id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100908.12 Rolnummer: 2005AR1731 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-01-31 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 13:32 Fiche
- De verzekeringsinstelling, die haar verzekerde/schadelijder betaalt komt dus door haar betaling, op het tijdstip van haar betaling en tot beloop van haar betaling rechtens in het bezit van de schuldvordering van de schadelijder op de aansprakelijke. De handelingen die de verzekerde/schadelijder daarna stelt blijven zonder weerslag op de schuldvordering waarin de verzekeringsinstelling reeds gesubrogeerd is.
- Het onderscheid dat in bepaalde aspecten van de indeplaatsstelling kan gevonden worden tussen de gemeenrechtelijke subrogatie en de zogenaamde quasi-subrogatie, staat er niet aan in de weg dat het in beide gevallen gaat om betalingen met indeplaatsstelling waarbij de derde-betaler de schadelijder als schuldeiser vervangt tegenover de aansprakelijke. Beide vormen van indeplaatsstelling hebben dan ook dezelfde gevolgen behoudens wettelijke afwijkingen, die te dezen niet zijn aangetoond. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Vrije woorden: Subrogatierecht van de ziekteverzekeraar - verjaring - stuitingsdaad door verzekerde - tegenwerpbaarheid door de ziekteverzekeraar Nota: Art. 136, § 2, 4de lid ZIV-wet Art. 2244 BW Art. 1249 BW Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/1731 BELGACOM NV, met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 27, KBO-nummer 0202.239.951 appellante, vertegenwoordigd door Mr. K. VAN BROECKHOVEN loco Mr. MARCK Francis, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 tegen het vonnis gewezen op 17 maart 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 PB 40, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. C. PUTCUYPS loco Mr. DEVROE Els, advocaat te 2050 ANTWERPEN, Beatrijslaan 46 en loco Mr. DEVROE Jan, advocaat te 2050 ANTWERPEN, Beatrijslaan 46 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- In een dagvaarding van 28/04/2004 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, in 't kort LCM, uiteengezet dat ze de ziekteverzekeraar is van M.T. die op 26/09/1996 betrokken geraakte in een ongeval met lichamelijk letsel op het voetpad van de Turnhoutsebaan te Borgerhout. Dat voetpad was opengebroken ten gevolge van werken van Belgacom. Het slachtoffer M.T. overleed op 14/01/
- De aansprakelijkheidskwestie voor dit ongeval werd op vordering van de erfgenaam van wijlen M.T. beslecht in een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12/11/
- Belgacom werd aansprakelijk gesteld. Bij vonnis van 08/06/2001 werden de vergoedingen bepaald waarop de erfgenaam van wijlen M.T. gerechtigd was. LCM hield voor te zijn tussengekomen in de kosten van geneeskundige verzorging van haar verzekerde en vorderde als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde de veroordeling van Belgacom tot de betaling van een som van euro 21 753,62, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 04/09/1997, met de gerechtelijke interesten en de kosten. 1.
- Belgacom heeft de verjaring van de vordering van LCM tegengeworpen. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17/03/2005 heeft de oorspronkelijke eis van LCM gegrond verklaard door Belgacom te veroordelen tot de betaling van een som van euro 21 753,62, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 04/09/1997 tot op de dag van de uitspraak, en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling. Belgacom werd verwezen in de proceskosten. De eerste rechter oordeelde dat de verjaring van de vordering van het slachtoffer of van haar rechtsopvolger geldig gestuit werd door de dagvaarding die de erfgenaam uitbracht op 18/09/
- Volgens de eerste rechter duurde die stuiting tot op de dag van de uitspraak van het vonnis van 08/06/
- Een nieuwe vijfjarige termijn zou dan een aanvang hebben genomen zodat de verjaring pas bereikt zou worden op 07/06/
- De eerste rechter stelde vast dat de LCM dagvaardde op 28/04/
- Hij oordeelde dat de vordering van de LCM niet verschilt van de vordering van haar verzekerde, in wiens rechten hij gesubrogeerd is, zodat de stuiting van de verjaring ook de LCM ten goede komt. 1.
- Belgacom, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 21/06/
- 1.
- Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 06/12/2006 het hoger beroep van appellante ontvankelijk verklaard en heeft een heropening van de debatten bevolen om partijen toe te laten de stukken van de rechtspleging m.b.t. de vordering van de erfgenaam van wijlen M.T., met name van H.D.H. voor te brengen. De zaak werd na heropening van de debatten en na geheel hernomen te zijn wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel behandeld ter terechtzitting van 22/06/
- De eisen in hoger beroep na heropening van de debatten. 2.
