id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101007.5 Rolnummer: 2010AR1128 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2011-04-07 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 13:48 Fiche De gefailleerde is partij in het vonnis van sluiting van het faillissement waarin een einde wordt gesteld aan de buitenbezitstelling van zijn vermogen en waarin uitspraak wordt gedaan over zijn al dan niet verschoonbaarheid. Ook de curator die als bewind en als gerechtelijk lasthebber in het belang van de gefailleerde en van de gezamenlijk schuldeisers het beheer van het vermogen van de gefailleerde had overgenomen, is partij in het vonnis van sluiting van het faillissement. Het hoger beroep tegen de niet-verschoonbaarverklaring moet daarom door de gefailleerde gericht worden tegen de curator als vertegenwoordiger van de schuldeisers. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechtspleging Vrije woorden: faillissement - rechtspleging - niet-verschoonbaarverklaring - hoger beroep - curator Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2010/AR/1128 J. R. - appellant - tegen het vonnis gewezen door de 22e kamer van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, de dato 9 maart 2010, gekend onder het rolnummer AR A/08/5112 - vertegenwoordigd door Mr. Philippe MEULEPAS, advocaat te 2000 Antwerpen, Bredestraat 4 tegen: Mr. Nick PEETERS, qq. curator van het faillissement van J. R., advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Huidevetterstraat 22/24, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen de dato 3 juli 2008 (Ref.: 9081831) - geïntimeerde, in persoon verschenen
- De antecedenten en de vorderingen J.R. werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen dd. 3 juli 2008 op vordering van de Belgische Staat failliet verklaard. Bij vonnis dd. 9 maart 2010 werd het faillissement gesloten en werd J.R. niet verschoonbaar verklaard. Met een op 7 april 2010 neergelegd verzoekschrift heeft J.R. hoger beroep ingesteld. Hij vraagt verschoonbaar te worden verklaard. De curator besluit tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep.
- Beoordeling 2.
- DE TOELAATBAARHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep is gericht tegen een beslissing, genomen in het vonnis van sluiting van het faillissement. In dit vonnis was J.R. partij, vermits daarin een einde werd gesteld aan de buitenbezitstelling van zijn vermogen en daarin uitspraak werd gedaan over zijn al dan niet verschoonbaarheid. Door het faillissement wordt aan de gefailleerde het beheer van zijn vermogen onttrokken en aan de curator toevertrouwd. De curator handelt daarbij als bewind en oefent als gerechtelijk lasthebber de bij de wet bepaalde machten uit zowel in het belang van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. Daaruit volgt dat de curator partij is in het vonnis van sluiting van het faillissement. Het hoger beroep tegen de niet-verschoonbaarverklaring moet daarom door de gefailleerde worden gericht tegen de curator, als vertegenwoordiger van de schuldeisers. Het feit dat het vonnis van sluiting een einde stelt aan de opdracht van de curator wijzigt daaraan niets, vermits het nu precies dat vonnis is dat wordt bestreden - weze het dat het hoger beroep niet gericht is tegen de sluiting op zich. Het hoger beroep, dat J.R. tegen de curator instelde, is daarom toelaatbaar. 2.
- DE GROND VAN DE ZAAK Uit art. 80 Faill. W. volgt dat, behalve in geval van gewichtige omstandigheden, de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt, verschoonbaar wordt verklaard. Ofschoon J.R. de beroepsactiviteit van aannemer uitoefende toen hij op dagvaarding failliet werd verklaard, was hij gedomicilieerd op een adres van waaruit hij onmogelijk zijn beroepsactiviteit kon uitoefenen, konden aanvankelijk geen activa worden aangetroffen en werd geen medewerking aan de curator verleend. J.R. wijst er terecht op dat hij de later gevonden activa betaalde aan de curator én dat de curator inkomsten ontving uit zijn beroepsactiviteit - voor in totaal 903,63 EUR, hetzij meer dan door de eerste rechter aangenomen. Hij gaat er echter aan voorbij dat dit alles slechts mogelijk was omdat de curator toevallig ontdekte dat de aannemersmaterialen van J.R. zich bevonden op een werf van de door zijn vriendin kort voor het faillissement opgerichte nieuwe vennootschap BVBA Aqua Paradise en het deze ontdekking was die de curator in staat stelde loonbeslag te leggen in handen van deze vennootschap. Het is, met andere woorden, omdat de activa werden ontdekt die J.R. had verborgen en kon worden ontdekt welke zijn bron van inkomsten was, dat deze activa konden worden gerealiseerd. De goederen van een handelaar vormen het onderpand van de schuldeisers. Een handelaar die doelbewust activa aan de schuldeisers onttrekt, is niet te goeder trouw. Om deze redenen kan J.R. niet verschoonbaar worden verklaard. De feitelijke gegevens die J.R. naar voor brengt, maken het bovenstaande niet ongedaan. OM DEZE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; Verwijst J.R. in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van de curator op 0 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de VIJFDE KAMER van het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, op 7 oktober 2010 waar aanwezig waren: de heer E. HULPIAU Kamervoorzitter de heer E. LEMMENS Raadsheer de heer J. EMBRECHTS Raadsheer de heer K. MOREL Griffier K. MOREL J. EMBRECHTS E. LEMMENS E. HULPIAU PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101007.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div