← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101221.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101221.13 Rolnummer: 2004AR2922 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2012-01-31 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-01 14:24 Fiche 1. De Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst betreft enkel de landverzekeringen. A contrario valt de luchtvaartverzekering buiten haar toepassingsgebied. Deze verzekering blijft beheerst door de Verzekeringswet van 11 juni 1874. De Verzekeringswet bevat zelf geen bepaling die de benadeelde een rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar verleent. Art. 16 van het Verdrag van Rome van 7 oktober 1952, zoals goedgekeurd bij wet van 14 juli 1966 verleent de benadeelde een beperkt eigen recht tegen de verzekeraar. Luidens art. 20.9 Hyp.W. is de herstelvordering van de benadeelde bevoorrecht op de sommen die de verzekeraar krachtens de verzekeringsovereenkomst verschuldigd is en is de verzekeraar niet bevrijd zolang de benadeelde niet effectief is schadeloos gesteld. Deze bepaling verleent evenwel geen rechtstreeks vorderingsrecht aan de schadelijder. 2. Art. 1 §1 van het Verdrag van Rome bepaalt dat elke persoon die op het aardoppervlak schade lijdt, onder de voorwaarden van het Verdrag van Rome van 07/10/1952, recht heeft op vergoeding enkel en alleen door het feit dat vast staat dat de schade te wijten is aan een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig. Er is geen aanleiding tot vergoeding indien 1) de schade niet rechtstreeks het gevolg is van het feit dat ze veroorzaakt heeft of, 2) de schade alleen te wijten is aan het feit dat het luchtvaarttuig door het luchtruim vliegt overeenkomstig de geldende bepalingen betreffende het luchtverkeer. 3. Als aansprakelijkheidsontheffing draagt de exploitant van het luchtvaarttuig de bewijslast dat hij zich kan beroepen op één van deze ontheffingsgronden uit art. 1 §1.2 Verdrag van Rome. 4. De aansprakelijkheidsvordering die onder de toepassing van het Verdrag van Rome valt kan niet langer op grond van het Belgische gemeen recht (arts. 1382 a.v. BW) worden ingesteld vermits dit anders zou kunnen leiden tot een grotere aansprakelijkheid van de exploitant van het luchtvaartuig dan voorzien in het verdrag. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Rechtstreekse vordering (algemeen) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Luchtvervoer HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Aansprakelijkheid ballonvaarder en eigenaar luchtballon - luchtvaartverzekering 1. rechtstreekse vordering schadelijder - WLVO niet van toepassing - Verzekeringswet 11.06.1874 - art. 16 Verdrag van Rome 07.10.1952 - art. 20.9 Hyp.W. 2. art. 1 §1 Verdrag van Rome - objectieve aansprakelijkheid 3. aansprakelijkheidsontheffing - art. 1 §1.2 Verdrag van Rome - bewijslast - exploitant van het luchtvaartuig 4. art. 1382 BW niet van toepassing Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2010/ Zitting van: 21 december 2010 Eindarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/2922 H.V., landbouwer, wonende te ..., appellant, vertegenwoordigd door Mr. VAN ROOY Jan, advocaat te 2300 TURNHOUT, Baron F. du Fourstraat 2 bus 8 tegen het vonnis gewezen op 05 oktober 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen 1. M.K., wonende te ..., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. LOODS loco Mr. MAES John, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12 1e verd. 2. FRIESLAND FOODS BELGIË NV, voorheen FRIESLAND DRINKS BELGIË NV, met zetel te 2880 BORNEM, Rijksweg 66, KBO-nummer 0443.170.630 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VAN PARYS Luc, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 3. De BELGISCHE MAATSCHAPPIJ VOOR LUCHTVAART VERZEKERINGEN NV, (AVIABEL), met maatschappelijke zetel te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 54, met KBO-nummer 0403.248.004, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DE SOMER Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 9 *** 1. Wat voorafgaat 1.1. In een dagvaarding van 2 oktober 2002 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout zet de heer H.V. uiteen dat op 8 juni 2001 een luchtvaartballon is opgestegen in de nabijheid van zijn struisvogelboerderij. Deze ballon werd bestuurd door de heer M.K., was eigendom van de NV Friesland Drinks België, en werd in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd door de NV Belgische Maatschappij voor Luchtvaart Verzekeringen (hierna Aviabel genoemd). Volgens de heer H.V. heeft deze opstijgende ballon paniek veroorzaakt onder de struisvogels, met aanzienlijke schade tot gevolg. Bij beschikking in kort geding d.d. 26 november 2001 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de heer Van den Putte aangesteld met als opdracht (o.m.) advies te geven over het oorzakelijk verband tussen het opstijgen van de ballon en de beweerde panieksituatie van de struisvogels, alsook een schadebegroting op te stellen. In zijn verslag komt de deskundige tot het besluit dat de bedrijfsschade, geleden door het opstijgen van de ballon, 65.444,00 EUR bedraagt. De heer H.V. vordert dan ook de bestuurder en de eigenaar van de luchtballon te veroordelen tot het betalen van deze som en steunt deze vordering zowel op het Verdrag van Rome d.d. 7 oktober 1952 als op art. 1382 B.W. Met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst, ondergeschikt art. 20.9 Hyp.W., vordert hij tevens de in solidum veroordeling van Aviabel tot het betalen van de som van 65.444,00 EUR, vermeerderd met interesten en kosten. Bij conclusie vordert de heer H.V. bij eisuitbreiding de drie verweerders, zijnde M.K., Friesland Drinks België NV en de Belgische Maatschappij voor Luchtvaart Verzekeringen, in solidum of ieder voor het geheel of voor zijn deel, te veroordelen om aan hem te betalen de som van euro 86.049,42, vermeerderd met interesten en kosten. 1.2. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout verklaart deze vordering ontvankelijk doch ongegrond, en verwijst de heer H.V. in de kosten. De eerste rechter stelt vooreerst vast dat het Verdrag van Rome - dat primeert op art. 1382 B.W. - vereist dat de eisende partij het bestaan van een fout, in causaal verband met de schade aantoont. Concreet dient de heer H.V. aldus aan te tonen dat zowel de ballonvaarder als de exploitant van de luchtballon niet alle voorzorgsmaatregelen hebben genomen die redelijkerwijze door elk voorzichtig persoon zouden zijn genomen om schade aan derden te voorkomen. Anders dan de heer H.V. is de eerste rechter van oordeel dat het verslag van deskundige Van den Putte niet volstaat om dit bewijs te leveren. Zo heeft deze deskundige zelf geen vaststellingen gedaan, en gaat hij grotendeels voort op de verklaring van de heer H.V.. Bij gebreke van getuigen van de schrikreactie van de struisvogels kan niet worden uitgesloten dat deze reactie - zo bewezen - veroorzaakt werd door andere omgevingsgeluiden. De eerste rechter wijst er hierbij op dat het lawaai van de opstijgende ballon niet groter was dan dat van een overvliegend vliegtuig, en dat de 100 (van de 1.400) dieren die buiten liepen deze ballon door de aanwezige bomen niet konden zien. Uiteraard volstaat het enkele feit dat er schade werd geleden niet om het bestaan van een fout vast te stellen. Wat partij M.K. betreft, wijst de eerste rechter erop dat geen inbreuk op de reglementering inzake het vliegen is bewezen, noch enige fout bij het kiezen van de opstijgplaats. Verder wordt ook geen concrete fout van de NV Friesland Drinks België - die overigens niet verantwoordelijk was voor de vlucht in kwestie - aangetoond. Bij gebreke van enige aansprakelijkheid van deze partijen wordt ook de vordering, in zoverre gericht tegen de verzekeraar, afgewezen. 1.3. De heer H.V. stelt bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 november 2004, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen dit vonnis. De zaak werd op de zitting van 10 november 2010 behandeld. 