← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091202.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091202.5 Rolnummer: 2008AR1884 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 20:43 Fiche

  1. Appellante wil haar standpunten, zoals zij die heeft ingenomen in eerste aanleg, opnieuw aan de appelrechter voorleggen zonder aan te duiden door welke beoordeling in eerste aanleg ze concreet gegriefd is. Die handelwijze maakt het de geïntimeerde onmogelijk om van bij de aanvang van het hoger beroep zijn verweer voor te bereiden en voor te dragen en doet een verdubbeling van de procedure ontstaan i.p.v. een behandeling in hoger beroep. De nietigheid vermeldt in art. 1057 van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel een betrekkelijke nietigheid in de zin van art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat geïntimeerde haar belangenschade dient te bewijzen.
  2. De voorlopige tenuitvoerlegging geschiedt krachtens art. 1398, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement. Dit houdt in dat deze partij zelf de nadelige gevolgen moet dragen van de voorlopige tenuitvoerlegging, indien de uitgevoerde rechterlijke beslissing nadien zou worden gewijzigd. Deze gevolgen omvatten zowel de teruggave van hetgeen bij de tenuitvoerlegging werd uitgewonnen als de vergoeding van de eventuele, door de tenuitvoerlegging veroorzaakte schade. Deze verplichting bestaat zonder dat daartoe kwade trouw of een fout in de zin van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek is vereist. Het betreft derhalve een foutloze aansprakelijkheid, inzonderheid een risicoaansprakelijkheid. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Algemeen Vrije woorden:
  3. verzoekschrift tot hoger beroep - grieven - nietigheid - belangenschade
  4. voorlopige tenuitvoerlegging - risicoaansprakelijkheid Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2008/AR/1884 IMMODEEL NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Vestingstraat 59, KBO-nummer 0428.461.272 appellante, vertegenwoordigd door Mr. C. DAEL loco Mr. DESMEDT August, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122 bus 14 tegen het vonnis gewezen op 09 mei 2008 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen R.G., ..., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. CAEYMAEX André, advocaat te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Prins Boudewijnlaan 177-179 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. R.G. heeft in de loop van 1988 in onderaanneming voor de nv Constant Goedleven de betonstudie gemaakt voor de bouw van een landhuis in opdracht van de nv Immodeel. Klaarblijkelijk werden na de bouw belangrijke doorbuigingen en barsten vastgesteld. Tussen bouwheer, hoofdaannemer en betoningenieur werd na beschikking in kort geding een gerechtelijk deskundigenonderzoek gehouden waarbij bleek dat de doorbuigingen te wijten waren aan een onderdimensionering van de wapening. Er volgde en bodemgeschil waarin de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de hoofdeis van de bouwheer Immodeel bij vonnis van 24/05/1994 ongegrond verklaarde tegen hoofdaannemer Constant Goedleven en gegrond tegen betoningenieur R.G.. Deze werd op grond van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek veroordeeld tot de betaling aan de bouwheer van de som van euro 20 751,15, provisioneel. De voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis werd toegestaan. Immodeel ging ook effectief over tot de tenuitvoerlegging en R.G. betaalde aan Immodeel een som van euro 26 494,38, hoofdsom, interesten en kosten en een som van euro 158,38, kosten van de betekening. R.G. tekende tegen zijn veroordeling hoger beroep aan op 31/08/
  7. Dit Hof heeft op 23/11/2005 een arrest gewezen waarbij het beroepen vonnis werd hervormd. Er werd geoordeeld dat R.G. als onderaannemer niet aanspreekbaar was op grond van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De hoofdaannemer nv Constant Goedleven werd op contractuele grondslag veroordeeld tot schadeloosstelling en R.G. werd tot vrijwaring gehouden van de nv Constant Goedleven. De nv Immodeel ging over tot uitvoering van dit arrest tegen de nv Constant Goedleven die op haar beurt de vrijwaring liet gelden tegen R.G., zodat deze een tweede maal betaalde. 1.
