id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100120.8 Rolnummer: 61 P 2005 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-02-18 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Fiche De machtiging om alsnog de herstelmaatregelen zelf uit te voeren heeft geen betrekking op de uitlegging van een rechterlijke beslissing en kan evenmin bekomen worden middels een dwangsomprocedure. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Herstelvordering Vrije woorden: Strafrecht - stedenbouw - herstelmaatregel - gezag van gewijsde - strekking - uitlegging - dwangsomrechter Nota: Beroep in cassatie verworpen bij arrest van 25.01.2011 (P.10.0279.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.3) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 januari 2010 te Antwerpen, Twaalfde kamer (...) Rechtstreeks gedaagd bij exploot d.d. 4 oktober 2007 van Michaël Drieskens, vervanger van Paul Jansen, gerechtsdeurwaarder ter standplaats Genk, er kantoorhoudende Grotestraat 59, aangezegd aan de Procureur-generaal bij exploot d.d. 9 oktober 2007 van Etienne Megroedt, gerechtsdeurwaarder met standplaats te Antwerpen, er kantoor houdende aan de Grétrystraat 29 de rechtstreekse dagvaarding luidende als volgt: Verzoeker werd aangeduid om op grond van artikel 7§2,2°
- a)van het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid inspectie RWO om de gerechtelijke herstelmaatregelen, bedoeld in artikel 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, uit te voeren. Verweerders van hun kant zijn eigenaar van het Kasteel van H, gelegen te H. , gekadastreerd sectie A, perceelnummer ... A groot 31 a 63 ca, met inbegrip van de hoeve (perceel nr. ...
- c)en tevens van de omliggende percelen, beschermd als monument en dorpsgezicht bij Besluit van de Secretaris - Generaal van Openbaar Onderwijs 3.07.1942 en van 19.07.1943 en bij Koninklijk Besluit van 3.07.1981. De 12de kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen, zetelende in correctionele zaken, heeft op 12 oktober 2006 een arrest gewezen waarin eerste en tweede verweerder strafrechtelijk werden veroordeeld o.m. omdat zij als eigenaar van een beschermd monument of van een beschermd stad- of dorpsgezicht deze niet in goede staat hebben gehouden, hebben ontsierd of beschadigd of vernielingen hebben aangebracht. Verweerders werden bij voornoemd arrest van 12 oktober 2006 tevens veroordeeld om binnen een termijn van drie jaar ingaande vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest, over te gaan tot het herstel van de plaats in de vorige staat, hetgeen inhoudt "herstelling van de dakspanten, muurplaten en ankerbalken van kasteel en hoevegebouwen, vernieuwen van alle dakbedekkingen van kasteel en hoevegebouwen en het dichten van raam- en deuropeningen." Het arrest is in kracht van gewijsde getreden opzichtens tweede verweerder op 28.10.2006, nl. door het verstrijken van de beroepstermijn van 15 dagen na uitspraak van het arrest, en opzichtens tweede verweerder op 6.03.2007, nl. door en na verwerping van het door tweede verweerder ingestelde cassatieberoep. Dit betekent in concreto dat actueel de termijn van 3 jaren waarbinnen de door het Hof bevolen herstelmaatregelen dienden uitgevoerd te zijn, ten opzichte van eerste verweerder al 10 maanden loopt en ten opzichte van tweede verweerder al 6 maanden. Op 7 augustus 2007 heeft verzoeker verweerders in kort geding gedagvaard voor de Voorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, zetelend als rechter in kort geding teneinde om machtiging te vragen zeer dringende CONSOLIDERINGSWERKEN aan het kasteel en de schuur uit te voeren. De zaak zal in kort geding op 15.10.2007, gepleit worden. Thans wordt ook een procedure ten gronde met het oog op de machtiging tot planning en uitvoering van de bij arrest opgelegde DEFINITIEVE INSTANDHOUDINGSWERKEN uit te voeren voor rekening van verweerders, gedekt