← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100915.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100915.8 Rolnummer: 2009/CO/133 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-04-28 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-01 13:38 Fiche 1) Het vellen van minstens 20 zomereiken en een berk in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen is thans strafbaar gesteld door de artikelen 16.6.1.§ 1 en 16.6.

  1. van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. 2) Het loutere feit dat voorheen de burgerlijke partij als een feitelijke vereniging werd omschreven, doet aan de burgerlijke partijstelling geen afbreuk nu omtrent de identiteit van deze burgerlijke partij immers geen vergissing mogelijk is; de burgerlijke vordering is dan ook ontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieubeleid - Vlaanderen Vrije woorden: 1) Bomen vellen - Strafbaar - Milieubeleiddecreet 2) Burgerlijke partijstelling - Vroegere vermelding als feitelijke vereniging - Ontvankelijk Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 05-04-1995 - 16.6 Nota: Cassatieberoep verworpen op 8 maart 2011 (P.10.1629.N) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 15 september 2010 te Antwerpen, Twaalfde Kamer (...) II. Motivering ten gronde. Op strafrechtelijk gebied. Toe te passen regelgeving en verdere actualisering van de feiten: Overeenkomstig de vordering van het Openbaar Ministerie past het om de omschrijving van de feiten van de tenlastelegging aan de huidige wetgeving te actualiseren als volgt: * de artikelen 14 en 58 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd zijnde respectievelijk bij artikel 125 en 128 van het Decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging aan diverse bepalingen inzake de milieuhandhaving (B.S. 25.06.2009) * de artikelen 59, 60, 61 en 62 van Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, opgeheven zijnde respectievelijk bij de artikelen 129 en 130 van het Decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging aan diverse bepalingen inzake de milieuhandhaving (B.S. 25.06.2009) * artikel 47 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud gewijzigd zijnde bij artikel 67 van het Decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging aan diverse bepalingen inzake de milieuhandhaving (B.S. 25.06.2009) * de feiten conform artikel 51 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 ter uitvoering van titel XVI van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vanaf 25 juni 2009 strafbaar gesteld zijnde bij artikel 58 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zoals gewijzigd bij artikel 128 van het decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging aan diverse bepalingen inzake milieuhandhaving (B.S. 25 juni 2009) en bij artikel 16.6.1.§1 van voornoemd Decreet van 5 april 1995, zoals aangevuld bij artikel 9 van het Decreet van 21 december
  2. Daarenboven werden, bij artikel 17 van het Besluit van Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de vergoeding van wildschade of van schade door beschermde soorten en tot wijziging van hoofdstuk IV van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, de artikelen 7 tot en met 19 van voormeld Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 vervangen, met inwerkingtreding op 1 september
  3. Het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Milieubeleiddecreet) werd bij Decreet van 21 december 2007 (Aanvullingsdecreet) aangevuld met een titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen"; het inwerkingtreden van deze aanvulling geschiedde bij Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 met ingang van 1 mei 2009 (Milieuhandhavingsbesluit). De regelgeving voor 1 mei 2009 hield een bestraffing in op grond van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en waarbij een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en/of een geldboete van zesentwintig (frank) tot één miljoen (frank) waren bepaald; de huidige regelgeving en zoals ook geviseerd door het Openbaar Ministerie in de dagvaarding, ligt vervat in het artikel 16.6.1.§1 van het Milieubeleiddecreet van 5 april 1995 en voorziet in een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en/of een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro; het Hof zal, in geval van vaststelling van schuld in hoofde van de beklaagde, de minst zware straf toepassen. Het past derhalve de feiten van de tenlastelegging als volgt te preciseren: "Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid een door Titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen" van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid gehandhaafde regelgeving te hebben geschonden, met name: bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 8, 9, 13, 14 en 58 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 47 van de Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (Vlaams gewest) en de artikelen 8 tot en met 11 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zoals vervangen door artikel 17 van het Besluit van Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de vergoeding van wildschade of van schade door beschermde soorten en tot wijziging van hoofdstuk IV van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen, in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied aangewezen met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening, de volgende activiteiten tot wijziging van kleine landschapselementen te hebben aan de dag gelegd met name, het rooien of anderszins verwijderen en het beschadigen van houtachtige beplantingen op weg-, waterweg- of spoorwegbermen of op het talud van holle wegen, van houtachtige beplantingen langs waterlopen, dijken of taluds, van heggen, hagen, houtkanten, houtwallen, bomenrijen en hoogstamboomgaarden, meer bepaald ingevolge het vellen van minstens 20 zomereiken en een berk, deze feiten thans strafbaar gesteld zijnde door de artikelen 16.6.1.§ 1 en 16.6.