2. Eisen in hoger beroep 2.1. De heer H.V., hierna appellant genoemd, vordert, bij hervorming van het beroepen vonnis, de heer M.K., de NV Friesland Drinks België, thans NV Friesland Foods België en Aviabel in solidum, ieder voor het geheel of voor zijn deel, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot het betalen van de som van 86.049,42 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 8 juni 2001 en met de gerechtelijke interest tot de dag van betaling. Bij eisuitbreiding en -wijziging verzoekt hij, met toepassing van art. 20.9 Hyp.W., te zeggen voor recht dat elke veroordeling die wordt uitgesproken ten nadele van de heer M.K. en/of de NV Friesland Foods België bevoorrecht is op elke vergoeding die Aviabel verschuldigd zou zijn aan deze partijen op grond van de verzekeringsovereenkomst. Ten slotte verzoekt hij deze partijen te verwijzen in de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de kosten van de kort gedingprocedure. 2.2. De heer M.K., hierna eerste geïntimeerde genoemd, concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt appellant te verwijzen in de kosten. Ondergeschikt verzoekt hij Aviabel te veroordelen tot vrijwaring. 2.3. De NV Friesland Foods België, hierna tweede geïntimeerde genoemd, concludeert eveneens tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt appellant te verwijzen in de kosten. 2.4. Ook Aviabel, hierna derde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt appellant te verwijzen in de kosten. Bij incidenteel beroep verzoekt zij de vordering van appellant, in zoverre tegen haar ingesteld, onontvankelijk te verklaren. Ten slotte vordert zij de vordering in vrijwaring van eerste geïntimeerde zonder voorwerp, minstens ongegrond te verklaren, en deze partij eveneens te verwijzen in de kosten. 3. Beoordeling 3.1. Ontvankelijkheid van de vordering 3.1.1. Derde geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid van de vordering. Volgens deze partij heeft appellant immers niet de hoedanigheid om een rechtstreekse vordering, zoals voorzien in art. 86 Wet Landverzekeringovereenkomst, in te stellen. Derde geïntimeerde wijst er hierbij op dat zij met tweede geïntimeerde een verzekeringspolis "luchtvaartuigen" heeft afgesloten, en dat art. 86 niet geldt voor deze verzekering. Anders dan appellant voorhoudt, betreft de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst enkel de landverzekeringen. A contrario valt de luchtvaartverzekering buiten haar toepassingsgebied. Deze verzekering blijft beheerst door de Verzekeringswet van 11 juni 1874, in de mate dat er niet van afgeweken wordt door bijzondere wetten. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de verzekerde schadegevallen ook schade op het land kunnen omvatten. De Verzekeringswet van 11 juni 1874 bevat zelf geen bepaling die de benadeelde een rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar verleent. Appellant steunt zijn rechtstreeks vorderingsrecht tevens op art. 16 van de wet van 14 juli 1966 (verduidelijking van het hof: bedoeld is art. 16 van het Verdrag van Rome van 7 oktober 1952, zoals goedgekeurd bij wet van 14 juli 1966). Deze bepaling verleent de benadeelde een beperkt eigen recht tegen de verzekeraar. Luidens art. 16 §5 van dit verdrag kan de schadelijder immers enkel een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar of de borg instellen indien 1) de geldigheid van de zekerheid overeenkomstig de bepalingen van art. 16 §1 (

  1. a)en (
  2. b)verlengd wordt of 2) de exploitant in staat van faillissement is verklaard. Appellant toont niet aan dat hij zich in één van deze situaties bevindt. Hieruit volgt dat de vordering van appellant om geïntimeerden "in solidum, of ieder voor het geheel, of voor zijn deel, of de ene bij gebreke van de andere" te veroordelen tot het betalen van de som van 86.049,42 EUR, in zoverre gericht tegen derde geïntimeerde, onontvankelijk is. Het incidenteel beroep wordt dan ook gegrond verklaard. 