- Appellante Belgacom vordert dat de eis van geïntimeerde bij hervorming van het beroepen vonnis ontoelaatbaar of onontvankelijk te verklaren wegens verjaring. Ondergeschikt verzoekt appellante de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren bij gebreke van uitsplitsing, minstens de gevorderde interesten te beperken tot de gerechtelijke interesten. Zij vraagt alleszins de in eerste aanleg te haren laste gelegde rechtsplegingsvergoeding niet te wijzigen in de zin die door geïntimeerde wordt gevorderd. 2.
- De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, hierna geïntimeerde genoemd, verzoekt het hoger beroep van appellante onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en appellante te verwijzen in de kosten van de beide aanleggen (rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep: euro 2 000,00).
- De beoordeling. 3.
- Geïntimeerde verzoekt nog het hoger beroep van appellante onontvankelijk te verklaren. Hij voert evenwel geen middelen aan waarop dit verweer zou kunnen steunen. Partijen waren elkaars tegenpartij in eerste aanleg. Appellante werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot de betaling van de door geïntimeerde gevorderde som. Appellante toont dan ook aan het vereiste belang te hebben om hoger beroep in te stellen. Zoals voormeld werd dit hoger beroep regelmatig naar vorm en termijn ingesteld. Het hoger beroep van appellante is toelaatbaar. 3.
- Geïntimeerde vordert ten laste van appellante de betaling van de uitgaven die ze als ziekteverzekeraar heeft gedaan naar aanleiding van het ongeval dat haar verzekerde M.T. overkwam op 26/09/1996 te Antwerpen (district Borgerghout) op de Turnhoutsebaan. Er bestaat geen betwisting meer over de aansprakelijkheid van appellante voor dit ongeval en voor de daaruit voortkomende schadelijke gevolgen. Die aansprakelijkheid van appellante werd vastgesteld in een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12/11/1999, gewezen tussen H.D.H., erfgenaam van de inmiddels op 14/01/1997 overleden M.T., en appellante. Geïntimeerde laat haar eis steunen op het subrogatierecht krachtens art. 136, §2, 4de lid van de Gecoördineerde Wet van 14/07/1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kortom de Ziektewet. Appellante heeft de exceptie van de verjaring tegengeworpen. In eerste aanleg werd het verweer van geïntimeerde ten overstaan van de verjaringsexceptie aanvaard door te oordelen dat de vordering van de ziekteverzekeraar tegen de aansprakelijke derde niet verschilt van de vordering van het slachtoffer zelf tegen die aansprakelijke en dat de stuiting van de verjaring door het slachtoffer ook ten goede komt aan de ziekteverzekeraar. Op die grond werd beslist dat de dagvaarding die Hugo De Houwer, erfgenaam van het slachtoffer op 18/09/1997 tegen appellante uitbracht, de verjaring stuitte met toepassing van art. 2244 van het Burgerlijk Wetboek, waarna de vijfjarige verjaringstermijn pas opnieuw begon te lopen vanaf 08/06/2001, dag van de uitspraak van het eindvonnis in het geschil D.H. vs Belgacom. Aldus meende de eerste rechter te moeten vaststellen dat de vordering van geïntimeerde niet verjaard was toen deze appellante dagvaardde op 28/04/2004, d.i. binnen een termijn van vijf jaar na 08/06/
- 3.
- Appellante werpt opnieuw de verjaring van de vordering van geïntimeerde tegen. Zij betwist dat de stuiting van de verjaring door de rechtsopvolger van het slachtoffer in onderhavig geval aan geïntimeerde ten goede komt. Zij meent dat geïntimeerde in de plaats gesteld werd in de vordering van het slachtoffer door haar betalingen, die geschiedden vóór de stuiting door de voormelde dagvaarding van 18/09/
- Die stuitingsdaad zou dan geïntimeerde niet ten goede kunnen komen. Geïntimeerde zou zelf geen daden van stuiting hebben gesteld. Geïntimeerde laat gelden dat de verjaring van haar vordering nuttig werd gestuit door de dagvaarding van 18/09/1997, en besluit dat de eerste rechter de beweerde verjaring van haar vordering terecht afwees. 3.
