← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 31 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.19 Rolnummer: 2009AR92 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2011-02-25 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 12:35 Fiche Daden van stuiting van de verzekerde t.a.v. de aansprakelijke vóór de subrogatie gelden in het voordeel van de gesubrogeerde verzekeraar. Dat geldt niet voor stuitingsdaden van de verzekerde na de subrogatie. De gebeurlijke tekortkomingen van de aansprakelijke derde of van zijn verzekeraar m.b.t. hun plicht de verzekeringsinstelling te informeren krachtens art. 136 van de ZIV-wet van 14 juli 1994, waardoor zij dan, onwetend, niet in staat zou zijn de verjaring te stuiten, laat niet toe te besluiten dat de daden van stuiting van haar lid ook voor haar als nuttige stuiting geldt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Verzekeringen - stuiting van de verjaring - stuitingsdaden vóór/na de subrogatie Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2009/AR/92 LANDSBOND CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 PB 40, appellante, vertegenwoordigd door Mr. DEVROE Els, advocaat te 2050 ANTWERPEN, Beatrijslaan 46 tegen het vonnis gewezen op 04 november 2008 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen ETHIAS VERZEKERINGEN, met maatschappelijke zetel te 3500 HASSELT, Prins-Bisschopssingel 73, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. BUYCKX loco Mr. VAN DER STRATEN Patrick, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 120 bus 4 *** Wat voorafgaat

  1. Met inleidende dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28.8.2007 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (kort LCM), Ethias Verzekeringsvereniging aangesproken tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 11.155,77 meer de vergoedende interesten vanaf datum der feiten, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. Dit bedrag betreft uitgaven die door de LCM gedaan zijn aan haar verzekerde A.Z. over de periode van 28.12.1996 - 20.03.1997 (uitgavenstaat 1, stuk 1 bundel appellante). Ethias wordt aangesproken in haar hoedanigheid van verzekeraar van het OCMW, waaronder het revalidatiecentrum Gallifort valt en alwaar ten gevolge van een fout tijdens een kinesitherapiebehandeling, dhr. A.Z. op 2.10.1995 werd gekwetst. In een arrest van dit hof van 25.4.2005 werd geoordeeld dat de betrokken kinesist een fout had begaan, waarvoor het OCMW van Antwerpen, verzekerde van Ethias, aansprakelijk is. De LCM vraagt de uitgaven die zij heeft gedaan aan A.Z. terug om reden van de aansprakelijkheid van het OCMW van Antwerpen.
  2. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 4.11.2008 heeft de eis van de LCM ontoelaatbaar verklaard om reden van verjaring. De LCM werd verwezen in de gedingkosten van verweerster, begroot op euro 1.100,00 rechtsplegingsvergoeding. De vordering van eiseres als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde was volgens de eerste rechter, onderworpen aan dezelfde verjaringstermijnen als de oorspronkelijke vordering van haar verzekerde. Deze vordering verjaart krachtens artikel 2262 bis §1, eerste lid van het burgerlijk wetboek, door verloop van 10 jaar. De verjaringstermijn liep vanaf de datum van het ongeval zijnde vanaf 17.12.
  3. Door de betalingen die eiseres had uitgevoerd in 1996 en 1997 was zij reeds gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde voor de dagvaarding die de verzekerde had uitgebracht op 26.1.1998 en die heeft geleid tot het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25.4.
  4. Stuitingsdaden (zoals een dagvaarding) die door de oorspronkelijke schuldeiser na het ogenblik van de subrogatie werden gesteld, hebben geen invloed op de verjaring van de vordering van de gesubrogeerde. De vordering van eiseres ingesteld met dagvaarding dd. 28.8.2007 was dan ook laattijdig volgens de eerste rechter.
  5. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 13.1.2009 heeft de LCM een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis ten aanzien van Ethias Verzekeringen. Eisen in hoger beroep
  6. De LCM vraagt bij hervorming van het beroepen vonnis, haar oorspronkelijke eis toelaatbaar en gegrond te verklaren en geïntimeerde te verwijzen in haar gedingkosten.
  7. Geïntimeerde besluit tot de bevestiging van het beroepen vonnis, met verwijzing van appellante in haar gedingkosten. Beoordeling in hoger beroep
  8. Appellante, ziekteverzekeraar van dhr. A.Z. en in zijn rechten gesubrogeerd door de uitbetalingen ten bedrage van euro 11.155,77, spreekt geïntimeerde aan als verzekeraar van de aansprakelijke, het OCMW te Antwerpen. Appellante is krachtens artikel 136 §2 van de ZIV-wet gesubrogeerd in de rechten van dhr. A.Z. ten belope van de bedragen die zij hem heeft uitgekeerd. Op de subrogatoire vordering van de LCM is de verjaringstermijn van de vordering van diegene in wiens rechten zij werd gesubrogeerd van toepassing.
