← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100520.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100520.15 Rolnummer: 391 P 2009 Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-11-09 Raadplegingen: 301 - laatst gezien 2026-07-02 06:35 Fiche

  1. Beklaagde faalt in rechte door te stellen dat hij ook een recht heeft om te worden geconfronteerd met het slachtoffer of om het slachtoffer zelf te mogen ondervragen. Wel houdt het Hof bij de beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van dit slachtoffer rekening met het gegeven dat geen confrontatie met beklaagde heeft plaatsgevonden.
  2. Geen wettelijke bepaling voorziet een bepaald tijdstip en de beklaagde houdt zelf voor dat het strafonderzoek geen bezwarende elementen heeft opgeleverd, zodat er in de stelling van beklaagde geen redenen waren om hem reeds in verdenking te stellen. Dat de beklaagde niet in een vroeger stadium heeft kunnen genieten van de rechten van een procespartij houdt op zich geen schending van het recht van verdediging in.
  3. Dat niet bij alle deskundigenonderzoeken alle beklaagden aanwezig of vertegenwoordigd waren betekent niet steeds dat hun rechten van verdediging en daardoor hun recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden. Met betrekking tot deze onderscheiden deskundigenonderzoeken hebben alle beklaagden naderhand uitgebreid tegenspraak kunnen voeren en hebben zij ook tegenspraak gevoerd. Daardoor is het gebrek aan tegenspraak bij de uitvoering van de deskundigenonderzoeken afdoende hersteld.
  4. Geen regel van positief recht noch het vermoeden van onschuld wordt geschonden doordat bij de beoordeling van de schuldvraag de verklaringen van het slachtoffer worden verkozen boven de verklaringen van de beklaagde. Het komt de strafrechter immers toe de bewijswaarde van beide verklaringen te beoordelen, waarbij thans door het Hof alle door de beklaagden aangebrachte feitelijke elementen in de beoordelingen worden opgenomen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Eerlijk proces GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden:
  5. Strafprocesrecht - ondervragen van een getuige - onmogelijkheid door diens overlijden - element van beoordeling van schuldvraag - geen schending van het recht van verdediging
  6. Strafprocesrecht - in verdenkingstelling - tijdstip - niet-laattijdig - geen schending van het recht van verdediging - geen schending van het recht op een eerlijk proces
  7. Strafprocesrecht - geen tegenspraak bij deskundigenonderzoeken - herstel - geen schending van het recht van verdediging - geen schending van het recht op een eerlijk proces
  8. Strafrecht - schuldvraag - voorrang verklaring van slachtoffer - beoordeling van bewijs - geen schending van het vermoeden van onschuld Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 6 (EVRM) Nota: De voorziening in cassatie werd verworpen op 26 oktober 2010 (P.10.1029.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.6) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 mei 2010 te Antwerpen, veertiende kamer (...) De ten laste gelegde feiten en hun kwalificatie
  9. De feiten, waarvan het Hof gevat is, hebben zich allen voorgedaan vóór 16 november
  10. Het slachtoffer is overleden op ..
  11. Van dit feitelijk gegeven is het Hof niet gevat. Er zijn verder geen gronden voorhanden om de door de eerste rechter doorgevoerde verbetering van de tijdsaanduiding van de feiten sub A in zaak I te behouden.
  12. De feiten sub A en B in de zaak I zijn gelijkaardige feiten, die zich op niet nader te bepalen ogenblikken hebben voorgedaan tussen 28 augustus 2004 en 16 november
  13. Het onderscheid tussen de beide tenlasteleggingen is enkel gelegen in het feit dat het slachtoffer op ..2004 veertien jaar werd, aangenomen dat haar geboortedatum inderdaad ..1990 was. In zijn verstekarrest heeft het Hof reeds aangenomen dat deze feiten niet bewezen zijn onder de sub A beoogde omschrijving. Op deze beoordeling kan het Hof op het enkel verzet van beklaagde Q. niet terugkomen, nu het verzet niet tot nadeel van deze beklaagde kan strekken. Het Hof dient dus te oordelen over de leeftijd en de geboortedatum van het slachtoffer, in de mate dat beklaagde ook betwist dat het slachtoffer geen zestien jaar was op het ogenblik van de feiten.
  14. De feiten sub C van de zaak I werden nog gepleegd onder gelding van het oud artikel 77bis van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat ingrijpend werd gewijzigd door de Wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers. Overeenkomstig artikel 2 van het Strafwetboek kan een nieuwe strafwet niet worden toegepast op misdrijven gepleegd vóór de inwerkingtreding ervan, uitgezonderd indien deze nieuwe wet milder is. Aldus dient te worden nagegaan of de ten laste gelegde feiten strafbaar waren onder de oude wet en of zij nog steeds strafbaar zijn onder de nieuwe wet. Vervolgens dient, in voorkomend geval, de voor de beklaagde meest gunstige wet te worden toegepast.