  8. R.G. was van mening dat hij recht had op terugbetaling van de som die hij in uitvoering van het hervormde vonnis van 24/05/1994 had betaald aan Immodeel en dat het arrest van dit Hof van 23/11/2005 hem daartoe de titel verschafte. Hij ging over tot betekening met bevel tot betaling. De nv Immodeel deed hiertegen verzet. De beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft dit verzet gegrond verklaard. De beslagrechter oordeelde dat het arrest van dit Hof van 23/11/2005 geen veroordeling van de nv Immodeel tot betaling aan R.G. bevatte. 1.
  9. Vervolgens hebben R.G. en de nv Protect, de verzekeraar van de beroepsaansprakelijkheid van R.G., op 16/08/2007 een dagvaarding uitgebracht tegen nv Immodeel om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen teneinde deze er te zien en te horen veroordelen tot de betaling van een som van euro 51 361,69, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding en met de kosten van het geding. De gevorderde som was samengesteld uit de terug te betalen som van euro 26 494,38, de kosten van het bevel tot betaling en de interesten vanaf 01/08/1994 tot op 10/08/
  10. 1.
  11. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 09/05/2008 heeft: - de eis van R.G. onontvankelijk verklaard in zoverre deze betrekking had op de hoofdsom, - de eis van R.G. gedeeltelijk gegrond verklaard wat de gevorderde interesten, de munterosie en de kosten van het bevel tot betaling betreft door de nv Immodeel te veroordelen tot de betaling aan R.G. van de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet op de som van euro 26 494,38 vanaf 01/08/1994 tot op 23/11/2005 en de moratoire interesten naar rato van de wettelijke rentevoet op de som van euro 26 949,69 vanaf 23/11/2005 tot 13/09/2007, alsook tot de som van euro 158,38, vermeerderd met de moratoire interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 13/09/2007 tot op de dag van de gehele betaling, - de eis van de nv Protect ongegrond verklaard. De nv Immodeel werd verwezen in de proceskosten aan de zijde van R.G.. De eerste rechter oordeelde dat de nv Protect geen eigen vorderingsrecht had tegen de nv Immodeel. De eerste rechter was van oordeel dat het arrest van dit Hof van 23/11/2005 wel degelijk de titel bevatte om R.G. toe te laten de terugbetaling van de hoofdsom af te dwingen van de nv Immodeel. De eerste rechter stelde bovendien vast dat de terug te betalen hoofdsom in de loop van het geding (op 13/09/2007) door de nv Immodeel werd terugbetaald, zodat nog slechts de gevorderde interesten en kosten in het geding waren. Wat de gevorderde interesten betreft was de rechtbank van oordeel dat nog geen titel bestond. Er werd geoordeeld dat de nv Immodeel op eigen risico had uitgevoerd en daardoor met toepassing van art. 1398 van het Gerechtelijk Wetboek haar risicoaansprakelijkheid had betrokken zodat ze diende in te staan voor de restitutie van de ontvangen gelden, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de dag van de betaling tot de dag van de wijzigende uitspraak en vanaf dan met de moratoire interesten tot op 13/09/
  12. De eerste rechter kende geen aparte vergoeding toe voor de munterosie omdat de vergoeding daarvan deel uitmaakt van de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet. De kosten van het betalingsbevel werden wel toegekend ten laste van de nv Immodeel. 1.
  13. De nv Immodeel, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 14/07/
  14. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 07/10/
  15. De eisen in hoger beroep. 2.
  16. Appellante vordert dat de oorspronkelijke eis van R.G. bij hervorming van het beroepen vonnis geheel ongegrond zou worden verklaard en dat deze laatste zou worden verwezen in de proceskosten van beide aanleggen. 2.
