← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100303.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100303.9 Rolnummer: 1304 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2011-04-28 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Nu dient te worden aangenomen dat de oprichting is gebeurd in 1973 is er wel een weerlegbaar vermoeden van vergunning vermits de oprichting heeft plaats gevonden na de inwerkingtreding van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 doch voor de inwerkingtreding van het Gewestplan Herentals-Mol (K.B. van 28 juli 1978). Vermits de bewijslast voor de stedenbouwkundig inspecteur is verzwaard in de Vlaamse Codex en de beklaagde recht heeft op de voor hem mildere wet, dient de stedenbouwkundig inspecteur die verzwaarde bewijslast te dragen. De laatste zin van lid 2 van artikel 4.2.14.§2 van de Vlaamse Codex geldt uitsluitend voor de onmiddellijk daaraan voorafgaande zin. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijslast - beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Strafrecht - Bewijs - Stedenbouw - Vergunning - Stedenbouwwet - Gewestplan - Weerlegbaar vermoeden Strafrecht - Bewijslast - Lex mitior - Stedenbouw -Vlaamse Codex - Artikel 4.2.14.§2 Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 4.1.2.

  1. Vlaamse Codex Nota: Cassatieberoep werd verworpen op 15 maart 2011 (P.10.0623.N) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 maart 2010 te Antwerpen, Twaalfde Kamer (...)
  2. Niet aangetoond is dat het hoofdgebouw en woonst werden opgericht voor de inwerkingtreding van de stedenbouwwet van 29 maart
  3. De inlichtingen van de verbalisanten en de brief van de heer S. zijn daartoe niet voldoende. Evenmin de in hoger beroep neergelegde (overigens volledig onduidelijke) foto's. Integendeel kan uit het uittreksel uit de kadastrale legger (stukken 51 en 54) met zekerheid afgeleid worden dat de oprichting van gebouw (huis) beëindigd werd in
  4. Er is dus geen onweerlegbaar vermoeden van vergunning in hoofde van beklaagde te weerhouden in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft beslist. Nu dient te worden aangenomen dat de oprichting is gebeurd in 1973 is er wel een weerlegbaar vermoeden van vergunning vermits de oprichting heeft plaats gevonden na de inwerkingtreding van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 doch voor de inwerkingtreding van het Gewestplan Herentals-Mol (K.B. van 28 juli 1978). Gelet op artikel 2 lid 2 van het strafwetboek is de bepaling van artikel 4.2.14.§2 van de Vlaamse Codex ter zake van toepassing nu dit voor de beklaagde een gunstigere regeling inhoudt t.o.v. het oude artikel 96 §4 DRO vermits de bewijslast voor de stedenbouwkundig inspecteur is verzwaard. De laatste zin van lid 2 van artikel 4.2.14.§2 van de Vlaamse Codex geldt uitsluitend voor de onmiddellijk daaraan voorafgaande zin en niet voor de hele §2, zoals blijkt uit de Parlementaire stukken betreffende artikel 106 DRO (Verslag, Parl. St., Vl. Parl. 2008-2009, Nr. 2011/6, 50). (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100303.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.