id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100304.14 Rolnummer: 2009/CO/263 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-06-23 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche
- Artikel 31 lid 2 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken voorziet in de tussenkomst van een beëdigd tolk voor het verhoor van personen die een taal gebruiken die niet gekend is door de met het opsporingsonderzoek belaste agenten of door de Onderzoeksrechter. De nakoming van dit voorschrift wordt verzekerd door een nietigheidssanctie, die ambtshalve door de rechter wordt uitgesproken (artikel 40 van voornoemde wet).
- Artikel 47bis 5° Sv. bepaalt dat het proces-verbaal de identiteit en de hoedanigheid van de tolk vermeldt indien bij het verhoor in een andere taal een beroep wordt gedaan op een beëdigd tolk. Er is evenwel geen nietigheidssanctie voorzien. Uit niets blijkt dat de betrokken verhoren, die niet uitdrukkelijk de identiteit van de tussengekomen tolk/vertaler vermelden, daardoor onbetrouwbaar zouden zijn. Evenmin werden daardoor de rechten van verdediging van beklaagde geschonden, zodat het recht van beklaagde op een eerlijk proces evenmin is aangetast.
- Enkel in de mate dat beklaagde het hem ten laste gelegde ontkent, wordt bij de beoordeling van de schuldvraag en de beoordeling van de bewijslast rekening gehouden met de verklaringen van de beklaagde, ook al werden deze zonder bijstand van een advocaat afgelegd.
- Dat beklaagde niet kon worden geconfronteerd met bepaalde getuigen en met name met A. D. en P. P. heeft te dezen geen schending van zijn recht op een eerlijk proces tot gevolg. Wel zal het niet uitvoeren van deze onderzoekshandeling betrokken worden in de beoordeling van de bewijswaarde en dus de geloofwaardigheid van de verklaringen van de genoemde getuigen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Verhoor personen Vrije woorden:
- Strafonderzoek - taal - tolk - beëdigd - op straffe van nietigheid
- Strafonderzoek - taal - identiteit van de tolk en hoedanigheid - niet op straffe van nietigheid - Antigoon
- Strafrecht - bewijs - verklaringen zonder bijstand advocaat - ontkenning - geen wering uit de debatten
- Strafrecht - bewijs - geen confrontatie - geen schending van het recht van verdediging - bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 47bis Nota: De voorziening in cassatie werd verworpen op 15 juni 2010 (P.10.0678.N) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 4 maart 2010 te Antwerpen, Veertiende kamer (...)
- In het strafonderzoek werden verscheidene personen gehoord in een andere taal dan de taal van de procedure met name het Nederlands. Er werd daarbij steeds een beroep gedaan op een beëdigd tolk. Geen verklaringen werden genoteerd in een andere taal dan het Nederlands. Artikel 31 lid 2 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken voorziet in de tussenkomst van een beëdigd tolk voor het verhoor van personen die een taal gebruiken die niet gekend is door de met het opsporingsonderzoek belaste agenten of door de Onderzoeksrechter. De nakoming van dit voorschrift wordt verzekerd door een nietigheidssanctie, die ambtshalve door de rechter wordt uitgesproken (artikel 40 van voornoemde wet). Artikel 47bis 5° Sv. bepaalt dat het proces-verbaal de identiteit en de hoedanigheid van de tolk vermeldt indien bij het verhoor in een andere taal een beroep wordt gedaan op een beëdigd tolk. Er is evenwel geen nietigheidssanctie voorzien (Cass. 16 november 2005, N-20051116-9, en 19 oktober 2005, F-20051019-4, http://jure.juridat.just.fgov.be; HUYBRECHTS, L., "Twee jaar Wet Franchimont", in CBR, Jaarboek 2000-2001, Maklu, Antwerpen, 2001, blz. 104-109)
- Het staat vast dat bij alle verhoren in een andere taal dan het Nederlands een beroep werd gedaan op een tolk die beëdigd was. Dat de verbalisanten soms het woord vertaler in plaats van het woord tolk gebruikten is daarbij niet relevant. De bepalingen van de hoger genoemde taalwet werden bijgevolg niet geschonden.
- Evenwel werd niet steeds de identiteit of niet de volledige identiteit van de betrokken tolk of vertaler vermeld. Wel werd steeds vermeld dat hij of zij een tolk of vertaler was, die in die hoedanigheid handelde. Aan het voorschrift van artikel 47bis 5° Sv. werd aldus voldaan bij onder meer de verhoren van A. D. (stukken 12 en 14, 18 en 19, 220, 221 en 222 van het strafdossier), van beklaagde zelf (stukken 54 en 55 van het strafdossier), van K. T. (stukken 160 en 161 van het strafdossier), van P. P. (stukken 196 en 197), L. B. (stukken 269 en 271, waar de tolk haar naam vermeldde voor haar handtekening, van het strafdossier). Er werd steeds melding gemaakt dat beroep werd gedaan op een beëdigd tolk, nadat de te verhoren persoon meldde zich te willen uitdrukken in een andere taal. De naam van de tolk werd vermeld. Mevrouw P. P. heeft evenwel ook bepaalde verklaringen in het Bulgaars afgelegd, die door een beëdigd vertaler/tolk werden omgezet naar het Nederlands, en omgekeerd. De identiteit van de vertaler werd niet vermeld. Alleen werd gemeld dat de vertaler "bij onze diensten gekend" is. Het proces-verbaal meldt dat ook de tolk tekende, maar uit de handtekeningen kunnen geen identiteiten worden afgeleid. (stuk 25 en 26, 43 en 44 van het strafdossier). Ook beklaagde zelf werd gehoord in de Duitse taal en zonder dat de identiteit van de beëdigd tolk werd vermeld. De tolk tekende met een leesbare handtekening, waaruit evenwel zijn identiteit niet afdoende kan worden opgemaakt (stukken 348, 349 en 342 van het strafdossier). In de eerste ondervraging van beklaagde door de Onderzoeksrechter werd evenmin de identiteit van de tolk vermeld (stuk 58 van het strafdossier). De samenvattende ondervraging maakt wel melding van de identiteit van de tussengekomen tolk (stuk 129 van het strafdossier). Overigens werd beklaagde op zijn verzoek eveneens in het Nederlands verhoord (stukken 134 en 174 van het strafdossier)
- Voor zover de voorschriften van artikel 47bis 5° Sv., en met name de niet vermelding van de identiteit van tussengekomen tolk, niet zijn nagekomen heeft dit geen invloed op de rechtsgeldigheid van de betrokken onderzoekshandelingen. Uit niets blijkt dat de betrokken verhoren, die niet uitdrukkelijk de identiteit van de tussengekomen tolk/vertaler vermelden, daardoor onbetrouwbaar zouden zijn. Evenmin werden er daardoor de rechten van verdediging van beklaagde geschonden, zodat het recht van beklaagde op een eerlijk proces evenmin is aangetast.