  15. De feiten, zoals zij eerder strafbaar waren onder het oud artikel 77bis van de Vreemdelingenwet zijn nog steeds strafbaar, met dien verstande dat thans bijkomend als constitutief bestanddeel de aard van de beoogde exploitatie, en met name te dezen de betrokkene aan het werk te zetten of te laten aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, is voorzien. Voorheen werd elke vorm van beoogde exploitatie geviseerd: er werd immers geen belang gehecht aan de beoogde exploitatie. Dat bepaalde constitutieve bestanddelen van het oude misdrijf thans verzwarende omstandigheden zijn geworden is niet relevant. Wel zal, opdat deze feiten thans als misdrijf kunnen worden aangehouden, dienen te worden onderzocht of de thans als verzwarende omstandigheden voorziene feiten van het direct of indirect gebruik maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang en van het misbruik maken van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert, bewezen zijn. Dat thans die bijzonder kwetsbare positie deels anders omschreven is dan in het oud artikel 77bis is niet relevant. Het volstond vroeger en volstaat thans dat één enkele van de opgesomde omstandigheden aanwezig is als oorzaak of reden van de bijzonder kwetsbare situatie waarin het slachtoffer zich bevond. Nu de nieuwe wet deze feiten zwaarder straft, dient de oude wet te worden toegepast wat de bestraffing betreft. Er zijn tenslotte geen feitelijke aanwijzingen om de kwalificatie van de feiten sub C van de zaak I naar een inbreuk op artikel 77 van de Wet van 15 december 1980, hetzij een vreemdeling te hebben bijgestaan of te hebben geholpen onwettig in het land binnen te komen of er te verblijven, aan te houden. Het betrokken slachtoffer werd het land binnen gebracht om bij beklaagden Q. en G. te worden te werk gesteld. Het zijn deze feiten die hen worden verweten. Rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces door tekortkomingen in het strafonderzoek
  16. Beklaagde Q. laat gelden dat het recht van verdediging en dus zijn rechten op een eerlijk proces onherstelbaar geschonden zouden zijn door zijn laattijdige inverdenkingstelling. Op 19 november 2004 zou te zijnen huize en op zijn kantoor een huiszoeking hebben plaatsgevonden. Bij beschikkingen van 14 april 2005 en 7 november 2005 werd aan de burgerlijke partij S. H. inzage verleend in het strafdossier. Hijzelf werd in verdenking gesteld op 11 oktober 2005, terwijl K. E. B. reeds op ..2005 overleden was. Hij zou onder meer in zijn rechten zijn geschaad doordat hij het slachtoffer niet heeft kunnen ondervragen of er niet mee werd geconfronteerd. Dat dit thans onmogelijk geworden is staat natuurlijk vast. Dit betekent daarom nog niet dat de rechten van verdediging van beklaagde onherstelbaar geschonden zouden zijn, nu het Hof in elk geval bij de beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van dit slachtoffer rekening houdt met het gegeven dat geen confrontatie met beklaagde heeft plaatsgevonden. Overigens kan hij nog steeds de verklaringen van het slachtoffer weerleggen, door te wijzen op anomalieën of tegenstrijdigheden met andere in het strafdossier voorhanden zijnde elementen. Dat dit op de meest geschikte wijze maar mogelijk zou zijn door een rechtstreekse confrontatie van hemzelf met het slachtoffer is een eenzijdige en persoonlijke appreciatie van beklaagde. Het is uiteraard niet aan het Hof en meer algemeen aan de strafrechter om uit te maken op welke wijze beklaagde zijn verdediging organiseert, maar de rechten van verdediging zijn niet geschonden omdat beklaagde enkel beweert zijn verweer maar te kunnen voeren middels een confrontatie met het slachtoffer. Bovendien heeft beklaagde het recht getuigen à charge "te ondervragen of te doen ondervragen". Het betrokken slachtoffer werd gehoord, zodat aan dit onderdeel van het recht van verdediging werd tegemoet gekomen. Beklaagde faalt in rechte door te stellen dat hij ook een recht heeft om te worden geconfronteerd met het slachtoffer of om het slachtoffer zelf te mogen ondervragen. Hij verliest blijkbaar uit het oog dat het in het belang en ter bescherming van het slachtoffer kan zijn dat een dergelijke confrontatie niet plaatsgrijpt. Verder faalt deze overweging van beklaagde waar hij voorhoudt dat "hij in essentie wordt vervolgd op basis van de verklaring van dame ..B." (beroepsconclusie, eerste middel). Zonder reeds in de beoordeling van de schuldvraag te treden staat het vast dat te dezen een uitgebreid onderzoek werd gevoerd, dat zich niet beperkte tot een verhoor van het slachtoffer. Tal van andere bewijselementen zijn voorradig en worden in de beoordeling betrokken. Tenslotte faalt beklaagde ook in zijn stelling dat hij te laat in verdenking zou zijn gesteld. Geen wettelijke bepaling voorziet een bepaald tijdstip en beklaagde Q. houdt zelf voor dat het strafonderzoek geen bezwarende elementen heeft opgeleverd, zodat er in de stelling van beklaagde zelf geen redenen waren om beklaagde reeds in verdenking te stellen. Dat de beklaagde niet in een vroeger stadium heeft kunnen genieten van de rechten van een procespartij, doet aan het hoger gestelde geen afbreuk en houdt op zich geen schending van het recht van verdediging in. Wat beklaagde begrijpt onder het treffen van schikkingen, met kennis van de inhoud van het strafdossier, wordt niet verder toegelicht, zodat het Hof op deze overweging ook niet kan antwoorden (beroepsconclusie blz. 5 in fine). Het is daarbij in elk geval volstrekt irrelevant dat een en ander tot gevolg zou hebben gehad dat de familie en kennissen daardoor op de hoogte zouden zijn gebracht van de inhoud van de verklaring van het slachtoffer, dat uiteraard ook zelf wel van haar verklaring relaas kon doen aan familie, vrienden en kennissen (conclusie blz. 6, eerste alinea).
