← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100602.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100602.8 Rolnummer: 2010 CO 511 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 13:05 Fiche Het is gebleken dat beklaagde zich niet even gemakkelijk uitdrukt in de taal van de rechtspleging (het Nederlands) als in de taal waarvan hij het gebruik aanvraagt (het Frans) en dat beklaagde niet beschikt over een voldoende kennis van de Nederlandse taal in die zin dat hij deze taal met het oog op zijn verdediging zou kunnen hanteren en begrijpen in al haar, onder meer juridische, schakeringen en bijzonderheden. Verder blijkt er te dezen generlei grond, eigen aan de omstandigheden van de zaak, die van aard zou zijn om de gevraagde verwijzing als ongepast te beschouwen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken Vrije woorden: Strafrechtspleging - taalwet - artikel 23 - verwijzing naar Franstalig gerecht - onvoldoende kennis van het Nederlands - geen bezwaren eigen aan de zaak Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - 23 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 2 juni 2010 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen de dato 12 maart 2010, gewezen op tegenspraak, werd voormeld verzoek tot verzending van de zaak naar een Franstalige kamer afgewezen. Ten gronde. Artikel 23, tweede lid van voormelde wet van 15 juni 1935 ( Taalwet gerechtszaken) bepaalt dat de beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, kan vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van de rechtspleging het Nederlands is. Artikel 23, vierde lid van de Taalwet gerechtszaken bepaalt: - dat in de gevallen bedoeld in, onder meer, lid twee, de rechtbank de verwijzing gelast naar het dichtsbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van de rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd; - dat de rechtbank evenwel wegens de omstandigheden van de zaak kan beslissen niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan. Beklaagde L.J. voert in beroepsconclusie , onder meer, aan: - dat hij geboren is in een Franssprekend gezin, al zijn studies uitsluitend in het Frans deed en als advocaat is ingeschreven bij de Franstalige Orde van Advocaten te Brussel; - dat hij weliswaar een beperkte kennis heeft van het Nederlands, kennis die hem evenwel niet toelaat om zijn rechten op een adequate wijze te verdedigen, nu zijn kennis van het Nederlands onvoldoende is om de juiste betekenis van gesproken of geschreven woorden of zinswendingen te begrijpen; - dat hij enkel de Franse taal machtig is en zich in elk geval gemakkelijker in die taal uitdrukt; - dat hij, overeenkomstig artikel 22 van de Taalwet gerechtszaken, tijdig ( op 18 januari 2010) via de griffie een verzoekschrift heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie, inhoudende vordering om bij het dossier een Franse vertaling te voegen van de in het Nederlands gestelde processen-verbaal, verklaringen van getuigen of klagers en de verslagen van deskundigen; - dat er derhalve geen grond is om aan te nemen dat de behandeling van de zaak vertraging zou oplopen bij verwijzing naar een Franstalige kamer van de correctionele rechtbank te Brussel; - dat de medebeklaagde R.K., van Russische nationaliteit zijnde, amper Nederlands of Frans spreekt en steeds dient bijgestaan te worden door een tolk Russisch. Voormelde door L.J. aangevoerde argumenten worden in essentie niet tegengesproken door de gegevens van het dossier. Het Hof stelt vast dat beklaagde L.J. bij zijn verhoren in de loop van het gerechtelijk onderzoek alsmede naar aanleiding van de te dezen voor de onderzoeksgerechten gevoerde procedures, omzeggens steeds werd bijgestaan door een tolk Frans. Bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting van dit Hof en deze kamer de dato 12 mei 2010, inzonderheid uit de persoonlijke tussenkomsten van L.J. in het alsdan te dezen gevoerde debat, is gebleken dat beklaagde zich in elk geval niet even gemakkelijk uitdrukt in de taal van de rechtspleging ( het Nederlands) als in de taal waarvan hij het gebruik aanvraagt ( het Frans) en dat beklaagde niet beschikt over een voldoende kennis van de Nederlandse taal in die zin dat hij deze taal met het oog op zijn verdediging zou kunnen hanteren en begrijpen in al haar, onder meer juridische, schakeringen en bijzonderheden. Verder blijkt er te dezen generlei grond, eigen aan de omstandigheden van de zaak, die van aard zou zijn om de gevraagde verwijzing als ongepast te beschouwen. Om alle voormelde redenen is het verzoek van beklaagde tot verwijzing van de zaak naar een ander rechtscollege van dezelfde rang waarvan de taal der rechtspleging het Frans is, ontvankelijk en gegrond. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100602.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.