door de wettelijke hypotheek conform art. 15, par. 4, 5de lid decreet van 3 maart 1976. Verzoeker is verplicht deze initiatieven te nemen, vermits de verwerende partijen als eigenaar TOTAAL INERT blijven. Concluante wenst een rechterlijke titel te bekomen die aangepast is aan de geëvolueerde omstandigheden, zijnde de snelle degradatie van het Kasteel en de bijhorende gebouwen en de vaststelling dat verweerders totaal inert blijven. ` Immers, in geval van weigering van de veroordeelde partij om over te gaan tot het uitvoeren van de verbintenis waartoe hij werd veroordeeld, is het mogelijk dat de schuldeiser zich opnieuw tot de rechter wendt. Het is perfect mogelijk dat de Rechter ten gronde, en bij urgentie de Voorzitter in kortgeding, nadere maatregelen kan bevelen om de gerechtelijke verbintenis van de schuldenaar te vrijwaren zoals het doen uitvoeren van werken op kosten van de debiteur. (zie DE LEVAL, G., Traité des Saisie, Luik, Université de Liège, 1988, 29; DIRIX, E. Beslag, APR, Story, 2001, p. 7, nr. 9; NORMAND, J., Jurisprudence française en matière de droit juridicaire privé, RTDC, 1985, 610 en Pad. B., 200, nr. 17; WAGNER, K., Dwangsom, APR, Story-scientia, 2003, 80-84). De machtiging tot het uitvoeren van deze werken zal het gezag van gewijsde van het arrest van 12 oktober 2006 van het Hof van Beroep te ANTWERPEN geenszins miskennen, integendeel is dit de enige wijze om de uitspraak uit te voeren lastens verweerders in overeenstemming met het gezag van gewijsde. Het gezag van gewijsde van het arrest van 12.10.2006 kan maar miskend worden wanneer een latere beslissing onverenigbaar zou zijn met de eerste uitspraak (Cass. 23.06.1995, Arr. Cass. 1995, 658; Cass. 8.06.1984, Arr. Cass. 1983-84, 1327; Cass. 20.02.1975, Arr. Cass. 696)- quod non in casu -. In casu werd een publieke herstelmaatregel bevolen die in eerste instantie door de veroordeelden ZELF diende uitgevoerd te worden en dit binnen de gestelde termijn van 3 jaren. Deze termijn is geen respijttermijn, erop gericht aan de veroordeelden de mogelijkheid te geven om nog gedurende die termijn zonder sanctie in strijd met de wet en de uitspraak "niets" te doen (vb. de termijn van art. 1244 BW), maar wel een uitvoeringstermijn die de veroordeelden in staat moet stellen, gelet op de omvang van de bevolen handeling, deze handeling uitgevoerd te krijgen (Benelux Gerechtshof 25 juni 2002, A2000/4/7, randnr. 10). Immers, de bepaalde hersteltermijn impliceert geen recht op inertie gedurende 3 jaar, maar integendeel een verplichting tot volledig handelen binnen de 3 jaren, rekening houdend met de aard en de omvang van de bevolen werken in combinatie met de daarvoor toegekende uitvoeringstermijn. Dit betekent in casu dat veroordeelden de werken TIJDIG moeten plannen, aanbesteden en aanvatten om ze, gelet op hun aard en omvang, binnen de termijn uitgevoerd te krijgen conform het arrest. De bevolen werken zijn echter zo omvangrijk en tijdrovend, dat, gelet op het verstrijken van respectievelijk 10 en 6 maanden zonder uitvoering van enig werk, de tijdslimiet waarbinnen de werken die zij reeds hadden moeten uitvoeren om tijdig alle werken voltooid te krijgen, verstreken is. Immers, technisch blijkt uit de technische nota van het Agentschap RO-Vlaanderen - Onroerend erfgoed Limburg dat de door het arrest bevolen werken zelf slechts uitvoerbaar zijn in 36 maanden, bestaande uit twee fasen: - de consolideringswerken die ertoe strekken een aantal zeer urgente werken uit te voeren om gaten te dichten en structuren recht te houden (8 maanden: 4 maanden ontwerp en gunning en 4 maanden uitvoering) - de definitieve werken, die ertoe strekken tot het eindresultaat te komen zoals bevolen tot het arrest (6 maanden ontwerp en gunning; 22 maanden uitvoering). De vordering is opportuun. De toestand van het onroerend goed is na de beoordeling van de staat van de gebouwen door Monumentenwacht