id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091217.17 Rolnummer: 243 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-07-03 00:38 Fiche
- De wetgever heeft aan de feitenrechter de keuze gelaten de zaak al dan niet over te maken aan het Openbaar Ministerie. Artikel 189ter, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering wordt daardoor niet zonder inhoud, vermits het ook toelaat alsnog een zaak ter 'bomcontrole' te verzenden, indien geen dergelijke controle werd uitgevoerd. Evenmin heeft deze wettelijke bepaling een aan de cassatieprocedure parallelle procedure ingevoerd, waarbij het thans aan de grondrechter zou toekomen de door de Kamer van Inbeschuldigingstelling doorgevoerd BOM-controle op zijn wettigheid te controleren.
- De Onderzoeksrechter heeft dan ook impliciet maar zeker door dezelfde motivering aan te nemen als in zijn eerste beschikking tot afluisteren, geoordeeld dat om de redenen aangenomen in deze motivering een verlenging noodzakelijk was en daarmee voldaan aan de vormvereisten van artikel 90quinquies van het Wetboek van Strafvordering. Ook wanneer geen informatie middels de betrokken afluistermaatregel werd bekomen, kan deze worden verlengd, indien de initiële aanwijzingen van schuld en redenen om tot de betrokken onderzoeksmaatregel over te gaan nog steeds geldig en actueel zijn.
- Dat deze in België actieve criminele organisatie deel heeft uitgemaakt van een groter internationaal geheel, waarbij nog andere personen leidinggevend waren en waaraan deze beklaagde ondergeschikt was, is niet relevant. Voor België stond beklaagde aan de top van de piramide. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden:
- strafprocesrecht - BOM controle - wettigheidsincident - verzending naar de KI - geen verplichting - geen controle door de grondrechter van de KI
- strafprocesrecht - afluistermaatregel - geen resultaten - verlenging - geen automatische verlening - bijzondere motivering
- strafrecht - criminele organisatie - leidinggevend in België - ondergeschikt in ruimer internationaal verband Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 235ter Wetboek van Strafvordering - 189ter Nota: De voorziening in cassatie tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 11 mei 2010 P.10.0191.N Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 17 december 2009 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) Gelet op het arrest van het Hof van beroep te Gent, achtste kamer, op tegenspraak gewezen op 6 januari 2009, beslissende als volgt: Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en er over beslissend: Verklaart het tweede hoger beroep, aangetekend door K. M. op 29 juni 2008 zonder voorwerp; Doet het bestreden gedeelte van het aangevochten vonnis (ref.I), verleend op tegenspraak ten aanzien van K. N., K. M. en G. G. door de 19° correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 16 juni 2008 teniet; Doet het bestreden vonnis (ref.II) op tegenspraak en op verzet gewezen ten aanzien van K. A. door de Vakantiekamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 23 juli 2008 teniet, behoudens in zoverre het verzet in de mate zoals beperkt door de eerste" rechter toelaatbaar (impliciet ontvankelijk) werd verklaard; Opnieuw wijzende: Wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot het onbepaald uitstellen van de behandeling van deze zaak af, dit op grond van de hoger in het overwegend gedeelte van dit arrest aangehaalde motieven; Zegt dat er geen aanleiding is om de door beklaagde K. M. geformuleerde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof; Zegt voor recht dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen strafproces, in zijn geheel beschouwd, niet voldoet aan de vereisten van een behoorlijke rechtsbedeling, zoals omschreven in het artikel 6.1 E.V.R.M.; Zegt voor recht dat, ingevolge het schenden van de rechten van verdediging, het bewijs geput uit de bijzondere opsporingsmethode van observatie, als niet toelaatbaar dient te worden geweerd; Verklaart derhalve de strafvordering niet ontvankelijk; Laat de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat; Laat de tolkkosten, gevallen in de beide aanleggen, eveneens ten laste van de Staat. (...) Gelet op het arrest van het Hof van Cassatie gewezen op 3 maart 2009 beslissende, onder meer, als volgt: Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. (...) Het