id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100617.6 Rolnummer: 2010/FR/158 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-08-02 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-07-01 13:16 Fiche De inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij kunnen, na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 127, §2, Wetboek van Strafvordering en de voltooiing van de eventueel door hen binnen deze termijn verzochte bijkomende onderzoekshandeling, de onderzoeksrechter om geen nieuwe bijkomende onderzoekshandeling verzoeken (Cass. 14 nov. 2000, AR P.00.1382.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11, nr 621). UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Voltooiing van het onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging - Verzoek aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten - Vervollediging van het onderzoek - Nieuw verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen - Ontvankelijkheid - Art. 127,§2 en §3 Sv. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 61quinquies Wetboek van Strafvordering - 127 Nota: tegen dit arrest werd geen cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 17 juni 2010 te Antwerpen, KI (...) 3.2 Op grond van 127, §§ 2 en 3 Wetboek Strafvordering kunnen partijen slechts éénmalig aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen verzoeken. 3.3 Dit blijkt uit de bepalingen van genoemd artikel 127,§3 Wetboek Strafvordering. Wanneer de partijen van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt of wanneer, na verzoek daartoe, de bijkomende onderzoekshandelingen werden uitgevoerd of werden geweigerd bij beschikking van de onderzoeksrechter of bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig artikel 127,§2 Wetboek Strafvordering. De wet voorziet niet in meerdere mogelijkheden om in dit stadium van de rechtspleging om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. 3.4 Ook onder de toepassing van het voormalige artikel 127,6 Wetboek Strafvordering voorzag de wet niet in meerdere mogelijkheden om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. Deze slechts éénmalige toepassing volgde niet alleen uit de tekst zelf van het toenmalige artikel 127 Wetboek Strafvordering, doch werd tevens afgeleid uit de voorbereidende teksten van de wet, namelijk uit de toelichting van de commissie van strafprocesrecht, die gedeeltelijk in de Memorie van toelichting werd overgenomen (Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1996-97, nr. 857/1, 59) en het advies van de Raad van State (ibidem, 125), dat niet werd gevolgd door de wetgever. Herhaalde malen werd deze stelling ook ingenomen door rechtspraak en rechtsleer (Cass., 14 november 2000, P001382N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11; Cass., 12 februari 2002, NjW., 2002, 169, + noot S.VANDROMME; Cass., 13 oktober 2004, P041120F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5; L.HUYBRECHTS, "Twee jaar wet Franchimont", CBR Jaarboek 2000-2001, Maklu Antwerpen, 147; D.VANDERMEERSCH en O.KLEES, "Chronique de jurisprudence: Un an d'application de la loi du 12 mars 1998 (...), J.L.M.B., 1999, 1615 + geciteerde rechtspraak); S.VANDROMME, "Regeling van de rechtspleging (...)", NjW., 2002,161,e.v.; S.VANDROMME, "De wet van 31 mei 2005, punctuele wijziging m.b.t. de regeling van de rechtspleging (...)", R.W., 2005-2006, 402; L.HUYBRECHTS, "Nog maar eens over de kleine wet Franchimont", CBR Jaarboek, 2005-2006, Maklu Antwerpen, 327 ; R.VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, uitgave 2005, 569 ; R.DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, uitgave 2007, 311). 3.5 De wetgever heeft zich in de wet van 31 mei 2005 bij deze rechtspraak en rechtsleer aangesloten (Parl.St.Kamer, Memorie van Toelichting, 51.1317/001, 3, 10 en 11, Parl.St.Kamer, 51.1317/005, 24 ; Parl.St., Senaat, 2004-2005, 3-1100/2, 20). 3.6 Afgezien van de duidelijke tekst van de wet, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat na de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksdaden te vragen, nieuwe verzoeken als een perpetuum mobile telkens opnieuw zouden herbeginnen. De hernieuwde mogelijkheid tot inzage van het strafdossier, overeenkomstig artikel 127,§3 Wetboek Strafvordering heeft alleen tot doel de partijen in gelegenheid te stellen om met kennis van zaken hun middelen in verband met de regeling van de rechtspleging aan te brengen voor de raadkamer (cfr. K.I.Antwerpen, 3 januari 2006, T.Strafr. 2006/3, 143; KI.Gent, 5 januari 2006, T.Strafr. 2006/3, 144; KI.Brussel, 2 maart 2006, T.Strafr. 2006/3, 146; KI.Antwerpen, 19 februari 2009, onuitg). (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100617.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.