  17. De rechten van verdediging zouden ook geschonden zijn doordat de deskundigenonderzoeken niet tegensprekelijk werden gevoerd. Het Hof verwijst vooreerst naar het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 9 oktober 2007, waartegen de voorziening in cassatie werd afgewezen bij arrest van 11 maart
  18. Dat niet bij alle onderzoeksverrichtingen alle beklaagden aanwezig of vertegenwoordigd waren betekent niet steeds dat hun rechten van verdediging en daardoor hun recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden. Met betrekking tot deze onderscheiden onderzoeksverrichtingen hebben alle beklaagden naderhand uitgebreid tegenspraak kunnen voeren en hebben zij ook tegenspraak gevoerd. Deskundigen B., J., D. en V. werden ter terechtzitting van 8 december 2008 (stuk 921 van het strafdossier) gehoord en er heeft zich een tegensprekelijk debat ontwikkeld met de door beklaagde aangestelde deskundige Dr. B.. Dr. B. verklaart ter terechtzitting van 8 december 2008, als getuige, "dat hij voor het opstellen van het verslag is voortgegaan op de inlichtingen en de informatie hem verstrekt door Mtr. W. alsmede de verslagen van dokter J. en tandarts V; en twee verslagen van dokter B. die hem in kopij werden overgemaakt. Voor het overige heeft hij geen gebruik gemaakt van stukken die als overtuigingsstukken werden neergelegd zoals ondermeer de video-opname van het slachtoffer" (stuk 921 van het strafdossier). Het Hof houdt uitdrukkelijk rekening met de verslagen van Dr. B., maar houdt bij de beoordeling van de bewijswaarde ervan ook rekening met deze door Dr. B. ter zitting gedaan verklaring nopens de bronnen die hij gebruikte voor zijn verslagen. Daardoor is het gebrek aan tegenspraak bij de uitvoering van de deskundigenonderzoeken afdoende hersteld. In de mate dat deze deskundigen geen exacte leeftijd van het slachtoffer zouden vaststellen, is thans het verweer van beklaagde zonder voorwerp geworden, nu het Hof in zijn verstekarrest reeds heeft geoordeeld dat maar kan worden vastgesteld dat het slachtoffer geen zestien jaar oud was op het ogenblik van de feiten en deze redengeving, zoals hierna verder wordt uiteengezet, handhaaft. Voor de vaststelling dat het slachtoffer geen zestien jaar oud was, houdt het Hof bovendien ook rekening met getuigenverklaringen.
  19. Beklaagde Q. meent ook dat zijn rechten van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces aangetast zijn door de vooringenomenheid van deskundige Dr. R.. Geen nietigheid wordt aangevoerd en geen nietigheid is voorhanden. Er is geen grond voorhanden om het verslag uit de debatten te weren. Verder is deze deskundige onafhankelijk opgetreden. De wijze van vraagstelling maakt deel uit van de door hem gevolgde onderzoeksmethode, waarop beklaagde tegenspraak mag voeren en dus kritiek mag hebben. Het Hof neemt deze opmerkingen mee in zijn beoordeling. Het deskundig verslag vormt immers een advies, dat door het Hof op zijn kwaliteiten zal worden beoordeeld en waarbij een eventueel gebrek aan objectiviteit zal worden afgewogen. Het Hof neemt ook het deskundig onderzoek van Dr. M. in zijn beoordeling. Het was beklaagde zelf die werd onderzocht, zodat hij steeds en onmiddellijk kon protesteren tegen een niet aanvaardbare houding van de betrokken deskundige. Tenslotte zet beklaagde niet uiteen waarin zijn rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Hij geeft geenszins aan welke tegenspraak hem ontzegd is geworden.
  20. Beklaagde Q. verwijt verder deskundige Dr. D. een beroep te hebben gedaan op mevrouw B., die licentiate psychologie is, van Marokkaanse origine en Arabisch sprekend. Zij wordt door Dr. D. ingeschakeld deels als tolk en deels om te peilen naar de specifiek cultureel gebonden thema's /gewoonten. In zijn door de onderzoeksrechter gegeven onderzoeksopdracht wordt Dr. D. uitdrukkelijk gemachtigd zich te laten bijstaan door andere specialisten van zijn keuze indien het onderzoek zulks vergt. Het is niet vereist dat een afzonderlijk verslag door deze aangestelde deskundige wordt opgesteld, zodat het evenmin vereist is dat de concrete bijdrage uit het verslag kan worden afgeleid. Dr. D. geeft immers aan dat zij is opgetreden als ervaringsdeskundige in de Marokkaanse cultuur en als tolk. Het is niet vereist dat deze andere specialist de eed van deskundige aflegt. De taalwet is evenmin geschonden omdat de taal die deskundige gebruikte om een partij te horen niet het Nederlands was en omdat de tolk/vertaler, die optrad om vertalingen uit te voeren, niet de eed aflegde. Het Hof neemt verder nota van de kritiek die beklaagde laat gelden op dit deskundig verslag, dat als onvoldoende objectief wordt bestempeld. Deze kritiek wordt door het Hof mee in overweging genomen bij de beoordeling van de bewijswaarde van het deskundig verslag, dat immers maar als een advies geldt. Er kunnen uit deze kritiek evenwel geen gronden worden gepuurd om het deskundig verslag te weren of te besluiten tot een onherstelbare schending van de rechten van verdediging of het recht op een eerlijk proces.
