← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101124.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101124.7 Rolnummer: 172 P 2009 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 14:09 Fiche

  1. Het college van burgemeester en schepenen is duidelijk te onderscheiden van de gemeente, vertegenwoordigd door het college; het zijn enkel de stedenbouwkundig inspecteur en/of een college van burgemeester en schepenen, die een herstelvordering in het kader van de stedenbouwregelgeving kunnen formuleren en vervolgen en niet een gemeente, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen.
  2. De verjaring van de burgerlijke vordering uit een misdrijf wordt gestuit sedert een dagvaarding voor het gerecht en dit tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. De burgerlijke partijstelling voor het vonnisgerecht door de burgerlijke partij op 24 oktober 2005 is te kwalificeren als een te dezen tijdige dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244 B.W. en deze regel uit het Burgerlijk Wetboek is overeenkomstig artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. Deze stuiting duurt voort totdat er uitspraak is gedaan waardoor een einde is gemaakt aan het geding. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering Vrije woorden:
  3. Strafrecht - stedenbouw - herstelvordering - titularis - college van burgemeester en schepenen - gemeente vertegenwoordigd door het college - niet ontvankelijk
  4. Strafprocesrecht - burgerlijke vordering - verjaring - stuiting - burgerlijke partijstelling - tot definitieve beslissing - einde geding Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 26 VTsV Nota: Geen voorziening in cassatie werd tegen dit arrest aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 24 november 2010 te Antwerpen, de Twaalfde kamer (...) II. Het hoger beroep en de positie van de GEMEENTE BOOM. Nadat de beklaagde E. A. bij vonnis van 28 november 2005 veroordeeld was bij verstek, tekende hij verzet aan bij akte van 29 februari 2008; hij heeft alsdan niet alleen de burgerlijke partijen F. - M. gedagvaard alsmede het Openbaar Ministerie, doch ook de GEMEENTE BOOM die daaropvolgend als procespartij werd aangezien hetgeen geleid heeft tot het thans bestreden vonnis. Het blijkt evenwel dat de GEMEENTE BOOM ten onrechte in de verzetsprocedure werd betrokken; zij was geen partij in de verstekprocedure. Omtrent de herstelvordering zoals voorliggend in het dossier en uitgaande van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Boom en ter terechtzitting uitgeoefend door het Openbaar Ministerie, werd in het thans bestreden vonnis geoordeeld: beklaagde werd strafrechtelijk vrijgesproken en er werd geen herstel bevolen; hiertegen is geen hoger beroep noch door de herstelvorderende overheid noch door het Openbaar Ministerie zodat deze beoordeling definitief is. Het college van burgemeester en schepenen is duidelijk te onderscheiden van de gemeente, vertegenwoordigd door het college; het zijn enkel de stedenbouwkundig inspecteur en/of een college van burgemeester en schepenen, die een herstelvordering in het kader van de stedenbouwregelgeving kunnen formuleren en vervolgen en niet een gemeente, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen. Nu thans de Gemeente Boom, in conclusie, het opleggen van een herstelmaatregel vordert, komt haar zodanige vordering niet toe. Evenmin kan de Gemeente Boom, als een burgerlijke partij, zodanig herstel ten titel van schadeloosstelling vorderen; dergelijke burgerlijke vordering kan niet voor het eerst in graad van hoger beroep worden geformuleerd en voor zover zou kunnen overwogen worden dat zij zodanige burgerlijke vordering reeds voor de eerste rechter zou hebben bepleit, is dat procesrechtelijk niet aan te nemen nu immers de Gemeente Boom als burgerlijke partij alleszins niet aanwezig was in den beginne, ter gelegenheid van de oorspronkelijke procedure bij verstek ten aanzien van de beklaagde zodat diens verzet, verkeerdelijk ook gericht tegen de Gemeente Boom, deze alleszins niet tot een volwaardige (nieuwe) burgerlijke partij in het geding kon maken; elke vordering vanwege de Gemeente Boom, vertegenwoordigd door zijn College van burgemeester en schepenen, is dan