  17. R.G., hierna geïntimeerde genoemd, verzoekt het verzoekschrift tot hoger beroep van appellante nietig te verklaren. Hij verzoekt het hoger beroep vervolgens onontvankelijk en ontoelaatbaar te verklaren en appellante met bevestiging van het beroepen vonnis te veroordelen tot de betaling aan hem van de som van euro 24 851,26, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf 09/05/
  18. Hij vraagt appellante te verwijzen in de kosten van het hoger beroep, waarbij hij de rechtsplegingsvergoeding begroot volgens het maximumtarief wegens het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep. Ondergeschikt vraagt geïntimeerde het hoger beroep ongegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot de betaling aan hem van de som van euro 24 851,26, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf 09/05/
  19. Hij vraagt ook dan appellante te verwijzen in de kosten van het hoger beroep, waarbij hij de rechtsplegingsvergoeding begroot volgens het maximumtarief wegens het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep.
  20. De beoordeling. De (on-)toelaatbaarheid van het hoger beroep - nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep. 3.
  21. Geïntimeerde werpt de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep op. Hij voert daarbij aan dat appellante in strijd met art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek heeft verzuimd de grieven te vermelden waarop haar rechtsmiddel steunt. Hij roept zijn daardoor veroorzaakte belangenschade in, meer bepaald door de vertraging die de definitieve regeling van de rechten tussen partijen daardoor oploopt. Appellante betwist het beweerde verzuim en de schade die daardoor aan de zijde van geïntimeerde zou zijn ontstaan. Volgens appellante voldoet haar verzoekschrift wel degelijk aan de vereisten van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek. Zij besluit tot de regelmatigheid van haar verzoekschrift tot hoger beroep. 3.
  22. Het verzoekschrift tot hoger beroep moet krachtens art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven bevatten waarop het rechtsmiddel steunt. Deze grieven moeten zodanig worden uitgedrukt dat geïntimeerde met zekerheid weet om welke reden(en) appellant de beroepen beslissing aanvecht zodat hij zijn verweer hiertegen kan voorbereiden en voordragen. De grieven zullen tevens voor de appelrechter een aanduiding zijn waarop hij zijn onderzoek en zijn beslissing moet richten. Dit vereist dat de grieven voldoende specifiek, nauwkeurig en duidelijk zijn, zonder dat evenwel een gedetailleerde uiteenzetting nodig is. 3.
  23. Het verzoekschrift tot hoger beroep van appellant bevat een uitvoerige tekst van wel 8 bladzijden. Bij nader onderzoek blijkt het motiverend deel van de tekst, waarin, volgens appellant, de grieven werden vermeld, te bestaan uit 3 delen: "X.I. De feiten - X.II. Respectieve gerechtelijke uitspraken - X.III. In rechte". De delen "X.I. De Feiten" en "X.II. Respectieve gerechtelijke uitspraken" blijken geen grieven tegen het beroepen vonnis te bevatten en handelen enkel over de feiten en de voorgaande rechtsgedingen tussen de partijen met aanduiding van wat er tussen partijen reeds definitief is beslecht en wat er nog in betwisting is. Deze tekst stemt letterlijk overeen met wat appellante reeds in haar conclusie in eerste aanleg van 04/10/2007 schreef. Het deel "X.III. In rechte" bevat, volgens appellante haar grieven tegen het beroepen vonnis. Het Hof stelt vast dat appellante in het onderdeel "X.III.