3.1.2. Bij eiswijziging verzoekt appellant "te zeggen voor recht dat elke veroordeling die door het hof zou worden uitgesproken lastens eerste en/of tweede geïntimeerde ten voordele van (appellant) bevoorrecht is op elke vergoeding die derde geïntimeerde als verzekeraar zou verschuldigd zijn aan eerste en/of tweede geïntimeerde op grond van de verzekeringsovereenkomst die de burgerlijke aansprakelijkheid dekt van de schadeveroorzakende ballon, zijn eigenaar en zijn bestuurder, en dat geen betaling door derde geïntimeerde gedaan aan eerste en/of tweede geïntimeerde bevrijdend zal zijn zolang (appellant) niet is schadeloos gesteld". Appellant verwijst hierbij naar art. 20.9 Hyp.W. Luidens deze bepaling is de herstelvordering van de benadeelde bevoorrecht op de sommen die de verzekeraar krachtens de verzekeringsovereenkomst verschuldigd is en is de verzekeraar niet bevrijd zolang de benadeelde niet effectief is schadeloos gesteld. Doel is er voor te zorgen dat de verzekeringsuitkering, die uiteindelijk toch voor de benadeelde bedoeld is, deze bestemming ook bereikt. Deze bepaling verleent evenwel geen rechtstreeks vorderingsrecht aan appellant. Wel komt deze partij, nadat hij de veroordeling van de verzekerde heeft bekomen, het recht toe "op de door de verzekeraar aan de verzekerde verschuldigde sommen de uitvoering te vervolgen van de schuldvordering die het slachtoffer tegen de verzekerde bezit". In principe kan derde geïntimeerde dan ook slechts worden aangesproken nadat appellant een titel tegen de verzekerde heeft bekomen. Toch wordt aanvaard dat de benadeelde ook gelijktijdig kan optreden tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar ten einde, indien de aansprakelijkheid van eerstgenoemde wordt vastgesteld, diens verzekeraar te horen veroordelen tot de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst. Verder wordt vastgesteld dat derde geïntimeerde niet betwist dat deze eiswijziging aan de vereisten van art. 807 Ger.W. voldoet, noch dat appellant over de hoedanigheid en het belang beschikt om deze gewijzigde vordering in te stellen. Deze gewijzigde vordering wordt dan ook ontvankelijk verklaard. 3.1.3. De ontvankelijkheid van de vordering, in zoverre ingesteld tegen eerste en tweede geïntimeerde, wordt niet betwist. Het hof kan ook geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid ontwaren, zodat deze vordering door de eerste rechter terecht ontvankelijk werd verklaard. 3.2. Aansprakelijkheid van eerste en tweede geïntimeerde 3.2.1. Appellant vordert de in solidum veroordeling van de ballonvaarder en de eigenaar van de luchtballon en steunt deze vordering zowel op het Verdrag van 7 oktober 1952 betreffende de schade aan buitenlandse luchtvaartuigen aan derden op het aardoppervlak veroorzaakt (hierna Verdrag van Rome genoemd) als op art. 1382 B.W. Verdrag van Rome van 7 oktober 1952 3.2.2. Vast staat dat het Verdrag van Rome van toepassing is op dit schadegeval. Art. 2 van de Belgische goedkeuringswet (B.S. 27 september 1952) bepaalt immers dat, zolang België partij is bij dit verdrag, de bepalingen ervan op het Belgisch grondgebied van toepassing zijn, ongeacht of de inschrijving van het luchtvaarttuig in het buitenland of in België zelf is geschied. Geen van de partijen betwist dat de luchtballon, bestuurd door eerste geïntimeerde en eigendom van tweede geïntimeerde, als een luchtvaarttuig in de zin van dit verdrag kan worden beschouwd. Meer bepaald kan de ballon worden gekwalificeerd als een aëronaut, zijnde ieder luchtvaarttuig dat zijn stijgkracht verkrijgt door zijn drijfvermogen in de lucht (art. 1 K.B. 15 september 1994). Verder blijkt uit de neergelegde stukken dat de luchtballon in kwestie in België is ingeschreven (registratienummer 00-BTN). 3.2.3. Het Verdrag van Rome voorziet een objectieve aansprakelijkheid van de exploitant van de luchtballon voor schade veroorzaakt door "een zich in de lucht bevindend luchtvaarttuig". Art. 1 §2 van dit verdrag definieert het "zich in de lucht bevinden" als de periode tussen het ogenblik waarop de aërostaat van de grond wordt losgemaakt en dat waarop hij er opnieuw aan vastgemaakt is. De exploitant is, luidens art. 2 van het verdrag, zowel diegene die het luchtvaarttuig gebruikt op het ogenblik dat de schade veroorzaakt wordt, als de in het luchtvaartregister ingeschreven eigenaar tenzij deze laatste bewijst dat een ander persoon de exploitant is. Concreet bepaalt art. 1 §1 van het Verdrag van Rome dat elk persoon die op het aardoppervlak schade lijdt, onder de bij dit verdrag bepaalde voorwaarden, recht heeft op vergoeding enkel en alleen door het feit dat het vast staat dat de schade te wijten is aan een zich in de lucht bevindend luchtvaarttuig. Op deze objectieve aansprakelijkheid bestaan twee uitzonderingen. Zo voorziet art. 1 §1.2 dat er geen aanleiding is tot vergoeding indien 1) de schade niet rechtstreeks het gevolg is van het feit dat ze veroorzaakt heeft of, 2) de schade alleen te wijten is aan het feit dat het luchtvaarttuig door het luchtruim vliegt overeenkomstig de geldende bepalingen betreffende het luchtverkeer. Als aansprakelijkheidsontheffing draagt de exploitant van het luchtvaarttuig de bewijslast dat hij zich kan beroepen op één van deze ontheffingsgronden. 