← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.8 Rolnummer: 475 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-04 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 20:38 Fiche Nu evenwel het laatste feit reeds geruime tijd geleden werd gepleegd en het dossier elementen bevat van aard om aan te nemen dat de beklaagde ondertussen een andere ingesteldheid heeft aangenomen ten opzichte van zijn maatschappelijke plichten en maatschappelijke beperkingen - hij heeft onmiddellijk na de feiten de machtiging aangevraagd en bekomen - kan aan de beklaagde, die daartoe in de wettelijke voorwaarden verkeert en mede gelet op diens gunstig strafrechtelijk verleden en met het oog op het bevorderen van zijn reclassering, met betrekking tot de voormelde feiten, uitstel van de tenuitvoerlegging van de bijzondere verbeurdverklaring voor het gedeelte daarvan dat 1/10de deel oftewel 4.576,44 euro te boven gaat, verleend worden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - PROBATIEWET - Uitstel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Verkoopstechnieken - Ambulante handel Vrije woorden: 1. Strafrecht - bijzonder strafrecht - ambulante en kermishandel - machtiging - sluikwerk - bedenktijd - uitzondering 2. Strafrecht - straffen - illegale vermogensvoordelen - bijzondere verbeurdverklaring - tijdsverloop - gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 42,3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet - 25-06-1993 - 3 (Wet Ambulante Handel) Nota: Tegen dit arrest werd geen cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 18 november 2009 te Antwerpen, twaalfde kamer (...) Beklaagd van: Te Westerlo, tussen 1 januari 2008 en 23 september 2008. A) Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 13 §1,1° en §2 van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals bestraft overeenkomstig artikel 13 §1,1° en §2 van de wet van 25 juni 1993 voornoemd, een ambulante of kermisactiviteit uitoefenen zonder te beschikken over de vereiste machtiging B) Bij inbreuk op de wet van 6 juli 1976, artikelen 1, 2, 5 en 9, sluikwerk te hebben verricht of gebruik te hebben gemaakt van de diensten van iemand die sluikwerk verricht. C) Bij inbreuk op de artikelen 89 en 102 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, een voorschot of betaling, in welke vorm ook, van de consument te hebben geëist of aanvaard, vooraleer de in artikel 89 bedoelde bedenktermijn is verstreken. (...) De wijze waarop de beklaagde zijn (voornamelijk) schoonheidsproducten verkoopt is te aanzien als een ambulante activiteit in de zin van artikel 2 van de wet van 25 juni 1995 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten (hierna W.A.A.) nu hij als handelaar verkoopt, te koop aanbiedt of uitstalt met het oog op de verkoop aan consumenten van producten buiten de vestiging vermeld in zijn inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen, zijnde te dezen het adres te Westerlo, xxx zoals blijkt uit de inschrijving te Turnhout. De bewering dat zijn consulenten, die trouwens individueel evenmin over een machtiging beschikken, louter folders met bestelbon dienen te verdelen is niet aan te nemen; zij worden in essentie niet vergoed voor folderbedeling doch wel middels commissie op de door hen individueel gerealiseerde verkopen aan consumenten; zijn consulenten zijn dan ook verkopers voor rekening van de beklaagde; dat deze consumenten in hoofdzaak familie en kennissen zouden zijn van de consulenten is wel mogelijk maar alleszins niet uitsluitend, doch het zijn en blijven consumenten in de zin van voormelde wet. Deze handelsactiviteit is niet te beschouwen als vallende onder de uitsluiting van artikel 5,8°,

  1. a)W.A.A. nu de aangetoonde activiteit wel bestaat uit het systematisch en op grote schaal contact opnemen met particulieren, om aan hen de verkoop van producten aan te bieden noch betreft deze handelsactiviteit loutere postorderverkopen in de zin van artikel 5,3° W.A.A. Evenmin is deze handelwijze te aanzien als een verkoop van een product ten huize van een consument die daarvoor voorafgaand en uitdrukkelijk het bezoek van de verkoper heeft gevraagd om te onderhandelen over de verkoop van het product overeenkomstig artikel 5,8°,
  2. b)W.A.A.; dat de consulenten mogelijk de consumenten trachten te groeperen middels de organisatie van zogenaamde homeparty's, is evenmin relevant te dezen nu zodanige bijeenkomsten niet door de beklaagde zelf worden georganiseerd doch door zijn consulenten-verkopers die zelf niet voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van de Belasting op de Toegevoegde Waarde zodat de uitsluiting overeenkomstig artikel 12 §5 van het Koninklijk Besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, niet toepasselijk is ten aanzien van de beklaagde; het gaat telkens, in hoofde van de beklaagde, om verkopen buiten de vestiging waarbij geen uitdrukkelijk voorafgaand verzoek tot bezoek werd gevraagd ter onderhandeling over de verkoop. De bewering van beklaagde als zou hij vroeger over een machtiging hebben beschikt doch hem een hernieuwing daarvan was afgeraden aan het ondernemingsloket, blijkt nergens uit en doet niet af aan voorgaande vaststellingen. Alle overige feitelijke beweringen van de beklaagde zijn niet van aard anders te moeten oordelen; voor de handelsactiviteit zoals door beklaagde uitgeoefend en georganiseerd via consulenten-verkopers, behoefde hij voorafgaande machtiging in de zin van artikel 3 W.A.A. en het staat vast dat hij daar niet over beschikte in de aan te nemen