← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101012.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101012.9 Rolnummer: 2010/RP/307 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-07-01 17:46 Fiche Wanneer de partijen van de in artikel 127, §§2 en 3 Wetboek van Strafvordering voorziene mogelijkheid om aan de onderzoeksrechter bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken, geen gebruik hebben gemaakt of wanneer, na verzoek daartoe, de bijkomende onderzoekshandelingen werden uitgevoerd of werden geweigerd bij beschikking van de onderzoeksrechter of bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig artikel 127,§2, Wetboek Strafvordering. De wet voorziet niet in meerdere mogelijkheden om in dit stadium van de rechtspleging om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. Noch uit artikel 235ter Sv noch uit artikel 127 Sv volgt dat de procedure van regeling van de rechtspleging niet kan worden opgestart door partijen reeds op te roepen voor de zitting voor de raadkamer, met als gevolg dat de partijen op dat ogenblik toepassing kunnen maken van de in artikel 127, § 3, bepaalde mogelijkheid een verzoek in te dienen om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Het feit dat cassatieberoep werd ingesteld tegen het arrest waarbij de controle overeenkomstig artikel 235ter Sv werd uitgevoerd en hierover nog geen definitieve uitspraak is gedaan, doet hieraan geen afbreuk. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Bijkomende onderzoeksdaden Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - bijkomende onderzoekshandelingen - eenmalig Regeling van de rechtspleging - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen overeenkomstig artikel 127/61quinquies Sv. - Tijdstip - Cassatieprocedure inzake 235ter Sv nog hangende Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 127 Nota: De voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest van 23 november 2010, P.10.1643.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.6 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 12 oktober 2010 te Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling, (...)

  1. BEOORDELING 3.1 Zoals het openbaar ministerie terecht aanhaalt, blijkt uit de akte van hoger beroep dat enkel de weigering van de raadkamer om de procedure te schorsen wordt betwist. De inverdenkinggestelde kan niet opkomen tegen een onderdeel van de bestreden beschikking zonder de eindbeslissing van de raadkamer, namelijk zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank, te betwisten. Het hoger beroep is bijgevolg niet ontvankelijk. 3.2 In zoverre het hoger beroep zou inhouden dat de raadkamer diende te schorsen en derhalve de inverdenkinggestelde niet kon verwijzen naar de correctionele rechtbank, zijn op grond van artikel 135 Wetboek van Strafvordering, de beperkende voorwaarden van hoger beroep toepasselijk. De inverdenkinggestelde kan conform artikel 135,§2, Wetboek Strafvordering alleen hoger beroep instellen tegen de beschikking van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank heeft verwezen: - in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131,§1, Wetboek Strafvordering, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, - in geval van het bestaan van gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering of - wanneer een bevoegdheidsbetwisting werd opgeworpen overeenkomstig artikel 539 Wetboek Strafvordering. 3.3 Het hoger beroep is slechts ontvankelijk indien genoemde onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden bij schriftelijke conclusie werden ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer die zijn ontstaan na het debat voor de raadkamer. 3.4 De inverdenkinggestelde legde voor de raadkamer een schriftelijke conclusie neer, waarin werd opgeworpen dat de procedure in het kader van de regeling van de rechtspleging onregelmatig is verlopen. Het hoger beroep, zoals dit door de inverdenkinggestelde werd beperkt, is ontvankelijk. 3.5 Bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 juni 2010 werd vastgesteld dat de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie regelmatig zijn. De voorzieningen tegen dit arrest werden verworpen door de arresten van het Hof van Cassatie van 27 juli en 21 september
  2. De voorziening vanwege de inverdenkinggestelde werd onontvankelijk verklaard wegens het buiten termijn neerleggen van de memorie. 3.6 Inmiddels werden partijen opgeroepen voor de regeling van de rechtspleging tegen de zitting van de raadkamer van 9 juli
  3. Die werd evenwel geschorst omdat meerdere partijen verzochten om bijkomende onderzoekshandelingen. De inverdenkinggestelde richtte geen dergelijk verzoekschrift aan de onderzoeksrechter. Ter zitting van de raadkamer tekende hij voorbehoud aan omdat de procedure inzake de controle over de bijzondere opsporingsmethoden nog lopende was voor het Hof van Cassatie. 3.7 Na de uitvoering van de bijkomende onderzoekshandelingen werden partijen een tweede maal opgeroepen voor de regeling van de rechtspleging, dit tegen de zitting van de raadkamer van 24 september