  9. De oorspronkelijke vordering van dhr. A.Z. ten aanzien van geïntimeerde als verzekeraar van de aansprakelijke spruit voort uit artikel 86 WLVO en betreft het eigen recht dat de benadeelde heeft tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar om zijn schade te vorderen. Deze eis is onderworpen aan de verjaringsregels opgenomen in artikel 34 § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst en niet aan deze van het burgerlijk wetboek (artikel 2262bis §1, eerste lid) zoals onterecht geoordeeld door de eerste rechter. Artikel 34 §2 WLVO bepaalt dat deze vordering verjaart door verloop van 5 jaar vanaf het schadeverwekkend feit of indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd, tenzij de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, in welk geval de verjaringstermijn begint te lopen vanaf dat tijdstip. De verjaringstermijn verstrijkt in elk geval na verloop van 10 jaar, of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Aangezien de LCM de vordering uitoefent van de benadeelde, zal de kennis in hoofde van de benadeelde ook jegens haar maatgevend zijn voor het aanvangspunt van de verjaringstermijn. Partijen laten echter na te besluiten wanneer Dhr. A.Z. kennis had van zijn recht tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, namelijk het Openbaar Centrum voor maatschappelijk Welzijn (OCMW). Echter stelt het hof vast dat op het ogenblik dat appellante haar dagvaarding uitbracht, namelijk op 28.8.2007, er reeds 10 jaar verstreken waren vanaf het schadeverwekkend feit dd. 2.10.
  10. Ook al zou bewezen geraken door appellante dat de benadeelde, dhr. A.Z., pas op een later tijdstip kennis had van zijn recht tegen de verzekeraar, zodat pas vanaf dat tijdstip de verjaringstermijn is beginnen te lopen, dan nog dient het hof vast te stellen dat sinds de dagvaarding uitgebracht door appellante, 10 jaar verstreken zijn sinds het schadeverwekkend feit, zodat de vordering van appellante ten aanzien van geïntimeerde om deze reden reeds verjaard is.
  11. Appellante beroept zich evenwel op een stuitingsdaad, meer bepaald de dagvaarding uitgebracht door dhr. A.Z. op 26.1.1998 betekend aan de verzekerde van geïntimeerde, het OCMW, waarbij zij aanvoert dat door deze dagvaarding, de verjaring van haar vordering ten aanzien van geïntimeerde werd gestuit tot aan de uitspraak van het hof van beroep van 25.4.2005 zodat haar vordering ingeleid met dagvaarding van 28.8.2007 nog tijdig, i.e. binnen de 5 jaar, zou zijn ingesteld. Appellante blijkt zich kennelijk ook te baseren op artikel 35 §3 bis WLVO (ingevoegd bij wet van 22.8.2002 met ingang van 19.1.2003) op grond waarvan stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde, de stuiting of de schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar als gevolg heeft. Inderdaad dient de verjaringstermijn van 10 jaar niet te worden beschouwd als een vervaltermijn maar wel als een verjaringstermijn waardoor deze eveneens vatbaar is voor stuiting of schorsing.
  12. De vraag die vooreerst dient te worden beantwoord, is of de stuitingsdaad van de dagvaarding uitgebracht door het slachtoffer dhr. A.Z. op 26.1.1998 als geldige stuitingsdaad van het gesubrogeerde ziekenfonds kan worden aanzien. De stuiting werkt in principe inter partes: alleen diegene die de dagvaarding heeft ingeleid, kan zich in beginsel op het stuitend gevolg ervan beroepen. De subrogatietechniek brengt evenwel met zich mee dat de stuitingsdaden gesteld door het slachtoffer vóór het ogenblik van de subrogatie ook ten goede komen aan de gesubrogeerde. Deze laatste neemt immers, door de indeplaatsstelling, de vordering over van de benadeelde het slachtoffer, met alle rechtsgevolgen daaraan verbonden. De stuiting van de verjaring door diegene die zich in zijn rechten laat subrogeren, geschiedt enkel in het voordeel van de gesubrogeerde als ze dateert van vóór en niet ná de subrogatie. De LCM oefent de vordering uit die aanvankelijk aan het slachtoffer toebehoorde, maar vanaf het ogenblik van haar betaling, die de overdracht van de schuldvordering teweegbrengt, behoort het vorderingsrecht aan de gesubrogeerde, de LCM, toe. Te rekenen vanaf de betaling berust het vorderingsrecht bij de gesubrogeerde, dat zij autonoom uitoefent zodat de stuitende werking van de dagvaarding uitgebracht door het slachtoffer niet kan gelden ten aanzien van de vordering van de LCM, die betrekking heeft op uitbetalingen vóór deze dagvaarding.