  21. Dat verder in het proces-verbaal van 4 mei 2005 (stuk 381 van het strafdossier) wordt gesuggereerd dat beklaagde betrokken zou zijn geweest bij een zaak van mensenhandel, zonder dat desbetreffend verder onderzoek werd ingesteld, houdt geen schending van de rechten van verdediging in. Beklaagde wordt niet vervolgd voor dit in het betrokken PV vermelde feit en het Hof houdt er dan ook geen rekening mee. Geen verder onderzoek is dan ook vereist. Anders dan beklaagde voorhoudt wordt "de oordeelsvorming in hoofde van de grondrechters" geenszins "onherstelbaar aangetast door huidige strafinformatie" (conclusie Mr. W., blz. 6 in fine). Evenmin is de afwezigheid van bepaalde foto's van aard om beklaagden te krenken in hun rechten van verdediging (conclusies Mr. W., blz. 7 en 8 randnummer 2). De voorhanden zijnde foto's worden mee in de beoordeling betrokken en het staat de verdediging vrij haar interpretatie van deze foto's aan het Hof voor te leggen. De door beklaagde voorgehouden versie dat hij in Marokko was om toeristische redenen wordt door het Hof mee in overweging genomen. Dat er nog andere foto's van een reeks, waartoe de thans voorliggende foto's zouden behoren, voorhanden zouden kunnen zijn en dat de volledige reeks niet werd gevoegd, is te dezen niet relevant. Het is een loutere bewering van beklaagde dat deze andere foto's moedwillig zouden worden achtergehouden door de entourage van het slachtoffer. Overigens zijn de betrokken voorliggende foto's maar één van de vele beoordelingselementen, zoals uit het hierna verder uiteengezette blijkt.
  22. Beklaagden hebben van hun zwijgrecht gebruik gemaakt. Eerste beklaagde heeft maar na afsluiten van het strafonderzoek zijn versie van de feiten weergegeven. Beklaagden hebben bijstand kunnen genieten van advocaten. Eerste beklaagde is overigens zelf advocaat. Geen gronden zijn te dezen voorhanden om tot een schending van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van beklaagden te kunnen besluiten. De vraag naar de sanctie bij eventuele schending van deze rechten rijst dan ook niet. Overigens weze herhaald dat het Hof bij de beoordeling van de bewijswaarde van het voorliggende bewijs rekening houdt met de door de verdediging ter zake aangevoerde bemerkingen. Vermoeden van onschuld
  23. Geen regel van positief recht noch het vermoeden van onschuld wordt geschonden doordat bij de beoordeling van de schuldvraag de verklaringen van het slachtoffer worden verkozen boven de verklaringen van de beklaagde. Het komt de strafrechter immers toe de bewijswaarde van beide verklaringen te beoordelen, waarbij thans door het Hof alle door de beklaagden aangebrachte feitelijke elementen in de beoordelingen wordt opgenomen. Overigens bestaat de bewijslast niet alleen uit verklaringen van betrokkenen. Bijkomende onderzoeksverrichtingen en vermoeden van onschuld
  24. Beklaagde Q. verzoekt om diverse bijkomende onderzoeken. Hij heeft overigens reeds in de loop van het onderzoek dergelijke verzoeken gedaan. Het Hof stelt vast dat een uitgebreid en diepgaand onderzoek werd gevoerd. Geen bijkomende onderzoeksverrichtingen dienen te dezen worden uitgevoerd. Het strafonderzoek is afdoende om de schuld van beklaagden te kunnen beoordelen. Anders dan beklaagden voorhouden werd het onderzoek à charge en à décharge gevoerd. Overigens is beklaagde Q. ook van oordeel dat er al te veel tijd verstreken is en dat hij al te lang in het ongewisse is gelaten nopens de afloop van dit proces. Het behoort dan ook thans het dossier te beoordelen zoals het werd voorgelegd door het Openbaar Ministerie, aan wie het Hof overigens geen instructies te geven heeft voor eventueel bijkomend onderzoek. Redelijke termijn
  25. De redelijke termijn is te dezen evenmin overschreden. Vooral eerste beklaagde Q. heeft gebruik gemaakt van zijn recht bijkomende onderzoeken te vragen en rechtsmiddelen aan te wenden. Deze verzoeken en rechtsmiddelen werden binnen een normale tijd afgehandeld. Er is verder een uitgebreid onderzoek gevoerd, met diverse deskundigenonderzoeken, een uitgebreid telefonieonderzoek en een rogatoire opdracht naar Marokko. Er is zowel in de loop van het strafonderzoek als later tijdens de behandeling ten gronde geen tijd verloren gegaan. Overigens geeft beklaagde Q. niet aan wanneer en waardoor de redelijke termijn overschreden zou zijn. Hij stelt enkel dat "de zaak reeds vijf jaar aansleept" (beroepsconclusie Mr. W. blz. 21 in fine) en dat een aantal onderzoeksverrichtingen niet meer kunnen worden uitgevoerd. Hoger heeft het Hof uiteengezet dat geen bijkomende onderzoeksverrichtingen dienen te worden uitgevoerd en dat anderzijds de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces niet geschonden zijn doordat die onderzoeken niet worden uitgevoerd. Verjaring
  26. De strafvordering is niet verjaard: ten aanzien van beklaagden werd de verjaring rechtsgeldig gestuit door het bestreden vonnis. De schuldvraag
  27. De schuld van eerste beklaagde Q. aan de hem in zaak I sub A en B van de dagvaarding ten laste gelegde feiten is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven doch enkel voor zover de verkrachting is gepleegd ten aanzien van een minderjarige boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar.