d.d. 2.03.2006 en de uitspraak van het arrest van het Hof van Beroep van 12.10.2006 drastisch verslechterd, o.a, ingevolge volkomen uitblijven van consolideringswerken vanwege de eigenaars. De gaten in het dak en muren van het kasteel werden ongedicht gelaten met insijpeling en zelfs instroming van water bij elke regenbui tot gevolg, met (verdere) aantasting van gebouw en interieur. De historisch waardevolle schuur (grootste schuurconstructie van Limburg) en hoevegebouwen werden ongestabiliseerd gelaten, met gevolg dat de beschermde tipgevels en spanten verder ruïneren en het grote risico lopen in te storten, met totaal verlies van het monumentaal erfgoed en technische onuitvoerbaarheid van het arrest. De deterioratie werd trouwens al eerder bevestigd in kader van de begroting van de kosten van de instandhoudingswerken door architect KB, dewelke zijn strepen op het domein van de restauratie van beschermde monumenten al ruim heeft verdiend. In zijn eindconclusie omschrijft voornoemd architect de toestand van het Kasteel, schuur en hoeve als zorgwekkend en onderhevig aan snelle deterioratie. "tijdens verschillende plaatsbezoeken konden we ruimschoots vaststellen dat het geheel zich in een erg lamentabele toestand bevindt en aan een zeer hoog tempo aan waarden verliest." De fotoreportage dewelke aan het rapport van de architect is gevoegd bracht toen al de ernstige verwering en het gevaar op verdere instorting en verwering treffend in beeld. Deze verontrustende vaststelling wordt nog aangescherpt door een bijkomend verslag d.d. 24 juli 2007 opgesteld door dhr. GYSELINCK, hoofd van Agentschap R-O Vlaanderen, onroerend erfgoed Limburg, en een verslag van architect BL, gespecialiseerd in monumentenzorg, d.d. 28.09.2007 waaruit de steeds voortschrijdende aftakeling van zowel het Kasteel, als van de schuur als van de stallingen blijkt. Tenslotte werd het afbrokkelen van muren en daken bevestigd naar aanleiding van een vergadering op het gemeentehuis van H. d.d. 30.7,2007, alwaar de aanwezige Schepenen van de gemeente H. en méér in het bijzonder een Schepen, woonachtig nabij het Kasteel en de aanhorige gebouwen, bevestigden "de visu" deze vaststellingen te hebben gedaan. Er blijkt dus onbetwistbaar dat: - de waardevolle schuur op verdere instorting staat, - de muren en vooral de tipgevels van de hoevegebouwen bedreigd zijn door instorting / aantasting van de dakspanten en bedaking, - er risico bestaat voor verdere vernietiging door waterinfiltratie via gaten in het dak en muuropeningen van de structuur en het interieur van het Kasteel. Verweerders zijn dus degenen die veroordeeld werden door het arrest om bepaalde welomschreven werken uit te voeren; de verplichting deze werken uit te voeren rust in de eerste plaats op verweerders zelf (Arbitragehof 28 april 2004, www.arbitrage.be, 65/2004), dus niet op concluant. Verweerders dienen deze werken binnen een tijdspanne van 3 jaar ook effectief voltooid te hebben, bij gebreke waaraan een dwangsom zal kunnen verbeuren. De dwangsom is een bijkomend middel om de schuldenaar van een verplichting iets te doen aan te zetten dit te doen, op straffe van belangrijke bedragen te moeten betalen. (Antwerpen, 3de bis kamer, 16.10.2001, A.J.T. 2001-2002, 521). Benevens de door het arrest opgelegde herstelmaatregel rust op verweerders nog steeds een bijkomende absolute decretale verplichting (zelfs los van een veroordeling), zijnde het uitvoeren van de instandhoudings- en onderhoudswerken om het beschermd monument in goede staat te behouden en het verbod het Monument te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. (art. 11§1 decreet 3.03.1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten). Door NIETS te ondernemen, plegen verweerders niet alleen inbreuk op de herstelmaatregel, doch ook op de blijvende decretale verplichting. Verweerders brengen hun stilzitten in verband met interne onmin en insolvabiliteit. De realiteit is dat echter dat zij speculeren op een verkoop van domein - zonder werken te moeten uitvoeren - en op de (eventuele) uitvoering van werken door de derden, of op het laten verstrijken van de hersteltermijn, in welk geval de overheid - lees verzoeker - dus op kosten van de belastingbetaler de bevolen werken MOET uitvoeren (cf. arrest p. 11 in fine - art. 15 Decreet 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en de stads- en dorpsgezichten juncto artikel 7§2,2°
