn, namelijk door de hierna vermelde stukken opgesteld te hebben of hebben doen opstellen met het bedrieglijk opzet enerzijds bij de gunning van het afvalbeheer van de stad Aarschot de te verlenen dienst te hebben voorgesteld als een concessie van openbare diensten in plaats van een aanneming van diensten teneinde alzo buiten het toepassingsgebied van de wet en de reglementering inzake overheidsopdrachten te vallen en anderzijds geen melding te hebben gemaakt van de technische begeleiding tijdens de gunningsprocedure door de groep W. teneinde alzo het contract inzake afvalbeheer toe te kennen aan de N.V. L. C., thans de N.V. S. R. S. namelijk(...)" Op grond van art. 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, kan het Hof zelf verzachtende omstandigheden aannemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangig gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd en daarvoor in aanmerking komt op grond van art. 2, derde lid. Het Hof neemt derhalve verzachtende omstandigheden aan met name gelet op het gunstig strafrechtelijk verleden van beklaagden. Op grond van art. 6 EVRM verklaart het Hof dit arrest uitvoerbaar bij voorraad gezien beklaagden, gelet op de tijdsperiode waarin de feiten zich voordeden, het recht hebben dat hun zaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld en beslecht wordt. Om deze redenen, (...) Na aanneming van de verzachtende omstandigheden, met name gelet op het gunstig strafrechtelijk verleden van beklaagden, verklaart het Hof zich bevoegd; Verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad; Beveelt een heropening der debatten op de terechtzitting van 13 januari 2010 om 9 uur teneinde de zaak ten gronde te behandelen; (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.