id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100211.11 Rolnummer: 13 AGA 2009 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-01-25 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 21:23 Fiche
- In vele sociale (straf-)wetten en zoals te dezen, wordt bepaald dat de geldboete zoveel keer wordt opgelegd als er werknemers in strijd met de wet zijn tewerkgesteld of op een andere wijze bij de strafbare feiten zijn betrokken. Het al dan niet bezitten van de hoedanigheid van 'werknemer' van de desbetreffend geviseerde individuele personen en aldus het 'aantal' van de bij het misdrijf betrokken werknemers en derhalve ook de vermelding van (of duidelijke en ondubbelzinnige verwijzing naar) hun identiteit, is dan ook te dezen van wezenlijk belang. Niet alleen het recht van verdediging werd aangetast, doch tevens de regelmatigheid van de saisine van de feitenrechter, saisine die tot stand dient te komen middels een akte van aanhangigmaking die voldoende duidelijk en precies is voor wat de feitelijke invulling van de tenlastelegging betreft, hetgeen te dezen, wat de voormelde tenlasteleggingen betreft, niet het geval is.
- Krachtens artikel 3 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn de doorslaggevende, cumulatieve criteria voor de toepassing van het Belgische sociale zekerheidsstelsel, het in België werken en het tewerkgesteld worden door een in België gevestigde werkgever of verbonden zijn aan een bedrijfszetel in België, met dien verstande dat de toepassing van het Belgische sociale zekerheidsstelsel de toepassing van de door België gesloten internationale akkoorden inzake sociale zekerheid onverlet laat. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden:
- Sociaal strafrecht - geldboete vermenigvuldigd met aantal werknemers - vermelding van identiteit - vermelding van aantal - exceptio obscuri libellis - schending van het recht van verdediging - saisine - onregelmatige saisine - onontvankelijkheid van de strafvordering
- Bijzonder strafrecht - sociaal strafrecht - tewerkstelling naar Belgisch recht - voorwaarden - in België werken - in België gevestigde werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 3 Nota: tegen dit arrest werd geen cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 11 februari 2010 te Antwerpen, de veertiende kamer -sociaal (...) Betreffende de ontvankelijkheid van de strafvordering zoals ze bij de feitenrechter werd aanhangig gemaakt bij verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht met betrekking tot de feiten sub A, B.2.b tot en met B.2.d , C.1 tot en met C.4 , D.2 tot en met D.4 , E.1 tot en met E.4 , F.1.b tot en met F.1.d en I.2 tot en met I.
- Het voorwerp van de uiteindelijke vervolging voor de rechter ten gronde is niet noodzakelijkerwijze ( volledig) identiek aan het voorwerp van het eraan ten grondslag liggende gerechtelijk onderzoek doch wordt uitsluitend gedetermineerd door de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht. Bij beschikking van de Raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 17 oktober 2007 ( cfr. kaft 1/3 - stukken 504 t/m 513) werden beklaagden naar de correctionele rechtbank verwezen wegens , onder meer, de voormelde tenlasteleggingen, onder de volgende vermeldingen. Wat de feiten sub A betreft :".......ten aanzien van 56 werknemers ( bijlage 3 en 4 PJ Inspectie Vlaamse Gemeenschap - stukken 310 - 326) ". Onder de voormelde stukken bevindt zich een lijst met vermelding van 68 werknemers ( stukken 325 en 326 ) , waaruit niet blijkt welke 56 van deze 68 werknemers uiteindelijk worden bedoeld. De in deze stukken opgenomen lijst der adressen van de werknemers ( stukken 316 tot en met 324 ) bevat dan weer 70 namen van