3.2.4. Geïntimeerden betwisten in de eerste plaats het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen de vlucht (met inbegrip van het opstijgen) en de schade. Hierbij wijzen zij er op dat er geen getuigen zijn van de voorgehouden paniekreactie van de struisvogels, en dat - zelfs zo aangenomen wordt dat de struisvogels stressverschijnselen vertoonden - deze aan andere oorzaken kunnen te wijten zijn. De eerste rechter heeft deze stelling terecht bijgetreden. 3.2.4.1. Uit de verklaring van appellant aan de politiediensten blijkt dat hij zelf niet aanwezig was in de looprennen op het ogenblik dat de ballon opsteeg. Uit geen van de stukken kan worden afgeleid dat er andere personen aanwezig waren die kunnen bevestigen dat de struisvogels op dat ogenblik de beweerde paniekreactie vertoonden. Samen met de eerste rechter dient het hof dan ook vast te stellen dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn die aantonen dat de struisvogels inderdaad, als reactie op het opblazen en opstijgen van de luchtballon, stressverschijnselen vertoonden. Verder ontkent appellant niet dat zijn struisvogelboerderij aan een rijbaan ligt, in de buurt van een vliegveld en naast een aantal voetbalvelden, waar reeds andere luchtballonnen zijn opgestegen. Geïntimeerden werpen dan ook terecht op dat niet kan worden uitgesloten dat de schrikreactie van de struisvogels - zo bewezen - aan andere oorzaken (bijv. een toeterende vrachtwagen op de weg, een laagvliegend vliegtuig, een grasmaaier op het voetbalveld) te wijten is. Dit geldt des te meer nu de buitenlopende struisvogels (slechts 100 van de 1400 aanwezige dieren) door het bladerdek de ballon niet konden zien, en ook het lawaai van de brander niet luider was dan het geluid van bijv. een overvliegend vliegtuig. 3.2.4.2. Appellant werpt tegen dat het oorzakelijk verband tussen de paniekreactie van de struisvogels en het opblazen respectievelijk opstijgen van de luchtballon op afdoende wijze wordt aangetoond door het verslag van deskundige Van den Putte. Voorafgaand merkt het hof op dat de rechter niet verplicht is het advies van de deskundige te volgen indien dit strijdig is met zijn overtuiging. De rechter behoudt immers een grote beoordelingsvrijheid aangaande de bewijswaarde van een deskundigenverslag, dat slechts een "advies" is en blijft. Hieruit volgt tevens dat de gedingvoerende partijen steeds het recht behouden om al hun bezwaren tegen het deskundigenverslag aan de beoordeling van de rechter voor te leggen, ook wanneer deze kritiek op bepaalde vaststellingen of verrichtingen reeds gedurende het deskundigenonderzoek werd geuit. Samen met geïntimeerden stelt het hof vast dat ook de deskundige de reactie van de struisvogels niet zelf heeft gezien, doch in hoofdorde is voortgegaan op de verklaringen van appellant dat er een paniek is uitgebroken ten gevolge van het opstijgen van een luchtballon. Verder acht de deskundige dit oorzakelijk verband bewezen door het gegeven dat struisvogels stressgevoelige dieren zijn, die zich bedreigd hebben gevoeld door het in hun onmiddellijke nabijheid opblazen en opstijgen van een luchtballon. Zelfs zo aangenomen wordt dat struisvogels inderdaad stressgevoelig zijn, is dit gegeven op zich evenwel niet voldoende om te besluiten dat er op 8 juni 2001 inderdaad paniek is uitgebroken bij de struisvogels (zowel bij de 100 dieren die buiten waren als bij de 1300 dieren in de stallen) en dit ten gevolge van een opstijgende ballon. De stelling van de deskundige dat er geen andere oorzaken de - beweerde - stressverschijnselen kunnen verantwoorden, overtuigt niet. Zo sluit de deskundige bijv. het geluid van