  28. Het staat te dezen enkel vast dat het slachtoffer op het ogenblik van de feiten geen zestien jaar oud was. Het verweer van beklaagde Q. onder randnummer 5, blz 9 en 10 van de conclusie van Mr. W., is dan ook zonder voorwerp. Dit verweer heeft overigens betrekking op het bestreden vonnis, terwijl het Hof uiteraard de gehele zaak opnieuw beoordeeld. Het Hof verwijst naar de talrijke getuigenverklaringen (verklaringen van N. H., aan wie K. verklaard bijna 15 jaar oud te zijn, (stuk 85 van het strafdossier), en wiens tante telefoneerde met de zuster van K., die verklaarde dat ze bijna 15 jaar oud was (stukken 83 en 652 van het strafdossier), van M. E. B., halfbroer van het slachtoffer (stuk 412 van het strafdossier), van N. d. C., die verklaarde dat ze 15 jaar oud was (stuk 524 van het strafdossier), van V. B., halfzuster van beklaagde Q., die verklaarde dat ze ouder was dan 14 jaar (stuk 630 van het strafdossier), van M. B., halfbroer van beklaagde Q., die verklaarde dat ze geen 18 jaar was maar ook geen 14 jaar (stuk 705 van het strafdossier)). De gerechtelijke deskundigenonderzoeken bepalen geen exacte leeftijd van het slachtoffer op het ogenblik van de feiten. Gerechtsdeskundige psychiater D. bepaalt haar leeftijd "om en bij de 14 jaar". De gerechtsdeskundigen J. en tandarts V. zijn het erover eens dat het slachtoffer geen zestien jaar oud was (hun ter terechtzitting van 8 december 2008 afgelegde verklaringen, stuk 921 van het strafdossier) terwijl de deskundige aangesteld door beklaagde Q. haar leeftijd raamt tussen de zestien en achttien jaar. Deze deskundige heeft evenwel enkel gebruik gemaakt van de verslagen van de gerechtsdeskundigen en van de inlichtingen en informatie, die hem waren verstrekt door de raadsman van beklaagde Q.. Zijn getuigenis en zijn bevindingen zijn dan ook minder geloofwaardig dan deze van de beide gerechtsdeskundigen. Alleen de beenderleeftijd wordt door gerechtsdeskundige Dr. B. bepaald op 18 jaar. Zijn conclusies kunnen evenwel geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de overige gerechtsdeskundigen en worden door Dr. J. als niet van doorslaggevend belang bestempeld (zijn ter terechtzitting van 8 december 2008 afgelegde verklaring, stuk 921 van het strafdossier). De geboorteakte geeft niet noodzakelijk de juiste datum van geboorte weer: het betreft immers een verklaring van geboorte, in casu geacteerd op ..1990 en gecertifieerd op ..2005 (stuk 254 van het strafdossier). Het slachtoffer zelf verklaart enkel te zijn geboren in 1990 (stukken 94 en 12 van het strafdossier). De bewering van beklaagde Q. in de overtuiging te zijn geweest dat K. meerderjarig zou zijn geweest is dan ook volstrekt ongeloofwaardig.