  4. van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en zoals gewijzigd". De feiten, voorwerp van de strafvervolging blijven door deze actualisering en precisering ongemoeid en partijen hebben zich daarop kunnen verdedigen. Beoordeling: De duur van de strafvervolging overschrijdt te dezen de redelijke termijn niet; nadat de feiten vastgesteld zijn bij proces-verbaal van 9 februari 2006 werd verder strafonderzoek gevoerd en waarbij o.a. aan de beklaagde de gelegenheid werd geboden vrijwillig tot herstel over te gaan hetgeen hij weigerde blijkens zijn verklaring van 11 december 2006 waarna de burgerlijke partij zich in 2008 heeft gemeld als benadeelde partij hetgeen dan heeft geleid tot het afsluiten van het strafonderzoek, gevolgd op 15 juli 2009 door het afgeleverde bevel tot dagvaarding waarna de strafprocedure zowel voor de eerste rechter als thans in graad van hoger beroep zijn verdere normale voortgang heeft gekend; de verlopen termijn heeft evenmin invloed gehad noch op de bewijslevering als dusdanig noch op de rechten van de verdediging. De schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten, zowel onder de vroegere wetsomschrijving als onder deze die thans geldend is, is bewezen gebleven na hernieuwd onderzoek door het Hof ter terechtzitting en aan de hand van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en om de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, door beklaagde niet weerlegd zijnde, die het Hof bijtreedt en alhier overneemt en als volgt aanvult. Ten onrechte houdt beklaagde voor dat het om een noodzakelijke onderhoudskap ging; in het kader van de uitgevoerde werken werden minstens 8 hoogstammige bomen afgezaagd hetgeen volgens de Stedenbouwregelgeving zelfs een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning vereist; het geheel van die bomen samen met de andere aanwezige houtgewassen - dit wordt niet weerlegd door de beklaagde - vormde gezamenlijk houtachtige beplantingen, houtkanten of bomenrijen zoals voorzien in de tenlastelegging en waarvoor, nu het verwijderen of beschadigen daarvan geen louter onderhoudswerk uitmaakte, voorafgaandelijk een schriftelijke natuurvergunning vereist is; niet weerlegd wordt dat beklaagde daarover niet beschikte. Het feit dat beklaagde als pachter de houtkant diende te onderhouden, vermocht niet hem te nopen tot het vellen van die bomen en de aantasting van de houtkant op de wijze zoals hij heeft gedaan zonder vergunning; niets had hem kunnen beletten zodanige vergunning aan te vragen; evenmin is de wettelijke regeling inzake van de afstand van hoogstammige bomen ten opzichte van de perceelsgrens van aard hem te verplichten dergelijk vellen van bomen te verrichten zonder vergunning; zijn ingrijpen was duidelijk meer dan louter onderhoudswerk; dat er bij die werkzaamheden mogelijks ook jongere staken werden afgezet en ook effectief deels houtkant werd gekapt doet aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk; het geheel van de uitgevoerde werkzaamheden vereiste een voorafgaande schriftelijke natuurvergunning; alle andere beweringen van beklaagde zijn niet van aard anders te moeten oordelen. Beklaagde kan niet ernstig worden gevolgd in zijn bewering dat hij niet op de hoogte was van zijn wettelijke rechten en plichten; dat artikel 6 van het Decreet Natuurbehoud van 21 oktober 1997 voorziet dat educatie en voorlichting van de bevolking inzake natuurbehoud dient gestimuleerd, houdt nog niet in dat beklaagde door de overheid individueel diende ingelicht omtrent de regelgeving; deze wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en alzo tegenstelbaar aan de burgers waaronder beklaagde; de schuld van de beklaagde is dan ook aangetoond en er zijn geen redenen om tot uitsluiting of vermindering van diens schuld te besluiten. Gelet op de aard, de omvang en de bijzondere ernst van de feiten en mede om reden dat niet aangetoond wordt dat zijn declassering zou bevorderd worden door het uitspreken van een straf, gaat het Hof niet in op het verzoek van de beklaagde om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te bevelen, temeer nu zulks niet van aard zou zijn om aan de beklaagde het zwaarwichtige karakter van de feiten en het risico ervan voor mens en milieu duidelijk te maken. Te dezen kan het volstaan om aan de beklaagde uit hoofde van voormelde bewezen feiten een geldboete van tweehonderd vijftig