- a)van het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2005). Het is duidelijk dat een derde het kasteeldomein pas wil kopen indien een aantal randvoorwaarden vervuld zijn waarop noch verweerders, noch verzoeker vat hebben, nl. de aankoop van bijkomende gronden buiten het kasteeldomein, het opstarten en uitvoeren van een ruimtelijk uitvoeringsplan (duurtijd ongeveer 1,5 j.) waardoor actuele bestemmingsvreemde toepassingen ter plaatse mogelijk zouden zijn, en het ontwerp en de uitvoering van een globaal gemengd concept van horeca, recreatie, sport, enz.. De werken door een "derde" zouden dus in elk geval pas binnen middellange termijn kunnen starten en zijn in deze fase niet meer dan louter hypothetisch zelfs futuristisch, en in elk geval laattijdig om het moment te redden. Het "afwachten" van de uitvoering van werken door verzoeker als overheid, na verstrijken van de decretale en rechterlijke uitvoeringstermijn opgelegd aan verweerder, komt evenzeer als strijdig met de instandhouding van het monument lastens de eigenaars, voor. Verweerders beschouwen elke eigen of minnelijk toegelaten kost tot instandhouding of onderhoud als een minderprijs op een mogelijke verkoopprijs, hetgeen evenzeer miskenning uitmaakt van het rechterlijk bevel tot uitvoering van de herstelmaatregel en van de absolute decretale verplichtingen. Verweerders laten, ondanks hun veroordeling, nog steeds hun louter private vermogensrechtelijke belangen primeren op het algemeen belang tot behoud van het monument en het beschermde zicht. Verzoeker vraagt dan ook terecht machtiging van het Hof de door het Hof bevolen werken te plannen, te laten aanbesteden en te laten uitvoeren in plaats van verweerders en voor hun rekening. In het kader van de wettelijke plicht heeft verzoeker belang en het recht om een situatie te voorkomen waarbij de toestand van de gebouwen dusdanig verslechtert dat 1. het arrest onuitvoerbaar is of 2. dat het een vier- of vijfvoud zal kosten om het arrest te kunnen uitvoeren. OM DEZE REDENEN EN ALLE ANDERE REDENEN ZO NODIG TE DOEN GELDEN IN DE LOOP VAN HET GEDING EN ALHIER UITDRUKKELIJK VOORBEHOUDEN, De vordering van verzoekende partij ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; Verzoeker te machtigen om in de plaats en voor rekening van verweerders de hierna omschreven werken zoals bevolen door het arrest van 12/10/2006 van de 12de kamer lastens verweerders, met onmiddellijke ingang en voor rekening van verweerders te plannen, aan te besteden en uit te voeren, zijnde herstelling van dakspanten, muurplaten en ankerbalken van kasteel en hoevegebouwen, vernieuwen van alle dakbedekkingen van kasteel en hoevegebouwen en het dichten van raam- en deuropeningen. Verzoeker te machtigen daartoe alle nodige werkzaamheden te doen uitvoeren op de site, desgevallend manu militari; (...) Gelet op het arrest, op tegenspraak gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, 12e kamer op 12 oktober 2006, waarbij onder meer als volgt werd beslist: (...) Beveelt ten overstaan van de eerste en de tweede beklaagde het herstel van de plaats in de vorige staat, hetgeen inhoudt: herstelling van de dakspanten, muurplaten en ankerbalken van kasteel en hoevegebouwen, vernieuwen van alle dakbedekkingen van kasteel en hoevegebouwen en het dichten van raam- en deuropeningen binnen de termijn van DRIE JAAR ingaande vanaf het in kracht van