← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 31 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.14 Rolnummer: 2009 CO 123 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-01 12:34 Fiche Het feit dat zij bij het plegen van de betrokken hen sub B ten laste gelegde feiten als bende, in de zin zoals bedoeld door de artikel 322Sw. hebben gehandeld, maakt een strafbare daad van deelneming uit, doordat daardoor noodzakelijke hulp werd verleend. Het is te dezen bewezen dat de diefstallen niet waren gepleegd, indien de werkelijke daders alleen waren geweest. Deze werkelijk daders konden immers door aanwezigheid van de anderen hun getalsterkte uitbuiten tegenover de toekomstige slachtoffers en eventuele omstaanders. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare veiligheid - Bendevorming Vrije woorden: Strafrecht - deelneming - bendevorming - noodzakelijk hulp Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 322 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Geen voorziening in cassatie werd tegen dit arrest aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 31 maart 2010 te Antwerpen, de Veertiende kamer (...) 4. Beklaagden en de overige in het strafdossier genoemde daders hebben elkaar niet bij toeval op de straat ontmoet. Zij kenden elkaar en hadden zich verenigd om onder meer oudere dames van hun handtas te beroven. Er werden dan ook onderlinge afspraken gemaakt en er werd actief gezocht om gewillige en eerder weerloze slachtoffers te beroven. Dat de buit van de thans aangehouden misdrijven niet werd verdeeld betekent niet dat het niet de bedoeling was dat allen zouden delen in de buit. Dat slechts één van hen daadwerkelijk de betrokken diefstallen pleegde is dan ook niet relevant. Niet alleen waren allen op de hoogte van de diefstallen die werden gepleegd, met in begrip van de voorziene verzwarende omstandigheden, maar hebben zij ook noodzakelijke hulp verleend door hun aanwezigheid: zij konden immers de werkelijke daders waarschuwen om betrapping te voorkomen en hen afschermen na het plegen van de diefstal. Het is te dezen bewezen dat de diefstallen niet waren gepleegd, indien de werkelijke daders alleen waren geweest. Deze werkelijk daders konden immers door aanwezigheid van de anderen hun getalsterkte uitbuiten tegenover de toekomstige slachtoffers en eventuele omstaanders. Het feit dat zij bij het plegen van de betrokken hen sub B ten laste gelegde feiten als bende, in de zin zoals bedoeld door de artikel 322Sw. hebben gehandeld, maakt een strafbare daad van deelneming uit, doordat daardoor noodzakelijke hulp werd verleend. De bewering van beklaagde E. H. dat "hij ervan uit ging dat N. alleen blufte en niet echt de vrouw haar handtas zou afrukken" is dan ook volstrekt ongeloofwaardig (blz. 2 van zijn conclusies). Hij verklaart trouwens mee op de loop te zijn gegaan na de diefstal. De blijvende fysische of psychische ongeschiktheid wordt bewezen door het verslag van de geneesheerdeskundige (farde F van het strafdossier). Voor het overige verwijst het Hof wat de schuldvraag betreft naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, die wordt hernomen, uitgezonderd de overweging betreffende de verzwarende omstandigheid van de blijvende ongeschiktheid voorzien in de tenlastelegging A. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.