recht op een eerlijk proces Beklaagde N. K. concludeert tot de verzending van de zaak naar het Openbaar Ministerie ten einde de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering. Hij steunt dit verzoek op artikel 189ter vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Beklaagde A. K. sluit zich hierbij aan. De wetgever heeft op 16 januari 2009 een vierde lid toegevoegd aan artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering en met name: "Buiten het in het eerste lid bedoelde geval, kan de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle". Naar deze beklaagde voorhoudt is er te dezen sprake van een wettigheidsincident. De begane onregelmatigheid zou terug te brengen zijn op de tekstuele interpretatie van het (oude) art. 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat door de toenmalige verwarrende libellering aanleiding kon geven tot verschillende interpretaties waarin slechts met het arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 duidelijkheid werd geschapen. De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde (Cass. 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3, http://jure.juridat.just.fgov.be ). Geen redenen noch gronden worden verder door beklaagden aangebracht die het Hof thans ertoe zou moeten doen besluiten de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie ten einde deze bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling aan te brengen. Het Hof bemerkt thans evenmin enige grond om tot overzending aan het Openbaar Ministerie te besluiten. Het Hof mag overigens de beslissing van de Kamer van de Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken (Cass. 21 april 2009, P.09.0428.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.11, http://jure.juridat.just.fgov.be ). De ter zake door de beklaagde N.K. aangevoerde redenen dat de wetgever aan de vonnisrechter de bevoegdheid heeft gegeven om een onregelmatigheid in een eerdere BOM-controle te beoordelen en te remediëren zijn niet afdoende. De wetgever heeft immers aan de feitenrechter de keuze gelaten de zaak al dan niet over te maken aan het Openbaar Ministerie. Artikel 189ter, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering wordt daardoor niet zonder inhoud, vermits het ook toelaat alsnog een zaak ter "bomcontrole" te verzenden, indien geen dergelijke controle werd uitgevoerd. Evenmin heeft deze wettelijke bepaling een aan de cassatieprocedure parallelle procedure ingevoerd, waarbij het thans aan de grondrechter zou toekomen de door de Kamer van Inbeschuldigingstelling doorgevoerd BOM-controle op zijn wettigheid te controleren. Het Hof maakt de zaak dan ook niet over aan het Openbaar Ministerie. Het komt het Hof toe in het geheel van de gevoerde procedure te beoordelen of het recht op een eerlijk proces in hoofde van elke beklaagde werd gerespecteerd. Het Hof dient vast te stellen, zonder dat zij daardoor in de beoordeling treedt van de procedures die werden gevoerd voor andere rechtscolleges en wiens beslissingen enkel kunnen worden bestreden middels de daartoe geëigende rechtsmiddelen, dat in zijn totaliteit genomen elke beklaagde tot op heden een eerlijk proces heeft gehad. Overigens laten beklaagden ter zake geen middelen gelden, uitgezonderd het opgeworpen middel inzake de BOM-controle. De rechten van verdediging werden niet onherstelbaar aangetast. Overigens zet beklaagde N. K. ook niet uiteen waarom het onontvankelijk verklaren van de strafvordering te dezen het enige middel is om een schending van het recht op een eerlijk proces, aangenomen dat een schending zou dienen te worden vastgesteld, te herstellen, afgezien van de mogelijkheid de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie om een nieuwe BOM-controle te laten doorvoeren. Afluistermaatregel Beklaagde N. K. overweegt verder terecht dat te zijnen laste het bewijs overwegend steunt op afluistermaatregelen, die allen, uitgezonderd deze op het nummer 0485/92.80.11, voortvloeien uit de beschikking van 17 maart 2007 op het nummer 0484/14.59.73 dat werd gebruikt door G. G.. Hij laat vervolgens gelden: "Concluant stelt bij lezing van de tapbeschikkingen vast dat de eerste twee verlengingen van de tapmaatregel op het nummer 0484/14.59.73 van de heer G. G., respectievelijk verleend op 16 april 2007 en 15 mei 2007, op identieke wijze