  29. Het is verder bewezen dat eerste beklaagde Q. seksuele betrekkingen had met het slachtoffer en haar penetreerde. De verklaringen van het slachtoffer zijn geloofwaardig: zij stelt uitdrukkelijk met eerste beklaagde te hebben geslapen zoals een vrouw bij een man slaapt, en kan nauwkeurig de slaapkamer beschrijven (stuk 9 van het strafdossier). Bovendien verklaarde zij uitdrukkelijk meestal dagelijks met hem sex te hebben gehad (stukken 11 en 97 van het strafdossier). Zij heeft bovendien ‘de pil' genomen, die ze van haar moeder had meegekregen (stuk 134 van het strafdossier). De ontkenning van deze beklaagde enig seksueel contact te hebben gehad met het slachtoffer is niet geloofwaardig. Hij zet zelf uiteen zich te hebben laten voorstellen aan de plaatselijke bevolking als vrijgezel, waardoor hij voor jonge meisjes aantrekkelijk werd. Bovendien was er eerder reeds, naar deze beklaagde zelf stelt, een schijnbruiloft (stukken 881 en 875 van het strafdossier). De door hem in de beroepsconclusie van Mr. W. (blz. 13 en 14, randnummer 4) aangehaalde feitelijke elementen kunnen aan deze beoordeling geen afbreuk doen. De afwezigheid van enig DNA onderzoek (blz. 14 van deze conclusie) kan daaraan geen afbreuk doen. Het overige wel aanwezige bewijs is te dezen afdoende. Verder gedroeg beklaagde zich in Marokko als de echtgenoot/toekomstige echtgenoot van het slachtoffer, zoals onder meer blijkt uit een foto van hen beiden (stukken 110 en bijlagen 3 en 4 aan stuk 93 van het strafdossier). Dat er mogelijks nog andere vakantiefoto's zijn is irrelevant en verhindert niet het bestaan van de betrokken foto en het op die foto vertoonde. Het ter zake door gerechtsdeskundige Dr. J. doorgevoerd onderzoek van het lichaam van het slachtoffer bevestigt dat zij geen maagd meer was in de anatomische zin van het woord. Er mag worden aangenomen, rekening houdende met de hoger gemaakte overwegingen, dat het maagdenvlies gedefloreerd werd door geslachtsbetrekkingen met beklaagde Q.. Van bepaalde sporten, zoals paardrijden en turnen, waardoor het maagdenvlies eveneens kan worden gedefloreerd, is geen sprake. Aan deze vaststelling van Dr. J. moet niet worden getwijfeld omdat hij geen foto's heeft genomen van het maagdenvlies. Ook het feit dat deze vaststelling van Dr. J. daarom niet meer kan worden gecontroleerd, betekent daarom niet dat de rechten van verdediging zouden geschonden zijn en dat deze deskundige vaststelling uit de debatten dient te worden geweerd. De opmerkingen van de door beklaagde aangestelde deskundige Dr. B. wordt mee opgenomen in de beoordeling. Overigens heeft gerechtsdeskundige Dr. J. zijn vaststelling ter terechtzitting van 8 december 2008 zelf gerelativeerd: hij stelde uitdrukkelijk: "De besluitvorming wat betreft een gedefloreerd maagdenvlies enkel inhoudt dat het slachtoffer geen intact hymne of maagdenvlies meer had. Het is wetenschappelijk onmogelijk vast te stellen dat niet-intakt maagdenvlies veroorzaakt wordt door volledige geslachtbetrekkingen" en verder wordt er gesteld "een gedefloreerd maagdenvlies kan veroorzaakt zijn door geslachtsbetrekking maar ook veroorzaakt zijn door bepaalde sporten zoals paarrijden en turnen" (stuk 921 van het strafdossier). Of er al dan niet herhaaldelijk penetratie heeft plaatsgevonden is niet aan de orde en is te dezen niet vereist. Gelet op het hoger uiteengezette staat het wel vast dat beklaagde het slachtoffer een aantal malen heeft gepenetreerd en dat elk seksueel contact, waarvan het slachtoffer gewag maakt, niet noodzakelijk steeds tot een volwaardige penetratie aanleiding moet hebben gegeven. De overweging van beklaagde dat aan zijn verklaring dezelfde bewijswaarde kleeft als aan deze van het slachtoffer faalt in rechte, zoals hoger onder randnummer 13 uiteengezet. De door beklaagde Q. opgesomde tegenstrijdigheden in de verschillende verklaringen van het slachtoffer ((beroepsconclusie van Mr. W. blz. 11, 12 en 13) ondermijnen geenszins hun geloofwaardigheid. Deze tegenstrijdigheden hebben geen betrekking op de essentie en zijn volkomen begrijpelijk door het trauma dat het slachtoffer heeft opgelopen.