- Verder laat beklaagde bij monde van de raadsman gelden dat zijn rechten zouden geschonden zijn nu hij niet steeds bijstand kon genieten van een advocaat bij zijn verhoren door de politie of door de Onderzoeksrechter. Er werd door de Onderzoeksrechter op 14 september 2009 (stukken 356-354 van het strafdossier) een samenvattende ondervraging georganiseerd van beklaagde in aanwezigheid van zijn raadsman. De raadsman liet onder meer uitdrukkelijk noteren: - "Inverdenkinggestelde had geen opmerkingen over de wijze van het verhoor, vooral over de wijze waarop het onderzoek wordt gevoerd"; - "Ik ben niet akkoord dat dit niet in het samenvattend verhoor ter sprake komt" en bedoeld wordt de confrontatie van beklaagde met A. D. en P. P.; - "na lektuur van de samenvattende ondervraging wens ik bij op te merken dat het beter was dat de advokaat aanwezig was bij het eerste verhoor". Het Hof stelt vast dat beklaagde inderdaad om bijstand van een advocaat had gevraagd (o.m. stuk 54 van het strafdossier). Waarom het beter ware geweest dat beklaagde bij diens eerste verhoor bijgestaan ware geweest door een advocaat wordt evenwel niet verder toegelicht. Beklaagde ontkent de hem ten laste gelegde feiten, ook wanneer hij wordt geconfronteerd met de belastende verklaringen van onder meer A. D. en P. P. . In de mate dat beklaagde het hem ten laste gelegde ontkent, houdt het Hof bij de beoordeling van de schuldvraag en de beoordeling van de bewijslast rekening met de verklaringen van beklaagde, ook al werden deze zonder bijstand van een advocaat afgelegd. In de mate dat beklaagde in zijn eerste verhoor zelfincriminerende verklaringen zou hebben afgelegd, wordt dit verhoor niet in de beoordeling betrokken. Overigens blijkt uit de verklaringen van beklaagde dat hij op de hoogte was van zijn rechten en heeft hij in ieder geval niet meer of anders verklaard dan hij zelf wilde, zonder daartoe op welke wijze dan ook te zijn aangezet door de verbalisanten. Beklaagde heeft ten volle van zijn zwijgrecht kunnen gebruik maken. Het staat tenslotte vast dat het strafonderzoek niet werd opgestart door verklaringen van beklaagde.
- Dat beklaagde niet kon worden geconfronteerd met bepaalde getuigen en met name met A. D. en P. P. heeft te dezen geen schending van zijn recht op een eerlijk proces tot gevolg. Beklaagde heeft kennis kunnen nemen van de gedetailleerde verklaringen van deze beide getuigen en is in de mogelijkheid gesteld, na raadpleging van zijn raadsman, hierop tegenspraak te voeren. Hij heeft overigens ter zake ook tegenspraak gevoerd. Wel zal het niet uitvoeren van deze onderzoekshandeling betrokken worden in de beoordeling van de bewijswaarde en dus de geloofwaardigheid van de verklaringen van de genoemde getuigen.
- Geen feitelijke gronden zijn te dezen voorhanden om te kunnen besluiten tot een schending van de rechten van verdediging van beklaagde of van zijn recht op een eerlijk proces.
- De schuld van beklaagde aan de hem sub A, B, C.I, C.II, D, E., F en G van de dagvaarding ten laste gelegde feiten, inbegrepen de voorziene verzwarende omstandigheid, en zoals omschreven in de dagvaarding, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven. De verklaringen van A.D. en P.P. zijn geloofwaardig. Deze verklaringen zijn gedetailleerd. Hun verhaal wordt niet tegengesproken door de overige getuigenverklaringen, en met name en onder meer van getuige W.W., en de andere doorgevoerde onderzoeken, zoals de observaties. De versie van de feiten, zoals voorgehouden door beklaagde, is daarentegen ongeloofwaardig. Het is uit het geheel van het onderzoek afdoende bewezen dat beklaagde een pooier was, geweld niet schuwde en zich bezighield met drugs. Dat geen confrontatie van beklaagde met A.D. en P.P. heeft plaatsgevonden, doet aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen dan ook geen afbreuk. Voor het overige verwijst het Hof naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter. Deze redengeving wordt hernomen, uitgezonderd het vijfde gedachtestreepje van de op folio's 5 en 6 weergegeven opsomming. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100304.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.