  24. Het arrest van het hof van beroep van 23 november 2005 heeft kracht van gewijsde" letterlijk de tekst heeft overgenomen van wat zij onder dezelfde titel schreef in haar conclusie in eerste aanleg van 04/10/
  25. Zij sluit dit onderdeel af met de toevoeging: "Ten onrechte heeft de eerste rechter geen rekening gehouden met deze argumenten". Door deze bewoordingen heeft appellante niet duidelijk gemaakt op welke gronden zij zich door de aangevochten beslissing gegriefd acht. Zij heeft enkel een vage stijlformule toegevoegd die geïntimeerde niet in staat stelt te weten op welke grief hij zich moet verweren. Deze bewoordingen zijn des te onduidelijker omdat de eerste rechter zeer uitvoerig is ingegaan om de argumentatie van appellante en deze ook gedeeltelijk volgde wat de gevorderde veroordeling tot terugbetaling van de hoofdsom betreft. Die werd namelijk, zoals door appellante gevraagd, onontvankelijk verklaard. Appellante geeft in haar verzoekschrift tot hoger beroep nergens aan op welk punt of op welke wijze de eerste rechter zich zou hebben vergist. Het Hof stelt verder vast dat appellante in het onderdeel "X.III.
  26. Geen titel tot uitvoering" opnieuw letterlijk de tekst heeft overgenomen van haar conclusie in eerste aanleg van 04/10/2007, aangevuld met de bewoordingen: "Ten onrechte heeft de eerste rechter geen rekening gehouden met deze argumenten". Dezelfde stijlformule, als voormeld, werd ook hierbij gehanteerd waardoor werd verzuimd de grieven tegen de beoordeling door de eerste rechter voldoende duidelijk en nauwkeurig uit te drukken. De eerste rechter heeft de argumentatie, die appellante voordroeg, nochtans uitvoerig beantwoord en weerlegd. Appellante heeft echter niet aangegeven op welke de gronden zij zich door de beoordeling in eerste aanleg gegriefd acht. Het Hof stelt verder vast dat appellante zich in het onderdeel "X.III.
  27. Geen schade in hoofde van verweerder op verzet" wederom heeft beperkt tot de (bijna) letterlijke overname van wat zij onder dezelfde titel schreef in haar conclusie in eerste aanleg van 04/10/
  28. Zij voegde daar nog een loutere stijlformule aan toe: "De eerste rechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met deze argumentatie die zij onbesproken heeft gelaten". Deze vermelding is bovendien erg onduidelijk omdat in het beroepen vonnis wel degelijk op de argumentatie van appellante geantwoord is in alinea 6,7 en 8 op bladzijde 9 van het vonnis. Op welke grond appellante zich door deze beoordeling gegriefd acht blijft volstrekt onduidelijk. Het Hof stelt verder vast dat appellante in het onderdeel "X.III.
  29. Dubbele verliespost en schadebeperkingsplicht" opnieuw dezelfde handelwijze heeft gehanteerd. Zij heeft haar conclusie in eerste aanleg van 04/10/2007 louter geciteerd en eraan toegevoegd: "Volkomen ten onrechte stelt de eerste rechter dat verzoekster de verantwoordelijkheid draagt van deze trage rechtsgang", wat ook slechts als een stijlformule geldt. Daaraan wordt niet afgedaan door de bijkomende toevoeging dat geïntimeerde de meest gerede partij was om de nodige procedurele inspanningen te leveren. De eerst rechter heeft immers dat argument beantwoord met verwijzing naar het tussen partijen door dit Hof gewezen arrest van 23/11/2005 zodat de loutere herhaling van het argument geen grief uitdrukt waaruit zou kunnen blijken dat de eerste rechter zich heeft vergist en waardoor het voor geïntimeerde duidelijk wordt waartegen hij zich dient te verweren. Uit het voorgaande blijkt ook dat het normdoel van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek niet werd bereikt. Het komt het Hof voor dat appellante haar standpunten, zoals zij die heeft ingenomen in eerste aanleg, opnieuw aan de appelrechter wil voorleggen zonder aan te duiden door welke beoordeling in eerste aanleg ze concreet gegriefd is. Die handelwijze maakt het de geïntimeerde onmogelijk om van bij de aanvang van het hoger beroep zijn verweer voor te bereiden en voor te dragen en doet een verdubbeling van de procedure ontstaan i.p.v. een behandeling in hoger beroep. 3.