gewijsde gaan van huidig arrest; Beveelt dat de Vlaamse regering of de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren mbtshalve voor de uitvoering van het herstel in de vorige staat moeten zorgen voor zover door de beklaagden daaraan niet zal zijn voldaan binnen de gestelde hersteltermijn; Zegt dat de overheid of de particulier die het arrest uitvoert, gerechtigd is om de materialen en voorwerpen afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik, die door de Vlaamse regering als niet-historisch worden aangeduid, te verkopen en te verwijderen; Zegt dat de overtreder die in gebreke blijft, verplicht is alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop der materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat, opgesteld door de overheid of begroot en uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank; Veroordeelt beide beklaagden, voor het geval dat aan de veroordeling tot herstel niet wordt voldaan, solidair tot betaling van een dwangsom van HONDERD EURO per dag vertraging vanaf de eerste dag volgend op het verstrijken van de hoger vermelde hersteltermijn en in zoverre huidig arrest vooraf werd betekend; en dit uit hoofde van: De eerste en de tweede: Te H. tussen 1 augustus 2000 en datum der onderhavige dagvaarding: I. bij inbreuk op artikel 11 § 1, strafbaar gesteld bij artikel 13,1° bis van het Decreet tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten van 3 maart 1976 als eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder en/of vruchtgebruiker van een beschermd monument of van een beschermd stads- of dorpsgezicht gelegen onroerend goed, door niet de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken uit te voeren of te hebben laten uitvoeren, het hierna vermelde goed niet in goede staat te hebben gehouden, te hebben ontsierd of beschadigd of vernield te hebben, in casu het kasteel van H. met inbegrip van de hoeve en hun omgeving gekend onder de kadastrale gegevens, H., 1ste afd., sie A, nrs ..., als monument en dorpsgezicht beschermd bij Besluit van de Secretaris-generaal van openbaar onderwijs van 19 juli 1943 en bij Koninklijk Besluit van 3 juli 1981. (...) De rechtstreeks dagende partij beoogt in essentie om door dit Hof te worden gemachtigd de herstelwerken, zoals omschreven in het arrest van dit Hof van 12 oktober 2006, in de plaats en voor rekening van de rechtstreeks gedaagde partijen zelf te mogen uitvoeren met onmiddellijke ingang; daartoe doet zij o.a. gelden dat de rechtstreeks gedaagde partijen, aan wie bij voormeld arrest het herstel rechterlijk was opgedragen binnen een termijn van drie jaar op straffe van een dwangsom, niets ondernemen en het bewuste pand intussen verder vervalt. In zoverre de rechtstreeks dagende partij het Hof aanziet als de dwangsomrechter in de zin van de artikelen 1385quinquies e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, dient vastgesteld dat hetgeen ten gronde wordt gevorderd, niet kan aangezien worden als een vordering tot opheffing of vermindering van een opgelegde dwangsom noch als een vordering tot opschorting van de looptijd ervan; de opgelegde hersteltermijn is geen dwangsomtermijn. In zoverre de rechtstreeks dagende partij beoogt de uitlegging of verbetering van voormeld arrest te bekomen omtrent de opgelegde hersteltermijn, dient vastgesteld dat daaromtrent geen onduidelijkheid of dubbelzinnigheid voorligt noch verschrijving of misrekening zodat dergelijke vordering evenmin op die gronden kan overwogen worden nu hetgeen de vorderende partij beoogt, de rechten of plichten zoals in voormeld arrest vastgelegd, zou uitbreiden, beperken of wijzigen. De vordering van de rechtstreeks dagende partij mist alle grond en haar overige beweringen en middelen zijn niet van aard anders te moeten oordelen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100120.8 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div