← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100507.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100507.3 Rolnummer: 259 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-07-02 06:50 Fiche De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde. Het Hof mag overigens de beslissing van de Kamer van de Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: strafprocesrecht - BOM controle - wettigheidsincident - verzending naar de KI - geen verplichting- geen controle door de grondrechter van de KI Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 189ter Wetboek van Strafvordering - 235ter Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 7 mei 2009 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) Gelet op het arrest van de achtste Kamer van het Hof van Beroep te Gent op tegenspraak gewezen op 6 januari 2009, beslissende als volgt: Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en er over beslissend: Doet het bestreden gedeelte van het aangevochten vonnis, verleend door de 19° correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 23 juni 2008 teniet en, Opnieuw wijzend: Wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot het onbepaald uitstellen van de behandeling van deze zaak af, dit op grond van de hoger in het overwegend gedeelte van dit arrest aangehaalde motieven; Zegt voor recht dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen strafproces, in zijn geheel beschouwd, niet voldoet aan de vereisten van een behoorlijk rechtsbedeling, zoals omschreven in het artikel 6.1 E.V.R.M.; Zegt voor recht dat, ingevolge het schenden van de rechten van verdediging, het bewijs geput uit de bijzondere opsporingsmethode van observatie, als niet toelaatbaar dient te worden geweerd; Verklaart derhalve de strafvordering niet ontvankelijk; Laat de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat. Gelet op het arrest van het Hof van Cassatie gewezen op 3 maart 2009, beslissende, onder meer, als volgt: Vernietigt het bestreden arrest. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. (...) De hogere beroepen van beklaagden A. en N. S. en D. B. en van het Openbaar Ministerie tegen deze beklaagden zijn ontvankelijk. Beklaagden en het Openbaar Ministerie verzoeken het debat te beperken tot het verzoek van beklaagden "de zaak overeenkomstig art. 189ter vierde lid Sv. te verzenden aan het O.M. ten einde de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde K.I. met het oog op een controle overeenkomstig art. 235ter Sv." ("beroepsconclusie na cassatie" voor beklaagde D. B.). De wetgever heeft op 16 januari 2009 een vierde lid toegevoegd aan artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering, en met name: "Buiten het in het eerste lid bedoelde geval, kan de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle". Naar beklaagden voorhouden is er te dezen "zonder twijfel sprake van een wettigheidsincident" ("beroepsconclusie na cassatie" voor beklaagde D. B.). Beklaagde D. B. maakt in conclusies gewag van een onregelmatigheid die "integraal" is "terug te brengen op de tekstuele interpretatie van het (oude) art. 235ter Sv. dat door de toenmalige verwarrende libellering aanleiding kon geven tot verschillende interpretaties waar pas met het arrest van het Hof van Cassatie van 28/10/08 duidelijkheid werd in geschapen" ("beroepsconclusie na cassatie" voor beklaagde D. B.). De wetgever voorziet bij wettigheidsincidenten niet in een verplichting voor de feitenrechter om de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer de vereiste controle niet werd uitgevoerd of als nietig zou dienen te worden beschouwd, omdat de Procureur Generaal niet aanwezig was bij het horen van de burgerlijke partij of inverdenkinggestelde (Cass. 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3). Ook beklaagde D. B. overweegt uitdrukkelijk in zijn conclusies dat artikel 189ter vierde lid van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid biedt aan de rechtbank om de onregelmatigheid te laten herstellen door de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Geen redenen noch gronden worden nochtans door beklaagden aangebracht die het Hof thans ertoe zouden moeten doen besluiten de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie ten einde deze bij de bevoegde Kamer van Inbeschuldigingstelling aan te brengen. Het Hof bemerkt thans evenmin enige grond om tot overzending aan het Openbaar Ministerie te besluiten. Het Hof mag overigens de beslissing van de Kamer van de Inbeschuldigingstelling niet beoordelen en de begane onregelmatigheid niet in zijn oordeel betrekken. De enige ter zake door beklaagde D. B. aangevoerde reden dat "de wetgever een specifieke oplossing voorziet voor betreffende situatie" is te dezen niet afdoende. De wetgever heeft immers aan de feitenrechter de keuze gelaten al dan niet de zaak over te maken aan het Openbaar Ministerie. Het Hof verzendt de zaak dan ook niet naar het Openbaar Ministerie, doch beveelt een heropening van de debatten voor een verdere afhandeling van de zaak. Beklaagden hebben het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bovendien is beklaagde A. S. van zijn vrijheid beroofd en een hangende zaak wordt doorgaans betrokken in de beslissing om een hechtenis al dan niet te handhaven, ook indien de betrokkene niet voor de feiten waarvoor hij dient terecht te staan is aangehouden. Het Hof verklaart dan ook onderhavig arrest uitvoerbaar bij voorraad. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100507.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.