- De verzekeringsinstelling, zoals geïntimeerde, treedt met toepassing van art. 136, §2, 4de lid Ziektewet rechtens in de plaats van de rechthebbende tot het beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade, voortkomend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, geheel of gedeeltelijk vergoeden. Aldus is een overgang van schuldvordering geregeld die haar oorsprong vindt in een betaling. Het tijdstip van de betaling legt tegelijk het tijdstip van de overgang van schuldvordering vast. Ten gevolge van de betaling gaat de schuldvordering op de aansprakelijke over op de derde-betaler in de mate dat de schadelijder ze bezit en in de staat waarin die vordering zich bevindt. De verzekeringsinstelling, zoals geïntimeerde, die haar verzekerde/schadelijder betaalt komt dus door haar betaling, op het tijdstip van haar betaling en tot beloop van haar betaling rechtens in het bezit van de schuldvordering van de schadelijder op de aansprakelijke. De handelingen die de verzekerde/schadelijder daarna stelt blijven zonder weerslag op de schuldvordering waarin de verzekeringsinstelling reeds gesubrogeerd is. Zo geldt de stuiting van de verjaring door degene die in zijn rechten is gesubrogeerd enkel in het voordeel van de indeplaatsgestelde als ze dateert van vóór en niet van na de subrogatie. 3.
- Geïntimeerde haalt aan dat zijn subrogatierecht verschilt van de gemeenrechtelijke subrogatie volgens art. 1249 van het Burgerlijk Wetboek. Hij houdt voor dat zijn recht bestaat krachtens een bijzondere wet (art. 136, §2, 4de lid Ziektewet) en dat hij een eigen schuld, en geen schuld van een derde, betaalt wanneer hij zijn verzekerde vergoedt. Hij maakt gewag van een "quasi-subrogatie", die er zou toe leiden dat hij de vordering van het slachtoffer zelf, zijn verzekerde die hij vergoedde, uitoefent en dat de daden van stuiting van de verjaring, door zijn verzekerde (of zijn rechtsopvolger) gesteld, ook door hem geldig zouden kunnen worden ingeroepen. Het onderscheid dat in bepaalde aspecten van de indeplaatsstelling kan gevonden worden tussen de gemeenrechtelijke subrogatie en de zogenaamde quasi-subrogatie, staat er niet aan in de weg dat het in beide gevallen gaat om betalingen met indeplaatsstelling waarbij de derde-betaler de schadelijder als schuldeiser vervangt tegenover de aansprakelijke. Beide vormen van indeplaatsstelling hebben dan ook dezelfde gevolgen behoudens wettelijke afwijkingen, die te dezen niet zijn aangetoond. De door geïntimeerde aangehaalde mededelingsplicht van degene die schadeloosstelling verschuldigd is, vermeld in art.136, §2, 6de en 7de lid Ziektewet, doet niet af aan de rechtsgevolgen van zijn betalingen aan zijn verzekerde wat de indeplaatsstelling betreft en verhindert niet dat de aldus overgegane schuldvordering kan verjaren bij gebreke van nuttige stuiting. 3.
- De uitgaven die geïntimeerde in onderhavige zaak terugvordert van de aansprakelijke, zijn door hem volgens de uitgavenstaat nr. 1 van 04/09/1997 gedaan in de periode van 26/09/1996 tot 31/12/
- Geïntimeerde is vanaf het tijdstip van iedere betaling in die periode, voortkomend uit het schadegeval in kwestie, in de plaats gesteld van het slachtoffer, zijn verzekerde. De dagvaarding van de erfgenaam van het slachtoffer sloeg enkel op die kosten die laatstgenoemde persoonlijk ten laste waren gevallen. De door geïntimeerde aangevoerde stuiting van de verjaring, te weten de dagvaarding die de erfgenaam van het slachtoffer uitzond op 28/04/2004, d.i. na zijn betalingen, strekt hem dan ook niet tot nut. 3.
- Wijlen M.T., verzekerde van geïntimeerde, was het slachtoffer van het voormelde ongeval op 26/09/
- Rekening houdend met art. 2262bis, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek en de overgangsbepalingen van de wet van 10/06/1998, trad de verjaring van de vordering, waarvan geïntimeerde in de plaats werd gesteld, in door verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10/06/1998 (B.S. 17/07/1998), of op 27/07/
- Geïntimeerde bewijst niet dat hij vóór 27/07/2003 een nuttige daad van stuiting van de verjaring heeft gesteld. De dagvaarding die op 28/04/2004 werd uitgebracht om onderhavig geding aanhangig te maken, was daartoe niet tijdig. Het Hof besluit dan ook dat de vordering van geïntimeerde verjaard is. Het hoger beroep van appellante is gegrond. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verder recht sprekend na het tussenarrest van de 2de ter Kamer van dit Hof van 06/12/
- Verklaart het hoger beroep van appellante, de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verjaard. Verwijst geïntimeerde in de proceskosten van beide aanleggen vereffend aan de zijde van appellante op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 349,53, het rolrecht in hoger beroep van euro 186 en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 2
- Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 8 september
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter A. VERHAERT Raadsheer D. DEMEESTER Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100908.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.