(250)euro, met 45 opdeciemen te verhogen en alzo gebracht op duizend driehonderd vijfenzeventig (1.375) euro, of een vervangende gevangenisstraf van een maand op te leggen. Bij de bepaling van deze strafmaat hield het Hof rekening met het gegeven dat het laatste feit reeds geruime tijd geleden gepleegd werd en dat het dossier elementen bevat van aard om aan te nemen dat de beklaagde ondertussen een andere ingesteldheid heeft aangenomen ten opzichte van zijn maatschappelijke plichten en maatschappelijke beperkingen; het Hof ziet evenwel geen redenen om met betrekking tot deze geldboete aan de beklaagde nog enige gunst van een geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging daarvan toe te staan. De herstelvordering: Ten onrechte doet beklaagde gelden dat de herstelvordering uitgaande van het Agentschap voor Natuur en Bos (stuk 25) in datum van 24 oktober 2006 geen rechtsgrond zou hebben. Artikel 59 van het Decreet Natuurbehoud van 21 oktober 1997 is weliswaar opgeheven met ingang van 25 juni 2009 doch overeenkomstig artikel 16.6.6. van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is het Hof gehouden de herstelvordering van de gemachtigde ambtenaar te beoordelen. Het verweer van de beklaagde met betrekking tot het niet voorhanden zijn van enig advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, is niet nuttig aan te nemen nu immers huidige beoordeling geen betrekking heeft op enige stedenbouwkundige inbreuk noch op enige herstelvordering vanwege een stedenbouwkundig inspecteur en/of College van burgemeester en schepenen; evenmin dient te dezen artikel 149 §4 D.R.O. nageleefd. De voorliggende herstelvordering is rechtsgeldig ingediend door J.J., diensthoofd Natuur van het Agentschap Natuur en Bos en niet weerlegd is dat betrokkene de gemachtigde ambtenaar daartoe was en het te bevelen herstel gebeurt in de regel volgens de daartoe ingestelde vordering nu het immers niet de rechter is die de aard van de herstelmaatregel bepaalt (doch wel de bevoegde overheid) noch heeft deze te oordelen over de opportuniteit ervan. Uit deze herstelvordering blijkt op duidelijke en niet mis te verstane wijze de wil van de overheid en zij is gesteund op de concrete gegevens van de zaak, steunt op motieven van milieubeleid en natuurbehoud, is niet kennelijk onredelijk, is zowel intern als extern wettig en beoogt op gepaste, aangepaste doch noodzakelijke wijze het herstel van de gevolgen van het door de beklaagde gepleegde misdrijf; bij deze herstelvordering werd trouwens expliciet rekening gehouden met het feit dat de houtkant reeds deels nieuw is aangegroeid doch de hoogstammige bomen hebben blijkbaar geen uitlopers op de stam maar enkel op de wortels (vaststellingen eind augustus 2006 - stuk 24 medio) zodat met betrekking tot die bomen toch een nieuwe aanplant dient bevolen terwijl de thans bestaande uitlopers dienen behouden om alzo in de houtkant naast het lijnvormige element ook het opgaande element en zoals het voorheen was, opnieuw te bekomen; tevens dient voorzien in vervanging in geval van afsterven; de verdere argumentatie van beklaagde desbetreffend is dan ook niet van aard anders te moeten oordelen. Het past om te dezen de termijn voor het herstel te bepalen op 1 jaar. Verder komt het passend over om een dwangsom op te leggen waarvan het bedrag dient bepaald op 500,00 EUR per plantseizoen - zoals gebruikelijk bij zomereiken - vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel, indien niet vrijwillig door beklaagde wordt overgegaan tot het uitvoeren van de opgelegde maatregelen zoals boven aangegeven en dit binnen de termijn van 1 jaar, te rekenen vanaf de dag dat de gemachtigde ambtenaar de beklaagde heeft opgelegd de herstelmaatregel, die het Hof heeft bevolen, uit te voeren, met dien verstande dat die dwangsom zal opvorderbaar zijn vanaf de eerste dag na de hoger vermelde hersteltermijn in zoverre het huidig arrest vooraf werd betekend; deze termijn van één jaar is geen dwangsomtermijn; tevens dient voorzien dat de gemachtigde ambtenaar het arrest zelf uitvoert, op kosten van de beklaagde, als beklaagde deze verplichting niet binnen de gestelde termijn is nagekomen. Op burgerrechtelijk gebied. Uit de stukken en de regelgeving blijkt genoegzaam dat de burgerlijke partij KERKFABRIEK SINT LAMBERTUS BEL, als kerkbestuur, dient aangezien als een openbare instelling van bijzondere aard en met een eigen rechtspersoonlijkheid ter realisatie van een welbepaald belang en derhalve autonoom te dezen kan optreden ter bescherming van de voorgehouden patrimoniale belangen; deze kerkfabriek wordt in rechte vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris die deel uitmaken van de kerkraad; het loutere feit dat voorheen deze burgerlijke partij als een feitelijke vereniging werd omschreven, doet aan voorgaande vaststelling geen afbreuk nu omtrent de identiteit van deze burgerlijke partij immers geen vergissing mogelijk is; de burgerlijke vordering is dan ook ontvankelijk. De burgerlijke partij vordert thans in conclusie vergoeding voor de beweerde tegenwaarde van de acht gevelde bomen; evenwel is beklaagde gehouden tot de heraanplant van die acht bomen derwijze dat hic et nunc geen zekerheid bestaat omtrent de exactheid van de door de burgerlijke partij nu reeds geleden schade, temeer nu beklaagde de pachter is en hij op het einde van zijn pachterverplichtingen dient gehouden het pachtgoed terug te geven en alsdan tussen partijen contractueel afrekeningen (kunnen) worden gemaakt; derhalve kan aan de burgerlijke partij momenteel enkel één euro ten provisionele titel toegekend worden. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20100915.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.