ook niet ontvankelijk; deze heeft geen enkel belang te verdedigen, ook al was zij ten onrechte in de procedure betrokken door de verzetsakte. Aannemend dat de Gemeente Boom in de procedure op verzet toch een burgerlijke vordering zou hebben geformuleerd - dit lijkt impliciet gebeurd te zijn nu in het bestreden vonnis wordt gezegd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om te oordelen over de vorderingen (meervoud) van de burgerlijke partijen (meervoud) - heeft de Gemeente Boom blijkbaar belang om hoger beroep in te stellen; het hoger beroep van deze partij is dan ook ontvankelijk. (...) V. De burgerlijke vordering van F. - M. . De verjaring: Ten onrechte houdt beklaagde voor dat deze zou zijn verjaard. Het betreft een burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf en deze verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek en kan niet verjaren voor de strafvordering. Op het ogenblik van het formuleren van de burgerlijke vordering middels de burgerlijke partijstelling voor de strafrechter - ter terechtzitting van 24 oktober 2005 - was de strafvordering (nog) niet verjaard, zelfs indien voor wat betreft de strafvordering de voor de beklaagde meest gunstige datum van 30 augustus 1999 als datum van de feiten zou worden aangenomen (zie verder). Het verweer van de beklaagde dat de strafvordering is verjaard op 19 december 2008 of minstens op 6 oktober 2009 en dat derhalve ook de burgerlijke vordering thans is verjaard, miskent de regel van artikel 2244 B.W. waaruit volgt dat de verjaring van de burgerlijke vordering is gestuit sedert een dagvaarding voor het gerecht en dit tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken; ontegensprekelijk is de burgerlijke partijstelling voor het vonnisgerecht door de burgerlijke partij op 24 oktober 2005 te kwalificeren als een te dezen tijdige dagvaarding voor het gerecht in de zin van voormeld artikel en deze regel uit het Burgerlijk Wetboek is overeenkomstig artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing; deze stuiting duurt nu nog voort vermits er nog geen uitspraak is gedaan waardoor een einde is gemaakt aan het geding. Voor zover het verweer van de beklaagde er op neerkomt dat hij voorhoudt dat de burgerlijke rechtsvordering reeds was verjaard voor dat zij was geformuleerd voor de strafrechter, dient vastgesteld dat volgens artikel 2262bis B.W. alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Ten onrechte houdt beklaagde dan ook voor dat de burgerlijke verjaringstermijn van vijf jaar aanvat op datum van de feiten van de uitvoering der werken, welke datum hij, naargelang zijn besluiten, aanziet als zijnde "maximaal eind 1999" (aanvullende besluiten blz. 3 regels 13, 14) of "29 augustus 1999 of een tijdstip kort erna" (aanvullende besluiten blz. 4 regels 16, 17). Het behoort de beklaagde, die zich op de burgerlijke verjaring beroept, deze te bewijzen zodat hij te dezen dien te bewijzen dat de burgerlijke partijen kennis kregen van de schade op een tijdstip, van aard dat hun rechtsvordering tot schadeloosstelling op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, reeds was verjaard op 24 oktober 2005; dit bewijs ligt niet voor. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de burgerlijke partijen voor het eerst kennis kregen van de schade of van de verzwaring ervan nadat het bewuste pand was verkocht door de beklaagde; deze verkoop is geschied op 14 augustus 2002; ook in hun brief van 22 september 2003 maken de burgerlijke partijen melding van de bouwinbreuken naar aanleiding van de wijze van bewoning door de nieuwe eigenaars. In die omstandigheden en bij gebreke aan andere bewijskrachtige elementen daartoe, neemt het Hof aan dat de burgerlijke partijen slechts ten vroegste vanaf 15 augustus 2002 kennis kregen van de schade of van de verzwaring ervan zodat de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering, daarop gesteund zijnde, slechts ten vroegste aanving op die datum en derhalve was die vordering niet verjaard op datum van de burgerlijke partijstelling van 24 oktober 2005 en dat thans die verjaring nog steeds tijdig gestuit is. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101124.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.