werknemers, terwijl de lijst, opgenomen in de stukken 310 tot en met 312, dan weer 77 namen vermeldt. Wat de feiten sub B.2.b t/m B.2.d , C.2 t/m C.4 , D.2 t/m D.4 , E.2 t/m E.4 , F.1.b t/m F.1.d en I.2 t/m I.4 betreft : " .......ten overstaan van een onbepaald aantal werknemers, doch minstens 18 werknemers ( zes schepen met een minimumbemanning van één kapitein en twee matrozen " ( zie feiten sub B.2.b , C.2 , D.2, E.2 , F.1.b en I.2 ) , en " doch minstens drie werknemers ( één schip met een minimumbemanning van één kapitein en twee matrozen " ( zie feiten sub B.2.c , B.2.d , C.3, C.4, D.3 , D.4 , E.3 , E.4, F.1.c , F.1.d , I.3 en I.4 ). Er wordt desbetreffend geen enkele werknemer met naam aangeduid noch gerefereerd naar enig stuk waaruit het aantal werknemers, laat staan hun identiteit zou kunnen afgeleid worden. Enig gericht verweer van beklaagden met betrekking tot het aantal werknemers en met betrekking tot de al dan niet daadwerkelijke hoedanigheid van " werknemer" is te dezen zo goed als onmogelijk, nu geen enkel element ter identificatie van de geviseerde " onbekende" werknemers kan worden getraceerd. Wat de feiten sub C.1 betreft : " ......ten overstaan van minstens 59 werknemers ( zie lijst verslag SI van 03/03/2006 - werknemers vóór 01/01/2003 in dienst getreden - stuk 442 e.v.". Desbetreffend stelt het Hof vast dat de desbetreffende lijst 112 namen van werknemers bevat, weliswaar met vermelding van de respectieve periodes van tewerkstelling, doch het klaarblijkelijk aan beklaagden en aan de feitenrechter wordt overgelaten om uit te puzzelen welke van deze 112 werknemers vóór 1 januari 2003 in dienst zijn getreden. Daarenboven, en ten overvloede, dient vastgesteld dat de vermelding " stuk 442 en volgende (e.v.)" verwarrend is, nu het in feite blijkt te gaan om aan stuk 442 "voorafgaande" stukken, namelijk de stukken 404 tot en met
- Wat de feiten sub E.1 betreft : " ......ten overstaan van minstens 93 werknemers, namelijk die werknemers die na 01/01/2003 nog bij de s.a. S. in dienst waren of in dienst zijn getreden ( zie verslag SI van 03/03/2006 - stuk 442 e.v. )". Desbetreffend stelt het Hof vast dat de desbetreffende lijst 112 namen van werknemers bevat, weliswaar met vermelding van de respectieve periodes van tewerkstelling, doch het klaarblijkelijk aan de beklaagden en aan de feitenrechter wordt overgelaten om uit te dokteren welke van deze 112 werknemers na 1 januari 2003 nog bij de SA S. in dienst waren of in dienst zijn getreden. Artikel 6.3.a van het EVRM vereist dat eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, in bijzonderheden op de hoogte wordt gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Aldus houdt artikel 6.3.a van het EVRM , dat een aspect vormt van het recht van verdediging, een informatieplicht in naar de beklaagde toe. In vele sociale(-straf)wetten en zoals te dezen, wordt bepaald dat de geldboete zoveel keer wordt opgelegd als er werknemers in strijd met de wet zijn tewerkgesteld of op een andere wijze bij de strafbare feiten zijn betrokken. Het al dan niet bezitten van de hoedanigheid van " werknemer" van de desbetreffend geviseerde individuele personen en aldus het " aantal" van de bij het misdrijf betrokken werknemers en derhalve ook de vermelding van (of duidelijke en ondubbelzinnige verwijzing naar) hun identiteit, is dan ook te dezen van wezenlijk belang. Het komt niet aan de beklaagden toe om zelf, louter aan de hand van het strafdossier, na te gaan en/of veronderstellingen te maken omtrent de vraag naar de identiteit en het aantal van de werknemers waarop de ten laste gelegde feiten betrekking hebben of zouden kunnen hebben en aldus zelf aan feitelijke invulling van de ten laste gelegde feiten