een grasmaaier als mogelijke oorzaak uit omdat dit een "bekend" geluid is, en niet bedreigend overkomt omdat dit op een bepaalde plaats wordt geproduceerd en zich niet verplaatst naar de dieren toe. Het hof is evenwel van oordeel dat het geluid van een grasmaaier, dat veel luider is dan het geluid van de brander van de luchtballon in kwestie en dat in de onmiddellijke nabijheid van de struisvogels wordt geproduceerd, voor deze dieren veel bedreigender is dan het geluid van een opstijgende luchtballon op meer dan 310 meter afstand. Het hof treedt de gemotiveerde beslissing van de eerste rechter dan ook bij dat, zelfs zo aangenomen wordt dat de struisvogels stressverschijnselen vertoonden, er geen direct oorzakelijk verband is aangetoond tussen deze verschijnselen en het opblazen/opstijgen van de luchtballon. 3.2.5. Zelfs indien er een causaal verband zou zijn, werpen geïntimeerden op dat eerste geïntimeerde geen inbreuk op de luchtverkeersreglementering kan worden verweten. In het deskundigenverslag van de heer Van den Putte wordt bevestigd dat de luchtballon in kwestie op meer dan 310 meter van de looprennen, waarin de struisvogels van appellant zich bevonden, is opgestegen. Uit het vluchtenboek van eerste geïntimeerde blijkt dat de ballon loodrecht is opgestegen en, eens hoger, is meegevoerd door de wind weg van het erf van appellant. Overeenkomstig de bepalingen van het K.B. tot vaststelling van de vliegverkeersregels, dient op de plaats waar de struisvogels van appellant zich bevonden (met name buiten de bebouwde kom) een minimum vlieghoogte van 150 meter te worden gerespecteerd. Het vliegverbod om onder deze hoogte te vliegen is uiteraard niet van toepassing bij het opstijgen of landen. Terecht voeren geïntimeerden aan dat deze vereisten in casu werden gerespecteerd. Het tegendeel wordt door appellant, die eerste geïntimeerde overigens ook geen concrete inbreuk op één van de vliegverkeersregels verwijt, niet aannemelijk gemaakt. 3.2.6. Uit het voorgaande volgt dat de objectieve aansprakelijkheid van eerste en tweede geïntimeerde in de zin van art. 1 §1 van het Verdrag van Rome niet van toepassing is. De beslissing van de eerste rechter om de vordering, in zoverre gesteund op deze rechtsgrond, af te wijzen, wordt dan ook bijgetreden. Art. 1382 B.W. 3.2.7. Appellant steunt zijn vordering eveneens op art. 1382 B.W. Vast staat dat het Verdrag van Rome primeert op de Belgische wet, en met name de toepassing van strijdige Belgische wetgeving uitsluit. Uit zijn preambule blijkt dat dit verdrag de bedoeling heeft enerzijds een billijke vergoeding toe te kennen aan de personen aan wie op het aardoppervlak schade door luchtvaarttuigen is toegebracht en anderzijds de omvang van de voor dergelijke schade opgelopen aansprakelijkheden binnen redelijke perken te houden. Dit houdt in dat een aansprakelijkheidsvordering die onder het toepassingsgebied van het verdrag valt niet langer op grond van het Belgische gemeen recht (arts. 1382 e.v. B.W.) kan worden ingesteld vermits dit anders zou kunnen leiden tot een grotere aansprakelijkheid van de exploitant van een luchtvaarttuig dan voorzien in het verdrag. Dit wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd in art. 9 van het verdrag dat bepaalt dat de aansprakelijke persoon "slechts in zoverre aansprakelijk is als uitdrukkelijk bij het verdrag voorzien". Enige uitzondering vormt het geval van opzettelijke schade (art. 9 §2). Hieruit volgt dat appellant zijn vordering tot het vergoeden van schade veroorzaakt tijdens het opstijgen van de luchtballon niet kan steunen op art. 1382 B.W, vermits deze - beweerde - schade zich heeft voorgedaan "tijdens de vlucht van het luchtvaarttuig" in de zin van art. 1 §1.2 van het verdrag. Appellant werpt evenwel op dat hij evenzeer schade heeft geleden door de onzorgvuldige keuze door eerste geïntimeerde van de opstijgplaats. Deze vordering valt buiten het toepassingsgebied van het verdrag, en kan dan ook worden ingesteld op grond van art. 1382 B.W. 3.2.8. Met toepassing van art. 1315, 1ste lid B.W. en art. 870 Ger.W. is het aan appellant om het bestaan van een fout in de zin van art. 1382 B.W. aan te tonen. Concreet dient