  30. De nietigheid vermeldt in art. 1057 van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel een betrekkelijke nietigheid in de zin van art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek Het behoort geïntimeerde haar belangenschade te bewijzen. Geïntimeerde voert aan dat zij schade lijdt door het verzuim de grieven te vermelden in het verzoekschrift tot hoger beroep of door zich te beperken tot grieven onder de vorm van stijlformules. Zij laat gelden dat zij daardoor de draagwijdte van de grieven niet heeft kunnen nagaan van bij aanvang van het geding in hoger beroep en de rechtspleging werd vertraagd. Het Hof stelt vast dat partijen bij inleiding van het hoger beroep ter terechtzitting van 17/09/2008 een schriftelijk akkoord over het in gereedheid brengen van de zaak neerlegden en er overeenkomstig een procedurekalender door het Hof werd vastgesteld. De rechtspleging in hoger beroep kende een normaal verloop, conform het akkoord van partijen, zonder enige vertraging. Geïntimeerde bewijst dan ook niet dat het gebrekkig verzoekschrift tot hoger beroep van appellante haar belangen heeft geschaad . De exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep wordt afgewezen. Het hoger beroep van appellante is toelaatbaar. Over de grond. 3.
  31. Appellante voert aan dat het gezag van het rechterlijk gewijsde van het arrest van dit Hof van 23/11/2005 en van het vonnis van de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23/02/2007 er aan in de weg staat dat over de eis van geïntimeerde thans zou worden geoordeeld. De eerste rechter heeft de oorspronkelijke eis van geïntimeerde onontvankelijk verklaard in zoverre die betrekking had op de terugvordering van een hoofdsom van euro 26 494,
  32. Deze beslissing steunde op de redengeving dat het arrest van dit Hof van 23/11/2005 impliciet de veroordeling van appellante inhield tot de terugbetaling van de voormelde som. Aldus heeft de eerste rechter het gezag van het rechterlijk gewijsde in acht genomen en toepassing gemaakt van art. 25 van het Gerechtelijk Wetboek. Er is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel ingediend. De eerste rechter heeft de oorspronkelijke eis van geïntimeerde ontvankelijk verklaard in zoverre die betrekking had op de schadevergoeding, onder de vorm van rente, die geïntimeerde vorderde ter compensatie van de schade door het gemis van de som van euro 26 494,38 in zijn vermogen vanaf de gedwongen voorlopige tenuitvoerlegging tot op de dag van de terugbetaling. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich volgens art. 23 van het Gerechtelijk Wetboek niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp heeft uitgemaakt van die beslissing. Het Hof heeft zich in zijn arrest van 23/11/2005 expliciet noch impliciet uitgesproken over de door geïntimeerde thans gevorderde schadevergoeding. Hetzelfde geldt voor het vonnis van de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23/02/
  33. Het Hof treedt de beoordeling van de eerste rechter bij wat de ontvankelijkheid van de eis van geïntimeerde betreft. 3.
  34. De voorlopige tenuitvoerlegging geschiedt krachtens art. 1398, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement. Dit houdt in dat deze partij zelf de nadelige gevolgen moet dragen van de voorlopige tenuitvoerlegging, indien de uitgevoerde rechterlijke beslissing nadien zou worden gewijzigd. Deze gevolgen omvatten zowel de teruggave van hetgeen bij de tenuitvoerlegging werd uitgewonnen als de vergoeding van de eventuele, door de tenuitvoerlegging veroorzaakte schade. Deze verplichting bestaat zonder dat daartoe kwade trouw of een fout in de zin van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek is vereist. Het betreft derhalve een foutloze aansprakelijkheid, inzonderheid een risicoaansprakelijkheid. De schuldeiser die tot uitvoering van zijn precair recht is overgegaan, loopt aldus het risico bij latere wijziging van dat recht tot integrale schadeloosstelling van de schuldenaar gehouden te zijn. 3.