te gaan doen. Het behoort evenmin aan de rechter ten gronde om zelf het concrete, bij de vervolging beoogde feitelijk voorwerp van het vervolgde misdrijf in zijn diverse deelaspecten te gaan aflijnen en te omschrijven. In casu werden de beklaagden evenmin de facto, via een voldoende precieze mededeling door de onderzoeksrechter bij een in verdenkingstelling, ondubbelzinnig op de hoogte gebracht van het precieze feitelijk voorwerp van de ten laste gelegde misdrijven in hun diverse constitutieve aspecten. Gelet op wat voorafgaat werd te dezen niet alleen het recht van verdediging aangetast, doch tevens de regelmatigheid van de saisine van de feitenrechter, saisine die tot stand dient te komen middels een akte van aanhangigmaking die voldoende duidelijk en precies is voor wat de feitelijke invulling van de tenlastelegging betreft, hetgeen te dezen, wat de voormelde tenlasteleggingen betreft, niet het geval is. Derhalve is de strafvordering, zoals ze met betrekking tot de voormelde tenlasteleggingen aanhangig werd gemaakt door de verwijzingsbeslissing de dato 17 oktober 2007, onontvankelijk. Betreffende de overige feiten. Betreffende beklaagden de BVBA S. R., de NV S. en de BV S. Door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof is de schuld van beklaagden de BVBA S. R., de NV S. en de BV S. aan de hen sub G, H en J ten laste gelegde feiten, niet bewezen geworden, zodat deze beklaagden hiervan dienen vrijgesproken te worden. Betreffende de aan beklaagde de SA S. sub B.1 en F.2 en de aan beklaagde R. S. sub B.1, B.2.a, F.1.a en F.2 ten laste gelegde feiten. Door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof: - is de schuld van beklaagde de SA S. aan de haar sub B.1 en F.2 ten laste gelegde feiten niet bewezen geworden; - is de schuld van beklaagde R. S. aan de hem sub B.1 , B.2.a, F.1.a en F.2 ten laste gelegde feiten niet bewezen geworden, zodat deze beklaagden hiervan dienen vrijgesproken te worden. Betreffende de aan beklaagden de SA S. en R. S. sub D.1, G, H, I.1 en J ten laste gelegde feiten. Door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof is de schuld van beklaagden de SA S. en R. S. aan de hen sub D.1, G, H, I.1 en J ten laste gelegde feiten niet bewezen gebleven, zodat deze beklaagden hiervan dienen vrijgesproken te worden. Algemeen. Uit de stukken van het dossier blijkt o.m.: - dat de SA S. met maatschappelijke zetel in het Groot Hertogdom Luxemburg, werd opgericht op 5 augustus 1997 en aldaar op 18 augustus 1997 werd ingeschreven in het register der vennootschappen; - dat zij er beschikt over een toelating tot vestiging als handelaar in de sector van het goederenvervoer middels scheepvaart ( " par voie navigable"), op 26 juli 1999 verleend door het Luxemburgse Ministerie van Middenstand en Toerisme, met vermelding dat deze toelating slechts geldig is indien het bestuur wordt waargenomen door R. S. ( cfr. kaft 2/3); - dat deze vennootschap, die een Luxemburgs BTW-nummer heeft, er voor het door haar tewerkgestelde varend personeel arbeidsovereenkomsten opstelde en ondertekende, alsmede loonstaten en aan de Luxemburgse overheden bedrijfsvoorheffing en sociale zekerheidsbijdragen betaalde ( stukken 216 t/m 309 strafdossier); - dat zij voor haar binnenvaartschepen "S. VI", " S. VII" en " S. VIII", geregistreerd te Grevenmacher ( G.H.Luxemburg) , schepen die zij exploiteerde en waarop zij haar eigen personeel tewerkstelde, beschikte over " Rijnvaartverklaringen" en exploitantenattesten ( " certificat d' exploitant") , gewaarmerkt door het bevoegde Luxemburgse registratiekantoor ( cfr. kaft 2/3). Mede gelet op wat voorafgaat, kan de rechtsgeldigheid en de rechtsbekwaamheid van deze vennootschap naar Luxemburgs recht