hij aldus te bewijzen dat eerste geïntimeerde bij de keuze van de opstijgplaats zich niet heeft gedragen als een normaal voorzichtig ballonvaarder, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Dit bewijs wordt niet geleverd. Appellant verwijt eerste geïntimeerde, vooraleer zijn opstijgwerkzaamheden te beginnen, "geen enkele moeite te hebben genomen om de omgeving van de opstijgplaats te onderzoeken op de aanwezigheid van gevoelige dieren, wetende welke gevaren zijn handelingen konden teweegbrengen en welke schade ze konden veroorzaken". Appellant toont niet aan dat eerste geïntimeerde wist, minstens moest weten, dat er zich in de nabijheid van de gekozen opstijgplaats boerderijen met stressgevoelige dieren bevonden. Zoals ook deskundige Van den Putte heeft vastgesteld was het zicht vanuit deze plaats naar de boerderij van appellant belemmerd door bladeren en bomen, zodat met moeite een gebouw laat staan de aanwezigheid van struisvogels kon worden opgemerkt. Terecht heeft de eerste rechter hierbij opgemerkt dat een normaal vooruitziend persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst, ook niet achter deze bosrand zou hebben gecontroleerd of daar stressgevoelige dieren aanwezig waren. Verder maakt appellant het niet aannemelijk dat de geluidsgevoelige zone rond zijn pand werd opgenomen in een - door eerste geïntimeerde consulteerbaar - kadaster van geluidsgevoelige zones, of dat hij zelf enig initiatief had genomen om aan de luchtvaartautoriteiten te laten weten dat de omgeving van zijn woning een geluidsgevoelige zone was. Noch het bestaan van een aan eerste geïntimeerde verwijtbare fout, noch het bestaan van voorzienbare schade werd aldus aangetoond, zodat ook de vordering in zoverre gesteund op art. 1382 B.W. ongegrond dient te worden verklaard. 3.3. Gehoudenheid van derde geïntimeerde - vordering in vrijwaring Net als de eerste rechter is het hof aldus van oordeel dat de vordering van appellant, in zoverre ingesteld tegen eerste en tweede geïntimeerde, ongegrond is. Bijgevolg is ook de gewijzigde vordering, ingesteld tegen derde geïntimeerde, ongegrond. In zijn beroepsconclusies stelt eerste geïntimeerde in ondergeschikte orde een vrijwaringsvordering in tegen derde geïntimeerde. Gelet op de ongegrondheid van de vordering van appellant is deze vrijwaringsvordering zonder voorwerp. 3.4. Gerechtskosten Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant ongegrond wordt verklaard. Als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van art. 1017 Ger.W. wordt appellant verwezen in de kosten van het hoger beroep, waarbij de rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basisbedrag (3.000 EUR). Vermits de vordering in vrijwaring zonder voorwerp wordt verklaard, wordt eerste geïntimeerde verwezen in de kosten van derde geïntimeerde. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van derde geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis als volgt. Verklaart de vordering van appellant tot veroordeling van derde geïntimeerde tot het betalen van de som van 86.049,42 EUR, vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 8 juni 2001 en de gerechtelijke interest (aan de wettelijke interestvoet) tot de dag van volledige betaling, onontvankelijk. Verklaart de gewijzigde vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt voor het overige het beroepen vonnis met toevoeging van de hierboven vermelde gronden. Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van eerste geïntimeerde vereffend op 3.000 EUR, aan de zijde van tweede geïntimeerde vereffend op 3000 EUR, en aan de zijde van derde geïntimeerde vereffend op 3.000 EUR. Verwijst eerste geïntimeerde in de kosten, verbonden aan de vrijwaringsvordering, aan de zijde van derde geïntimeerde vereffend op 3.000 EUR. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terecht¬zitting van 21 december 2010. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter D. DEMEESTER Raadsheer A. VAN RAEMDONCK Plaatsvervangend Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VAN RAEMDONCK D. DEMEESTER F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101221.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.