  13. Het hof is van oordeel dat een en ander niet strijdt met artikel 136 §2, 4de lid van de wet van 14 juli 1994 dat bepaalt dat de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats treedt van de rechthebbende en dat deze indeplaatsstelling geldt ten beloop van het bedrag van de verleende prestatie. De LCM oefent, door haar betaling en door de subrogatie/indeplaatsstelling, het vorderingsrecht uit van het slachtoffer. Echter vanaf het ogenblik van de betaling, behoort het vorderingsrecht aan de LCM zelf toe, die zelf het nodige dient te doen om deze vordering ten gelde te maken zodat de stuiting van dit vorderingsrecht in zoverre dit niet reeds is geschied door het slachtoffer voor de betaling door het ziekenfonds, dient te worden gedaan door de gesubrogeerde zelf, de LCM. Na betaling, stelt de LCM haar eigen rechtsvordering in. Het verweer dat appellante aanvoert "dat de vorderingen van het slachtoffer en van de verzekeringsinstelling onsplitsbaar zijn" en dat het wettelijk subrogatierecht "ook het recht van het niet verjaard zijn van de vordering van haar ziektverzekerde" inhoudt, om hieruit te besluiten dat door het feit dat het slachtoffer tijdig haar eis heeft ingesteld, ook haar vordering tijdig is ingesteld, volgt het hof niet. Het hof is van oordeel dat krachtens de wettelijke subrogatie zoals voorzien in artikel 136 van de wet van 14 juli 1994 de LCM wordt gesubrogeerd in de staat waarin de vordering zich bevindt op het ogenblik van de subrogatie. Indien deze vordering op het ogenblik van de subrogatie niet is gestuit, dan is de LCM gesubrogeerd in een niet gestuite vordering, en zal zij zelf zorg dienen te dragen voor deze stuiting. Appellante verwijst naar diverse uitspraken om haar standpunt te onderbouwen. Het is inderdaad zo dat stuitingsdaden, uitgaande van de verzekerde, ook de gesubrogeerde tot nut strekken. Het hof volgt weliswaar niet het standpunt dat stuitingsdaden van de verzekerde ná betaling en na subrogatie, ook strekken tot stuiting van deze gesubrogeerde vordering.
  14. Ten deze vraagt de LCM de uitbetaling van een "provisioneel bedrag" van euro 11.155,
  15. Zij sluit in haar bewijsbundel een uitgavenstaat van 06.06.2006 die de uitgave van dit bedrag van euro 11.155,77 aantoont. Zij toont geen andere uitgaven aan. Besloten dient zodoende te worden dat de schade die zij leidt ingevolge uitbetalingen aan haar verzekerde, slechts bewezen geraakt vóór dit bedrag, dat vóór de dagvaarding werd betaald aan het slachtoffer zodat het verjaard is bij gebreke aan stuitingsdaad door de LCM.
  16. Het gegeven dat ten deze appellante niet op de hoogte zou zijn gebracht door het OCMW (aansprakelijke derde) hetzij door de aansprakelijkheidsverzekeraar van het OCMW van hun voornemen om het slachtoffer schadeloos te stellen, verplichting die op basis van artikel 136 §2, zesde lid van de wet van 14.7.1994 op deze partijen rust, leidt niet tot het besluit dat stuitingsdaden van het slachtoffer, zoals ten deze de dagvaarding van 26.1.1998, de verjaring van de huidige vordering van de LCM als gesubrogeerde stuit. Dat deze informatieverplichting in dit artikel 136 niet uitdrukkelijk is gebonden aan de voorwaarde dat de eis van de verzekeringsinstelling (de LCM) niet is verjaard, leidt niet tot het besluit dat de stuitingsdaden door het lid van de verzekeringsinstelling ook de verjaring van de vordering van de verzekeringsinstelling stuiten. Appellante werpt op dat het kan zijn dat de verzekeringsinstelling zelf geen weet had van het bestaan van een ongeval met een aansprakelijke derde en dat zij dan ook per definitie zelf de verjaring niet kon stuiten. Appellante blijkt zodoende de gebeurlijke tekortkoming van de aansprakelijke derde en van zijn verzekeraar m.b.t. hun informatieverplichting aan de verzekeringsinstelling krachtens artikel 136 van de wet van 14.7.1994 in te roepen om te stellen dat zij in bepaalde gevallen niet in staat is om de verjaring te stuiten waaruit zij dan besluit dat de stuitingsaktes van haar lid ook de verjaring van haar vordering stuiten. Het hof is van oordeel dat deze gevolgtrekking niet vermag te worden afgeleid uit artikel 136 vermits de verjaring van de vorderingen onderworpen is aan eigen regels (van aanvangstermijn, duurtijd en van stuiting en schorsing) en dit artikel 136 geen afwijkende bepaling desbetreffend bevat. Zoals hierboven reeds aangehaald geldt de stuitingsdaad van de verzekerde niet ten aanzien van de vordering van de gesubrogeerde ziekteverzekeraar voor betalingen gedaan vóór deze stuitingsdaad. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de gebeurlijke gevolgen die kunnen ontstaan doordat de verzekeringsinstelling niet tijdig is geïnformeerd door de derde aansprakelijke en zijn verzekeraar, m.n. het niet weten van het bestaan van een derde aansprakelijke met de gebeurlijke verjaring van haar vordering als gevolg.
  17. Het hoger beroep van appellante is ongegrond. Het beroepen vonnis wordt bevestigd, weliswaar op gedeeltelijk andere motieven. Het hof verwijst appellante in de gedingkosten van geïntimeerde in hoger beroep, begroot op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  18. Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen. Verwijst appellante in de gedingkosten van geïntimeerde in hoger beroep, begroot op euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 31 maart
  19. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter A. VERHAERT Raadsheer D. DEMEESTER Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS D. DEMEESTER A. VERHAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100331.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.