met exploitatiezetel in het G.H.Luxemburg, voor de Belgische rechter niet dienstig worden betwist. De omstandigheid dat de bevrachting van de schepen gebeurde door toedoen van de BVBA S. R. en/of de NV S., gevestigd zijnde in België (Wijnegem / Schilde), doet hieraan geen afbreuk, nu de bevrachtingsactiviteiten door een eigen regelgeving worden beheerst en op zich niet de overdracht impliceren van het gezag over de op de schepen - die door de bevrachters worden ingehuurd om hun vrachten te vervoeren - tewerkgestelde werknemers. Ook de omstandigheid dat R. S., als bestuurder van de SA S., het bedrijf ook vanuit België bestuurde en aldus niet enkel vanuit de statutaire zetel van de vennootschap in Luxemburg, is te dezen irrelevant, nu zulks niet ipso facto met zich brengt dat de Belgische plaats van waaruit de vennootschap mede werd bestuurd, als een exploitatiezetel van deze vennootschap zou moeten beschouwd worden. Krachtens artikel 3 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn de doorslaggevende, cumulatieve criteria voor de toepassing van het Belgische sociale zekerheidsstelsel, het in België werken en het tewerkgesteld worden door een in België gevestigde werkgever of verbonden zijn aan een bedrijfszetel in België, met dien verstande dat de toepassing van het Belgische sociale zekerheidsstelsel de toepassing van de door België gesloten internationale akkoorden inzake sociale zekerheid onverlet laat. Aldus wordt, in de regel, een dubbele band vereist met het Belgisch grondgebied, namelijk de plaats van de arbeid en de vestiging van de werkgever en zijn de nationaliteit van de werkgever of van de werknemer desbetreffend irrelevant. Uit de in het dossier vervatte feitelijke gegevens blijkt niet dat één van de betrokken werknemers die in de loop van de geviseerde periode op de betaalrol van de SA S. stonden, ooit in Wijnegem (of Schilde) zijn geweest of aldaar of van daar uit enige instructie of betaling heeft ontvangen. In casu blijkt niet naar eis van recht dat het juridische gezag over het varend personeel, dat geconcretiseerd werd door het sluiten van arbeidsovereenkomsten waarbij het voorwerp van de arbeid en de arbeidsorganisatie werden geregeld, niet bij de SA S. lag. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat door de werkgever de feitelijke gezagsuitoefening aangaande de dagdagelijkse activiteiten aan boord van de schepen zelf, werd gedelegeerd aan een derde, zoals de kapitein van het schip, al dan niet zelf werknemer zijnde, die namens de werkgever - de SA S. - het dagdagelijkse gezag uitoefende over het (andere) varend personeel. Verder blijkt uit de door beklaagden neergelegde stukken dat aan de door de SA S. in Luxemburg op de maatschappelijke zetel deeltijds tewerkgestelde secretaresse S. J., ruime bevoegdheden werden gedelegeerd met betrekking tot de bedrijfsvoering van de SA S. in Luxemburg. Uit de neergelegde vaartijdenboeken kan worden afgeleid dat de betrokken binnenvaartschepen, waarop het varend personeel was tewerkgesteld, bestemd waren voor de Rijnvaart en voor ongeveer negentig procent van de tijd voeren buiten het Belgisch grondgebied. Zulks vindt mede bevestiging: - in de neergelegde " Rijnvaartverklaringen" en " exploitantencertificaten"; - in de door de Inspectie Werkgelegenheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 16 maart 2005 naar aanleiding van een controle gedane vaststellingen, waaromtrent in het desbetreffende verslag werd gerelateerd : " op deze momentopname ( zijnde het tijdstip van de controle) blijkt dat twee schepen in België zijn, vijf schepen in Duitsland en vier schepen in Nederland" ( zie kaft 1/3 - stuk 333). Betreffende de feiten sub D.1 ( niet opmaken van de