  35. Het behoort geïntimeerde het bewijs te leveren van zijn schade. Deze laat gelden dat de som, die hij aan appellante betaalde ingevolge de gedwongen uitvoering, gedurende ongeveer 13 jaar uit zijn vermogen is genomen en dat hij daardoor niet over deze som kon beschikken. Appellante werpt tegen dat geïntimeerde geen schade bewijst vermits hij, zelfs indien hij de door de voorlopige tenuitvoerlegging betaalde som niet aan haar moest betalen, dezelfde som in het raam van zijn vrijwaringsplicht t.a.v. aannemer C. Goedleven toch had moeten betalen aan laatstgenoemde. Deze voorstelling van zaken was echter op het tijdstip van de gedwongen tenuitvoerlegging een loutere hypothese. Aannemer C. Goedleven had destijds geen titel tegen geïntimeerde. Zijn destijds ingediende eis in vrijwaring tegen geïntimeerde werd in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24/05/1994, waarop appellante haar voorlopige tenuitvoerlegging heeft gesteund, zonder voorwerp bevonden. Aannemer C. Goedleven verkreeg slechts een titel tegen geïntimeerde bij arrest van dit Hof van 23/11/
  36. Het gevolg van dit alles was dat geïntimeerde de betaalde som gedurende al die jaren niet in zijn vermogen had en bovendien dat hij nog een tweede maal heeft moeten betalen zonder dat hij zijn eerste betaling kon recupereren zonder rechterlijke tussenkomst. De schade van geïntimeerde ten gevolge van de gedwongen tenuitvoerlegging door appellante is dan ook bewezen. Die schade bestaat erin dat de terug te betalen som uit het vermogen van geïntimeerde is gegaan en er slechts na 13 jaar is teruggekeerd, zodat geïntimeerde daarover niet heeft kunnen beschikken en/of de normaal door die som voortgebrachte financiële opbrengst heeft moeten derven. 3.
  37. Volgens appellante was deze schade echter aan geïntimeerde zelf te wijten omdat hij heeft nagelaten de voortzetting van zijn hoger beroep tegen het voorlopig ten uitvoer gelegde vonnis te benaarstigen en zodoende tekort kwam aan zijn schadebeperkingsplicht. Dit argument slaat op het oorzakelijk verband tussen de voorlopige tenuitvoerlegging en de schade van geïntimeerde. In zoverre de schade van geïntimeerde ingevolge vertraging bij de terugbetaling (mede) veroorzaakt werd door zijn eigen fout, blijft de schade ten laste van geïntimeerde. Geïntimeerde heeft geen recht op vergoeding van de door zijn fout veroorzaakte schade. Het blijkt dat geïntimeerde op 31/08/1994 hoger beroep instelde tegen het veroordelend vonnis van 24/05/1994 op grond waarvan hij op 01/08/1994 gedwongen werd te betalen aan appellante. Dit hoger beroep werd door het Hof op 02/12/1997 met toepassing van art. 730, §2a. van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve weggelaten van de rol bij gebreke van enig initiatief van partijen tot voortzetting van het geding. De zaak werd dan terug ingeschreven op de rol op 20/09/2004 op initiatief van de nv Constant Goedleven. Vervolgens kende de rechtspleging een normaal verloop tot aan het arrest van dit Hof van 23/11/
  38. Aldus komt vast te staan dat geïntimeerde na het instellen van hoger beroep tegen het voor hem nadelig vonnis van 24/05/1994 en na de gedwongen tenuitvoerlegging bij voorraad van dat vonnis gedurende een abnormaal lange tijd heeft gewacht om zijn hoger beroep verder te zetten. Die voortzetting kwam er slechts nadat de derde betrokken partij, na tien jaar, het initiatief daartoe nam. Een normaal voorzichtige en bedachtzame procespartij, geplaatst in dezelfde concrete situatie als geïntimeerde, wacht geen 10 jaar om een door hem zelf ingesteld hoger beroep verder te zetten. Door deze proceshouding beging geïntimeerde een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht. De schade door vertraging bij de terugbetaling is deels door de eigen fout van geïntimeerde veroorzaakt. 3.