  30. Het was bovendien, zoals hierna verder uiteengezet, alleen mogelijk het minderjarige slachtoffer mee te nemen naar België als echtgenote/toekomstig echtgenote van beklaagde Q.. K. E. B. verklaarde dan ook naar werkelijkheid dat laatstgenoemde haar wilde trouwen (stukken 12 van het strafdossier). Naderhand verklaarde zij niet meer welkom te zijn in Marokko omdat "iedereen weet dat ik met de advocaat naar bed ben geweest" (stuk 315 van het strafdossier). Zoals overigens beklaagde Q. zelf uiteenzet, was het uitgesloten in de cultuur van het slachtoffer en haar familie dat het minderjarige meisje zou worden toevertrouwd aan een vreemdeling zonder dat deze zich er middels een huwelijk toe verbond voor haar in te staan. Ook haar moeder kon dan ook maar worden overtuigd haar te laten vertrekken naar België met een vreemde man, indien laatstgenoemde met haar dochter zou trouwen (zie verklaring van K. E. B., stuk 100 van het strafdossier). Beklaagden Q. en R. B. konden daartoe op de steun van een oudere zus en haar man rekenen (zie verklaring van K. E. B;, stuk 100 van het strafdossier). Hun verklaringen en de verklaring van de moeder van het slachtoffer zijn niet geloofwaardig, wanneer zij de uithuwelijking van haar dochter, respectievelijk zus en schoonzus ontkennen (stukken 395 tot 400 van het strafdossier). Deze verklaringen laten zich wel verklaren door het vermoedelijk schuldgevoel dat thans leeft bij de moeder en bij de zuster (zie wat laatstgenoemde betreft de verklaring A. M., stuk 652 van het strafdossier). Beklaagde heeft enkel de indruk gewekt met K. te zullen huwen. Nooit was het zijn werkelijke bedoeling met K. E. B. te huwen. Na enkele maanden van seksueel misbruik en misbruik als huishoudhulp werd zij brutaal op straat gezet, zonder have noch goed. Overigens verklaarde beklaagde Q. zelf dat hoogstens bij de betrokkenen de indruk heeft bestaan dat alles ernstig was. Voor hem was het in elk geval nep en komedie. (Zie ook verklaring van deze beklaagde van 29 augustus 2007 (stukken 881 en bijlagen van het strafdossier)). Het slachtoffer is dan ook alleen door list ertoe overgehaald seksueel contact te hebben met laatstgenoemde. Bovendien was er het leeftijdsverschil en imponeerde beklaagde Q. het slachtoffer met zijn titel van advocaat en met zijn rijkdom. Zowel door list, en met name door zich ten aanzien van het meisje en haar familie voor te doen als toekomstige echtgenoot van het meisje, terwijl dit uitdrukkelijk niet zijn bedoeling was, als door misbruik te maken van de onvolwaardigheid van het slachtoffer, is zij tot volwaardig seksueel contact gedwongen. Dat beklaagde Q. een seksuele relatie heeft gehad en wilde hebben met een minderjarig en arm meisje wordt bevestigd door het onderzoek dat hijzelf over zich heeft laten uitvoeren. Klinisch psycholoog R. M. concludeert onder meer : "Vanuit structureel oogpunt zijn er ook duidelijke aanwijzingen van narcisme. Dit blijkt vooral uit een pervasieve nood aan spiegeling. Betrokkene kan zich pas iemand voelen in de mate dat, c.q; wanneer hij wordt ‘gespiegeld' door anderen." en "Betrokkene is slechts beperkt in staat tot het aangaan van oppervlakkige maar helemaal niet tot authentieke diepgaande contacten en relaties" (stuk 904 van het strafdossier, procedure eerste aanleg, door hem neergelegd ter terechtzitting van 27 oktober 2008). Beklaagde Q. had nood aan een gewillig slachtoffer, die hij volkomen kon domineren en dus naar eigen goeddunken kon gebruiken. Hij heeft dit slachtoffer gevonden in de persoon van wijlen K. E. B. Het Hof verwijst bijkomend uitdrukkelijk naar de conclusies van gerechtsdeskundige psychiater D., die concludeert: "Omwille van haar leeftijd, de overwegend mannelijk dominerende cultuur van afkomst, de impliciete druk van haar moeder en zuster om in te stemmen met het ‘huwelijk' en haar kwetsbare positie als illegale in een vreemd land, kan men stellen dat zij sterk beïnvloedbaar was ten tijde van het instemmen om mee te gaan naar België, alsook het komen tot seksuele handelingen. Zij laat duidelijk uitschijnen dat zij niet akkoord was met deze handelingen, doch uit angst en omwille van bovenstaande factoren niet anders durfde dan instemmen".
  31. De schuld van beklaagde Q. aan de hem in zaak I sub C van de dagvaarding ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in de dagvaarding, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven.
  32. K. E. B. diende ten huize van beklaagde Q. te verblijven om zijn seksuele behoeften te voldoen. Voor beide beklaagden diende zij tevens in zijn huishouden te worden tewerkgesteld. Beklaagde R. G., die de moeder is van beklaagde Q., verklaarde dat K. door haar zoon was meegebracht als hulp in het huishouden (stuk 42 van het strafdossier) en dat "ik zou niet weten waarom ik die centen zou geven, ze kreeg eten en drinken" (stuk 41 van het strafdossier). Het slachtoffer verklaarde weliswaar dat haar niet werd gevraagd te werken, maar zij verklaart ook "uit verveling ...wat in het huishouden" te hebben gedaan, wat wel degelijk de bedoeling was van beide beklaagden. Beklaagde Q. wist bovendien dat het slachtoffer niet werd betaald en dat zij dus zou worden tewerkgesteld in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. K. werd bovendien geslagen door beklaagden Q. en G.. Om haar te overtuigen gewillig mee te komen werd misbruik gemaakt van haar bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van haar geestelijke onvolwaardigheid. Het slachtoffer was minderjarig en zeker jonger dan zestien jaar. Haar werd een rooskleurige toekomst voorgespiegeld aan de zijde van een advocaat, als diens echtgenote. Alleen een minderjarig, geestelijk onvolwaardig en arm meisje kan zo gewillig worden gevonden om door deze beloften te worden misleid. Het Hof verwijst ook naar de beschrijving door de verbalisanten van de armoedige leefomstandigheden van haar familie in Marokko (stukken 446 tot 449 van het strafdossier).