individuele rekening ten aanzien van minstens 112 werknemers). Nu het personeel van de SA S. was ingeschreven volgens de bepalingen van de Luxemburgse wetgeving, waren beklaagden er niet toe gehouden een individuele rekening op te maken naar Belgisch recht. Uit de in het dossier vervatte gegevens blijkt dat ter zake de te dezen geviseerde werknemers alle bepalingen inzake sociale documenten, zoals voorzien door de Luxemburgse regelgeving, werden nageleefd en derhalve de sociale bescherming van deze werknemers verzekerd was ingevolge de naleving van deze regelgeving. Artikel 59 EG-Verdrag (later artikel 49 E.G.), thans artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 60 EG-Verdrag (later artikel 50), thans artikel 75 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, verzetten zich ertegen dat een lidstaat, zij het bij wetten van politie en veiligheid, een in een andere lidstaat gevestigde onderneming , die in de eerste staat tijdelijke werken uitvoert, de verplichting oplegt sociale- en arbeidsdocumenten, zoals een arbeidsreglement, een speciaal personeelsregister en voor elke ter beschikkinggestelde werknemer een individuele rekening in de door de regeling van de eerste staat voorgeschreven vorm op te stellen, wanneer de sociale bescherming van de werknemers die deze eisen kan rechtvaardigen, reeds is verzekerd door de overlegging van de sociale- en arbeidsdocumenten die deze onderneming bijhoudt ingevolge de regeling van de lidstaat waar zij is gevestigd. (cfr. Hof van Justitie, 23 november 1999, C-369 en C - 376/96). Zulks is in casu het geval. Betreffende de feiten sub: - G ( inbreuk op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comité's) - H ( inbreuk op de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers) - J ( inbreuk op de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen) De tenlastelegging sub G is gesteund op artikel 34 van de C.A.O. van 6 juni 2002, gesloten in het paritair comité voor de binnenscheepvaart ( P.C. 139). Nu in het oprichtingsbesluit ( Koninklijk Besluit de dato 21 februari 1973 - Belgisch Staatsblad van 30 juni 1973), de territoriale bevoegdheid van dit paritair comité niet werd omschreven, is, krachtens de algemene regel, dit paritair comité enkel bevoegd voor de werknemers van de op het Belgisch grondgebied gevestigde ondernemingen en derhalve niet op de SA S., gevestigd zijnde in het Groot Hertogdom Luxemburg ( cfr. supra). Bovendien zijn de regels van een bij Koninklijk Besluit algemeen verbindend verklaarde C.A.O., enkel van toepassing op werknemers die hoofdzakelijk in België zijn tewerkgesteld, hetgeen te dezen in de geviseerde periode niet het geval was, zoals hierboven uiteengezet. Krachtens de met de betrokken werknemers gesloten arbeidsovereenkomst is de Luxemburgse wet van toepassing en is deze rechtskeuze bindend naar internationaal recht ( cfr., ondermeer, artikel 3, § 1 van het EVO - Verdrag inzake het toepasselijke recht op verbintenissen uit overeenkomst - Verdrag van Rome van 1980 ). Nu te dezen niet blijkt dat de betrokken werknemers gewoonlijk in België werden tewerkgesteld, kan aan voormelde rechtskeuze geen afbreuk worden gedaan door Belgische bepalingen van dwingend recht. Voormelde redengeving geldt, mutatis mutandis, tevens met betrekking tot de feiten sub H en J. Betreffende de feiten sub I.1 ( nalaten van aangifte bij de RSZ met verantwoording van het bedrag der verschuldigde bijdragen - inbreuk op wet van 27 juni 1969). Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat ter zake de geviseerde werknemers aangifte werd gedaan en sociale zekerheidsbijdragen werden betaald in het Groot Hertogdom Luxemburg, hetgeen impliceert dat de Luxemburgse overheid de SA S. erkende als rechtsgeldige Luxemburgse vennootschap die onderworpen was aan de op haar toepasselijke Luxemburgse regelgeving. Beklaagden waren er niet toe gehouden de gegevens, bedoeld in artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, mede te delen aan de RSZ - instelling gelast zijnde met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in België - temeer nu dergelijke aangifte, naar Belgische regelgeving, het mededelen door de werkgever aan de RSZ veronderstelt van een aantal gegevens die de Luxemburgse vennootschap SA S. niet kon verstrekken aan de RSZ, ten aanzien van personeel dat in de Luxemburgse sociale zekerheid was ingeschreven. Gelet op de voormelde feitelijke omstandigheden, o.m. ter zake de plaats van tewerkstelling, was de SA S. in België niet bijdrageplichtig en viel deze vennootschap niet onder de Dimona-verplichting , ook al zou die verplichting moeten beschouwd worden in het licht van de registratie van de werknemers met het oog op de vestiging van de sociale zekerheidsbijdragen, die trouwens voor de betrokken werknemers werden betaald in het Luxemburgse stelsel. De onderwerping in casu van de lonen van de betrokken werknemers aan de Belgische sociale zekerheid, zou tot gevolg hebben gehad dat, over eenzelfde periode, zowel in Luxemburg als in België sociale zekerheidsbijdragen zouden betaald zijn, hetgeen strijdig zou zijn met het , zowel in het Rijnvaartverdrag ( verdrag van 30 november 1979 inzake de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden) als in de Verordening ( EG) nummer 1408 / 71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen), vastgelegde algemeen beginsel dat slechts één sociale zekerheidsstelsel op een bepaald geval van toepassing is en derhalve dubbele verzekering is uitgesloten. (Cfr. artikel 11.1 van het Rijnvaartverdrag en artikel 13, eerste lid van Verordening. Nr. 1408/ 71). Het Rijnvaartverdrag werd in België goedgekeurd bij wet van 27 februari 1987 (Belgisch Staatsblad van 11 november 1987) en in Luxemburg bij wet van 9 december 1982, en de door dit Verdrag gebonden landen zijn België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland. Dit Verdrag heeft rechtstreekse werking, primeert wat de erin vastgelegde voorschriften betreft op de Belgische regelgeving inzake sociale zekerheid en wordt door de voormelde EG-Verordening onverlet gelaten ( cfr. artikel 7.2.a en b. van Verordening 1408/71). Artikel 11.1 van het Rijnvaartverdrag bepaalt dat op de Rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing is. Het Hof is dan ook van oordeel dat de overheid van een ontvangststaat niet aan een werkgever kan opleggen, met betrekking tot werknemers die door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat aan de sociale zekerheidsregeling van deze (laatste) lidstaat zijn onderworpen, en zonder dat aan deze onderwerping een einde is gesteld, een onmiddellijke aangifte te doen in de zin van artikel 4 van voormeld Koninklijk Besluit van 5 november 2002 en om bij de RSZ aangifte te doen met verantwoording van het bedrag der verschuldigde bijdragen in de zin van de wet van 27 juni 1969, zonder miskenning van het beginsel dat voor dezelfde werknemers slechts in één lidstaat sociale zekerheidsbijdragen kunnen worden betaald en zonder het beginsel van rechtszekerheid voor de desbetreffende werkgever en werknemers te schenden. Uit dit alles volgt dat, onder de in casu voorliggende feitelijke omstandigheden, de Belgische overheid de onderwerping door de bevoegde Luxemburgse overheid van de betrokken werknemers aan de Luxemburgse sociale zekerheid, dient te respecteren. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100211.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.