misdrijfperiode. De feiten sub B. Het loutere feit dat de consulenten een contract ondertekenden waarin zij verklaarden op zelfstandige basis te werken en voldaan te hebben aan alle wettelijke verplichtingen als zelfstandige, is een niet aan te nemen exoneratieclausule in een poging om zelf buiten schot te blijven waarbij eigenlijk misbruik werd gemaakt van de andere contractspartijen, voor het merendeel meer kwetsbare personen in de maatschappij (jonge meisjes, studenten, alleenstaanden aan wie via een streekkrant een bijverdienste werd aangeprijsd); zo verklaarde V. I., (ca. 18 jaar ten tijde van de feiten en studente), dat haar zelfs was verteld dat zij geen enkele wettelijke verplichting had; ook K. D. (pas afgestudeerd en werkzoekende) en V. A. (studente) verklaarden dat beklaagde daaromtrent nooit enige uitleg had gegeven. De loutere fiscale regeling die beklaagde trof met de administratie der directe belastingen doet niet af aan de vaststelling dat hij schuldig is aan dit hem ten laste gelegde feit; beklaagde stelde de consulenten tewerk, betaalde hen middels af te rekenen commissies en heeft derhalve gebruik gemaakt van de diensten van iemand die sluikwerk verricht; de overige feitelijke beweringen van de beklaagde zijn niet van aard anders te moeten oordelen. De feiten sub C. De handelsactiviteiten van de beklaagde dienen, overeenkomstig artikel 86,§1,1° van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna W.H.P.C.) aangezien als verkopen aan een consument van producten ten huize van de consument of van een andere consument en waarvoor de consument niet voorafgaandelijk en uitdrukkelijk het bezoek van de verkoper heeft gevraagd met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat product; ook hier geldt dat de wijze waarop de consulenten van beklaagde, in feite de aangestelde verkopers, hun werkzaamheden organiseerden en o.a. middels thuisfeestjes aan familie en kennissen, geen afbreuk doet aan voorgaande vaststellingen. Ten onrechte houdt beklaagde voor dat het zou gaan om verkopen op afstand in de zin van afdeling 9 W.H.P.C. nu immers geen techniek voor communicatie op afstand werd gebezigd voor de overeenkomst tot en met de sluiting daarvan. Wanneer een persoon aanwezig is op een homeparty kan deze niet per definitie aangezien worden als een consument die, door zijn loutere aanwezigheid, voorafgaand en uitdrukkelijk de verkoper heeft uitgenodigd om over de aankoop van een product te onderhandelen; dit kan niet worden vermoed. Voor de door de beklaagde gedane verkopen mag onder geen enkel voorwendsel een voorschot of betaling, in welke vorm dan ook, van de consument worden geëist noch aanvaard, vooraleer een bedenktermijn van zeven werkdagen na de dag van de ondertekening van het contract is verstreken. Het blijkt en wordt niet weerlegd dat beklaagde bij herhaling deze verplichting heeft geschonden en de consumenten onmiddellijk bij de ondertekening voorschotten of gehele betalingen deden; het louter feit dat beklaagde voorhoudt dit niet te hebben geweten, is niet van aard zijn schuld aan deze inbreuken weg te nemen. (...) Met betrekking tot de bijzondere verbeurdverklaring: Het Openbaar Ministerie heeft een schriftelijke vordering ingediend tot de bijzondere verbeurdverklaring van 53.878,72 euro als illegaal vermogensvoordelen op grond van artikel 42,3° strafwetboek. Geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat zodanige bijzondere verbeurdverklaring voor het eerst in graad van hoger beroep schriftelijk wordt gevorderd en beoordeeld. Deze illegale voordelen kunnen niet exact berekend worden nu geen cijfers voorliggen met betrekking tot de beoogde misdrijfperiode; wel kan aangenomen worden dat, gelet op de wel voorliggende cijfers over 2006 en 2007 en niet aangevoerd wordt als zou de gevoerde handel belangwekkende wijzigingen in omzet hebben gekend, dat die cijfers over 2006 en 2007 als richtlijn kunnen genomen worden teneinde in billijkheid de bekomen illegale vermogensvoordelen zoals genoten uit de aangenomen misdrijven, te ramen. Gelet op de voorliggende omzetcijfers (13.408,09 euro, 89.271,96 euro en 108.149,98 euro over 2006 en 2007) neemt het Hof aan dat een gemiddeld voordeel van 6.000 euro per maand werd bekomen uit de aangenomen misdrijven zodat, in functie van de misdrijfperiode, het illegaal vermogensvoordeel billijk kan worden bepaald op het bedrag van (6.000 euro x 12) x 232/365 = 45.764,38 euro. Nu evenwel het laatste feit reeds geruime tijd geleden werd gepleegd en het dossier elementen bevat van aard om aan te nemen dat de beklaagde ondertussen een andere ingesteldheid heeft aangenomen ten opzichte van zijn maatschappelijke plichten en maatschappelijke beperkingen - hij heeft onmiddellijk na de feiten de machtiging aangevraagd en bekomen - kan aan de beklaagde, die daartoe in de wettelijke voorwaarden verkeert en mede gelet op diens gunstig strafrechtelijk verleden en met het oog op het bevorderen van zijn reclassering, met betrekking tot de voormelde feiten, uitstel van de tenuitvoerlegging van de bijzondere verbeurdverklaring voor het gedeelte daarvan dat 1/10de deel oftewel 4.576,44 euro te boven gaat, verleend worden. Hopelijk zal dit belangwekkend gedeeltelijk uitstel de beklaagde er toe aanzetten zich in de toekomst beter te gedragen, daar hij moet weten dat bij een volgende veroordeling het thans verleende uitstel kan herroepen worden; de duur van het uitstel dient bepaald op drie jaar teneinde een nuttige preventieve werking te verkrijgen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.