  39. Zoals door de eerste rechter terecht geoordeeld, wordt de schade van geïntimeerde, na de terugbetaling van de hoofdsom, integraal vergoed door de toekenning van vergoedende interesten vanaf de dag van de betaling. Het feit dat de terugbetaling pas opeisbaar was vanaf het arrest van dit Hof van 23/11/2005, waarbij het precair recht van appellante tegen geïntimeerde werd gewijzigd, verhindert niet dat integrale schadevergoeding verschuldigd is zoals veroorzaakt door de onterechte voorlopige tenuitvoerlegging. Vanaf de dag van de wijzigende uitspraak zijn dan met toepassing van art. 1153 van het Burgerlijk Wetboek moratoire interesten verschuldigd. Er mee rekening houdend dat een deel van de schade van geïntimeerde veroorzaakt werd door zijn eigen foutieve proceshouding, en in acht genomen de wettelijke rentevoet in de relevante periode, zal de door appellante veroorzaakte schade vergoed zijn door de toekenning aan geïntimeerde van vergoedende interesten op de terug te betalen som naar rato van een gereduceerde rentevoet van 5%, d.i. een lagere dan de wettelijke rentevoet. Door de toekenning van deze vergoedende interesten wordt niet alleen het vertraag in de betaling maar ook de muntontwaarding vergoed. Aldus komt geïntimeerde toe: - vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar op de som van euro 26 484,38 vanaf 01/08/1994 tot 23/11/2005: euro 15 013,23 - verwijlinteresten naar rato van de wettelijke rentevoet op de som van euro 26 484,38 vanaf 23/11/2005 tot op 13/09/2007: euro 3 160,84 - kosten betekening bevel tot betaling: euro 158,38 Totaal: euro 18 332,
  40. Deze som wordt vermeerderd met de gerechtelijke moratoire rente naar rato van de wettelijke rentevoet. Deze rente vervalt, gezien het door geïntimeerde gevorderde, slechts vanaf 09/05/2008 tot op de dag van de betaling. De kosten 3.
  41. De proceskosten worden met toepassing van art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek omgeslagen in die mate dat appellante wordt verwezen in 3/4de en geïntimeerde in 1/4de van die kosten. Geïntimeerde vordert de toekenning van rechtsplegingsvergoeding naar rato van het maximumbedrag wegens het kennelijk onredelijk karakter van de situatie (art. 1022, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek). Uit de redenen die geïntimeerde aanhaalt blijkt dat hij meent het verhoogde tarief te kunnen laten steunen op de beweerde tergende en roekeloze proceshouding van appellante. Het art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, 3de lid, 4de criterium blijft echter vreemd aan het begrip procesrechtsmisbruik (Parl.St.Senaat 2006-07, nr.3-1686/4,p.4). OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  42. Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke eis van geïntimeerde in volgende mate gegrond. Veroordeelt appellante nv Immodeel tot de betaling aan geïntimeerde R.G. van de som van euro 18 332,45, vermeerderd met de gerechtelijke moratoire rente vanaf 09/05/2008 tot op de dag van de betaling. Wijst het meer gevorderde af. Verwijst appellante en geïntimeerde respectievelijk in 3/4de en 1/4de van de proceskosten van beide aanleggen, in hun geheel, - aan de zijde van appellante niet vereffend bij gebreke van omstandige opgave (art. 1021, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, - aan de zijde van geïntimeerde vereffend, wat de eerste aanleg betreft zoals vermeld in het beroepen vonnis, op de kosten van dagvaarding en rolstelling van euro 253,57 en een rechtsplegingsvergoeding van euro 2 000, en wat het hoger beroep betreft, op een rechtsplegingsvergoeding van euro 2
  43. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 2 december
  44. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter V. LENDERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS K. VAN HAELST V. LENDERS F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091202.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.