  33. De schuld van beklaagde Q. aan het hem ten laste gelegde misdrijf van mensenhandel wordt niet weggenomen door het akkoord van de moeder en door de passieve medewerking van de oudere zus en haar man (zie de verklaring van S. M., stuk 652 van het strafdossier). Zij werden deels mede misleid door beklaagde Q. en door medebeklaagde en thans reeds veroordeelde R.: ook de familie zou direct of indirect welvaren bij een huwelijk van de Belgische advocaat met K.. Naar K. verklaarde werd door beklaagde Q. geld aan haar moeder overhandigd, zodat zij de indruk had te zijn verkocht, terwijl deze gift kon gelden als het deel van de bruidschat dat aan de ouders wordt gegeven (stuk 99 van het strafdossier). Of deze familieleden niet beter hadden moeten weten en of hun geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten is thans niet aan de orde. Het Hof dient in het raam van de beoordeling van de schuldvraag niet in te gaan op deze vraag. De schuld van beklaagde aan het hem ten laste gelegde kan niet worden weggenomen door een schuldige passieve of actieve medewerking van de familieleden, aangenomen dat deze bewezen zou zijn. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat personen uit haar omgeving niet steeds verklaringen hebben afgelegd die overeenstemmen met de verklaringen van het slachtoffer. Minstens uit schaamte leggen zij andersluidende verklaringen af.
  34. Het door beklaagde op blz. 21 van de beroepsconclusie van Mr. W. aangehaalde citaat uit de weergave van het audiovisueel verhoor van het slachtoffer dient te worden geplaatst in het geheel. De verbalisanten verhalen ook : "Ze vertelt een verward verhaal dat ze bij R. logeerde. Q kwam haar ophalen om mee naar de cinema te gaan want zijn moeder was een paar dagen niet thuis. Na de cinema zijn ze samen naar de woning in H. gegaan. Het was de laatste vrijdag van oktober. K. wou van die gelegenheid gebruik maken om terug bij Q. te gaan wonen. Hij wou dit niet, het zou anders de dood van zijn moeder kunnen worden. Zij kon niet blijven, ze moest de volgende dag terug naar R. gaan. En dat wilde K. niet. De volgende avond zijn moeder en de kinderen thuis gekomen toen K. er nog was. K. wilde niet terug naar R.. Ze zijn haar beginnen uitlachen en kleineren. Q. zei: "Mijn vrouw luister niet meer naar mij. Ik ga u vanaf nu zoals een slavin gebruiken. Gij moet hier alles poetsen en proper maken"". De eerder door beklaagde Q. aangehaalde elementen (blz. 17 van de beroepconclusie van Mr. W., randnummer 1) doen geen afbreuk aan zijn schuld en aan de hoger door het Hof gemaakte beoordeling. Het slachtoffer is niet uit eigen wil naar België gekomen en haar komst was niet geregeld door haar familie. Beklaagde Q. heeft een beroep gedaan op de medebeklaagden, en thans veroordeelden, om K. naar België te kunnen halen. De hypothese die beklaagde Q. in de conclusie van zijn raadsman Mr. W. ontwikkelt (blz.18 en 19) is volkomen gefantaseerd en door niets gestaafd. Van enige collusie tegen deze beklaagde is geen sprake. Wel staat het vast dat de familie van het slachtoffer zich schuldig heeft gevoeld, zoals hoger onder randnummer 23 uiteengezet. Maar deze vaststelling impliceert geenszins enige collusie of samenzwering tegen beklaagde. Bij de bewijswaardering van hun verklaringen houdt het Hof wel rekening met deze vaststelling. Evenmin zijn de overwegingen van beklaagde op blz. 19, randnummer 3 van de beroepsconclusie van Mr. W. van aard om afbreuk te kunnen doen aan de beoordeling van het Hof. Met betrekking tot dit slachtoffer hebben medebeklaagden en thans veroordeelden gehandeld in opdracht van beklaagde. B. R. was de boezemvriend van beklaagde Q. en heeft hem bij de familie van het slachtoffer geïntroduceerd. Deze beklaagde is overigens Marokkaans. Ook medebeklaagde en thans veroordeelde M. T. heeft noodzakelijke hulp verleend: hij heeft het vervoer geregeld en een valse identiteit geleverd aan K. E. B. om haar zonder problemen de grens met Spanje te kunnen laten oversteken.
  35. De schuld van beklaagden Q. en R. G. aan de hen in de zaak I sub E ten laste feiten, zoals omschreven in de dagvaarding is bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Het Hof verwijst naar de verklaringen van het slachtoffer (stukken 8, 11 en 96 van het strafdossier) en naar de verklaringen van R. G. (stuk 41 van het strafdossier). Haar bewering dat het kind haar zou hebben aangevallen is niet geloofwaardig. Dat het slachtoffer ook letsel vertoont ten gevolge van zelfmutilerend gedrag neemt niet weg dat zij ook "semi-recente littekens (mogelijk het gevolg van helende krasletsels) thv de borstkas en rechter arm" (blz. 3 van het verslag van Dr. J.) vertoonde, die zij niet zelf heeft toegebracht. Zelfmutilerend gedrag wijst wel op een onderliggend psychische trauma, waaraan beklaagden ten grondslag liggen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100520.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.