gemotiveerd werden als de tapmaatregel die zij verlengden" (conclusies van beklaagde N.K., blz. 5). Uit deze, overigens terechte vaststelling, concludeert beklaagde onjuist dat daarom de twee laatstgenoemde beschikkingen nietig zouden zijn, gelet op artikel 90quinquies van het Wetboek van Strafvordering. Deze beklaagde overweegt immers terecht dat de eerste afluistermaatregel, waarvan de uitvoering een aanvang heeft genomen op 18 maart 2007 geen resultaten heeft opgeleverd, zodat het wel noodzakelijk was dat er verder werd afgeluisterd. Hij overweegt onder meer: "...: het bewijs lastens concluant werd pas verkregen vanaf het verlengen van de eerste tapmaatregel op het nummer 0484/**** van de heer G. G." (conclusies van beklaagde N. K., blz. 5). Er is te dezen, anders dan deze beklaagde stelt, evenwel geen automatische verlenging van de initiëel bevolen afluistermaatregel tussengekomen. De Onderzoeksrechter heeft telkenmale een nieuwe beschikking genomen. De wetgever heeft bedoeld en beoogd dat maandelijks de opportuniteit van de betrokken onderzoeksmaatregel door de Onderzoeksrechter wordt afgewogen, opdat, indien afdoende informatie werd bekomen en dus de afluistermaatregel à charge of à décharge succesvol is geweest, geen verdere inbreuken op de privacy dienen te worden gemaakt. Anders dan beklaagde in zijn conclusie voorhoudt, betekent dit niet dat wanneer geen informatie middels de betrokken afluistermaatregel werd bekomen, deze niet zou mogen worden verlengd, indien de initiële aanwijzingen van schuld en redenen om tot de betrokken onderzoeksmaatregel over te gaan nog steeds geldig en actueel zijn. Het middel van beklaagde dat wanneer er geen bevestiging was van de aanvankelijke informatie die geleid heeft tot de afluistermaatregel, deze aanvankelijke informatie niet meer actueel of dienend zou zijn, zodat de maatregel niet mag worden verlengd, faalt. De Onderzoeksrechter heeft dan ook impliciet maar zeker door dezelfde motivering aan te nemen als in zijn eerste beschikking tot afluisteren, geoordeeld dat om de redenen aangenomen in deze motivering een verlenging noodzakelijk was en daarmee voldaan aan de vormvereisten van artikel 90quinquies van het Wetboek van Strafvordering (Cass. 31 mei 2005, P. 05.0427.N, onuitg. en geciteerd in RABG, 2005, blz.1530). Dat de Onderzoeksrechter andere verlengingen wel uitdrukkelijk heeft gemotiveerd bevestigt deze zienswijze: immers deze uitdrukkelijk motivering van de verlenging was alsdan wel nodig nu nieuwe informatie door de te verlengen afluistermaatregel was bekomen. De Onderzoeksrechter heeft in onderhavig gerechtelijk onderzoek dan ook steeds nieuwe informatie verwerkt in zijn beschikkingen tot verlenging. Dat beklaagde de door de onderzoeksrechter gemaakte beoordeling door de afluistermaatregel te verlengen benoemt als een vooringenomenheid of een tunnelvisie, omdat geen bevestiging van de initiële informatie kon worden bekomen, is niet relevant. Het belet niet dat deze zienswijze van de onderzoeksrechter wel een legitieme beoordeling is, die op zich een afdoende motivering vormt voor een verlenging van de betrokken afluistermaatregel door de initiële motivering aan te nemen. Geen verdere gronden worden door beklaagde aangevoerd en geen andere gronden zijn voorhanden om de beschikkingen tot afluisteren en de uitvoering ervan, en dus de daaruit voortgekomen onderzoeksresultaten, nietig te verklaren of als bewijs uit te sluiten. A fortiori leveren deze onderzoeksmaatregelen en hun uitvoering geen grond tot onontvankelijkheid van de strafvordering op. De schuldvraag Beklaagde N. K. wordt te dezen enkel vervolgd deel te hebben uitgemaakt in België van een criminele organisatie en daarbij de leidinggevende persoon te zijn geweest. Dit feit, zoals omschreven onder de tenlastelegging G, is bewezen. Dat deze in België actieve criminele organisatie deel heeft uitgemaakt van een groter internationaal geheel, waarbij nog andere personen leidinggevend waren en waaraan deze beklaagde ondergeschikt was, is niet relevant. Voor België stond beklaagde aan de top van de piramide. Deze beklaagde is overigens niet geloofwaardig in zijn verklaring geen vermogensvoordelen te hebben geput uit deze hem ten laste gelegde misdrijven. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091217.17 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.