  4. De inverdenkinggestelde richtte op 23 september 2010 een verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen aan de onderzoeksrechter. Specifiek wat betreft de inverdenkinggestelde oordeelde de raadkamer dat de procedure regelmatig is verlopen, dat bijkomende onderzoekshandelingen niet noodzakelijk zijn en dat de rechtspleging niet wordt geschorst. De inverdenkinggestelde werd verwezen naar de correctionele rechtbank. 3.8 Op grond van 127, §§ 2 en 3, Wetboek Strafvordering, kunnen partijen slechts éénmalig aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen verzoeken. Dit blijkt uit de bepalingen van genoemd artikel 127,§3, Wetboek Strafvordering. Wanneer de partijen van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt of wanneer, na verzoek daartoe, de bijkomende onderzoekshandelingen werden uitgevoerd of werden geweigerd bij beschikking van de onderzoeksrechter of bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig artikel 127,§2, Wetboek Strafvordering. De wet voorziet niet in meerdere mogelijkheden om in dit stadium van de rechtspleging om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. 3.9 Ook onder de toepassing van het voormalige artikel 127,6, Wetboek Strafvordering, voorzag de wet niet in meerdere mogelijkheden om bijkomende onderzoeks-handelingen te vragen. Deze slechts éénmalige toepassing volgde niet alleen uit de tekst zelf van het toenmalige artikel 127 Wetboek Strafvordering, doch werd tevens afgeleid uit de voorbereidende teksten van de wet, namelijk uit de toelichting van de commissie van strafprocesrecht, die gedeeltelijk in de Memorie van toelichting werd overgenomen (Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1996-97, nr. 857/1, 59) en het advies van de Raad van State (ibidem, 125), dat niet werd gevolgd door de wetgever. Herhaalde malen werd deze stelling ook ingenomen door rechtspraak en rechtsleer (Cass., 14 november 2000, P001382N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11; Cass., 12 februari 2002, NjW., 2002, 169, + noot S.VANDROMME; Cass., 13 oktober 2004, P041120F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5; L.HUYBRECHTS, "Twee jaar wet Franchimont", CBR Jaarboek 2000-2001, Maklu Antwerpen, 147; D.VANDERMEERSCH en O.KLEES, "Chronique de jurisprudence: Un an d'application de la loi du 12 mars 1998 (...), J.L.M.B., 1999, 1615 + geciteerde rechtspraak); S.VANDROMME, "Regeling van de rechtspleging (...)", NjW., 2002,161,e.v.; S.VANDROMME, "De wet van 31 mei 2005, punctuele wijziging m.b.t. de regeling van de rechtspleging (...)", R.W., 2005-2006, 402; L.HUYBRECHTS, "Nog maar eens over de kleine wet Franchimont", CBR Jaarboek, 2005-2006, Maklu Antwerpen, 327 ; R.VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, uitgave 2005, 569 ; R.DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, uitgave 2007, 311). 3.10 De wetgever heeft zich in de wet van 31 mei 2005 bij deze rechtspraak en rechtsleer aangesloten (Parl.St.Kamer, Memorie van Toelichting, 51.1317/001, 3, 10 en 11, Parl.St.Kamer, 51.1317/005, 24 ; Parl.St., Senaat, 2004-2005, 3-1100/2, 20). 3.11 Afgezien van de duidelijke tekst van de wet, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat na de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksdaden te vragen, nieuwe verzoeken als een perpetuum mobile telkens opnieuw zouden herbeginnen. De hernieuwde mogelijkheid tot inzage van het strafdossier, overeenkomstig artikel 127,§3, Wetboek Strafvordering, heeft alleen tot doel de partijen in gelegenheid te stellen om met kennis van zaken hun middelen in verband met de regeling van de rechtspleging aan te brengen voor de raadkamer (cfr. K.I.Antwerpen, 3 januari 2006, T.Strafr. 2006/3, 143; KI.Gent, 5 januari 2006, T.Strafr. 2006/3, 144; KI.Brussel, 2 maart 2006, T.Strafr. 2006/3, 146; KI.Antwerpen, 19 februari 2009, onuitg). 3.12 Artikel 6,1 EVRM is in regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten, die niet oordelen over de al dan niet gegrondheid van de ten laste gelegde feiten. Het recht van verdediging en dat op een eerlijk proces dient te worden beoordeeld in het kader van de gehele strafrechtspleging. In werkelijkheid komt de inverdenkinggestelde in hoger beroep op tegen een voorgaande fase van de procedure, namelijk die van artikel 127, §2 en §3, Wetboek Strafvordering, die thans is achterhaald. Immers blijkt uit de stukken van de rechtspleging dat in het kader van de regeling van de rechtspleging de inverdenkinggestelde de gelegenheid heeft gehad om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. Dit heeft hij daadwerkelijk gedaan en behoorde tot het debat voor de raadkamer. Aldus werd zijn recht van verdediging gevrijwaard. 3.13 Ten overvloede kan worden gesteld dat de inverdenkinggestelde bij gelegenheid van de eerste oproeping op grond van artikel 127, §2 en 3, Wetboek Strafvordering, ten onrechte meende, dit in tegenstelling tot de andere inverdenkinggestelden, geen verzoek te kunnen richten aan de onderzoeksrechter. Artikel 235ter Wetboek Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de aangewende bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt krachtens artikel 127, §1, lid 1, Wetboek Strafvordering. Terecht oordeelde de raadkamer dat aan de vereiste van de controle van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling definitief werd voldaan en dat uit de tekst van de wet niet volgt dat de procedure tot regeling van de rechtspleging niet kan worden opgestart vooraleer een cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de BOM-controle werd beëindigd. 3.14 Het hoger beroep van de inverdenkinggestelde is derhalve minstens ongegrond. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101012.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.