← België

ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101222.23

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101222.23 Rolnummer: 2010/PGA/4295 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-03-15 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-07-01 14:25 Fiche De artikelen 966 tot 971 Gerechtelijk Wetboek, die de wraking van deskundigen regelen, zijn van toepassing in strafzaken, behoudens - wegens onverenigbaarheid met de principes van de strafvordering - de artikelen 968, 970, eerste lid, voor zover dit de deskundige toelaat om zich bij wraking zonder formaliteiten te onthouden, en 971, laatste lid, voor zover dit de partijen toelaat om overeen te komen over de keuze van een deskundige. Het verzoek tot wraking van een deskundige is niet ontvankelijk, enerzijds, wanneer de in de artikelen 969 tot 971 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvoorschriften niet zijn nageleefd en, anderzijds, wanneer de deskundige niet meer met een opdracht in de zaak gelast is. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Wraking Vrije woorden: Deskundigen - Strafzaken - Wraking - Ontvankelijkheid - Toepassing Gerechtelijk Wetboek Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 966 Gerechtelijk Wetboek - 967 Gerechtelijk Wetboek - 968 Gerechtelijk Wetboek - 969 Gerechtelijk Wetboek - 970 Gerechtelijk Wetboek - 971 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 22 december 2010 te Antwerpen, negende kamer. (...) I. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

  1. Beklaagde N.B. heeft een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen d.d. 9 juni 2010, waarbij: - zijn verzoek tot wering van het verslag d.d. 23 maart 2010 van deskundige D.V., aangesteld bij voorgaand tussenvonnis d.d. 25 november 2009, en tot wraking van deze deskundige, werd afgewezen, - deskundige V.N. werd aangesteld met welbepaalde opdracht, rekening houdend met het verslag van deskundige D.V., - de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 6 oktober
  2. Het hoger beroep van beklaagde is niet ontvankelijk voor zover in het beroepen vonnis de behandeling van de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 6 oktober 2010, dit op grond van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek. Op grond van artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek is zijn hoger beroep wel ontvankelijk voor het overige. II. Verdere beoordeling
  3. (..)
  4. Het verzoek van beklaagde om het verslag van deskundige D.V. uit de debatten te weren is niet gegrond, in acht genomen wat volgt: - Ook wanneer de strafrechter aan de op strafgebied aangestelde deskundige opdraagt om zijn onderzoek op tegenspraak te voeren, dan nog komt het aan de deskundige toe om te beoordelen in welke mate zijn onderzoeksverrichtingen vanuit technisch oogpunt al dan niet kunnen worden uitgevoerd in aanwezigheid van een derde. Het in casu bevolen onderzoek had inzonderheid betrekking op de psychische gevolgen van de voorgehouden feiten voor de burgerlijke partij en leende zich moeilijk tot tegenspraak op het moment van de expertise zelf. Anderzijds blijkt uit niets dat deskundige D.V. beklaagde zou hebben belet om via een technisch raadsman de expertise inhoudelijk te volgen. Zodoende werd de tegenspraak voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid tot repliek op het voorverslag; - De repliektermijn op het voorverslag was, gelet op de nakende zitting, kort maar voldoende om opmerkingen te maken. Beklaagde heeft trouwens opmerkingen gemaakt die door de deskundige werden beantwoord. Bovendien stond het beklaagde vrij om op de zitting van 24 maart 2010 aan de rechtbank te vragen om deskundige D.V. met een bijkomende opdracht te gelasten, onder meer om te antwoorden op zijn eventuele bijkomende bemerkingen. Beklaagde kan thans nog steeds alle nuttig geachte opmerkingen formuleren; - De animositeit tussen de raadsman van beklaagde en deskundige D.V., waardoor de eerst vermelde de tweede vermelde verdenkt van een gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid, is ontstaan na de neerlegging van het deskundig verslag op 23 maart
  5. Die animositeit is namelijk enkel ontstaan door de e-mail waarbij deskundige D.V. op gepikeerde wijze reageerde op de kritische e-mail van de raadsman van beklaagde. Daarvoor was er geen correspondentie die, althans van de zijde van Dr. D.V., blijk gaf van enige vijandigheid. De e-mail van Dr. D.V. dateert van 23 maart 2010 om 22u35, hetzij ruim na de normale werkuren van de griffie waar het verslag blijkens de erop aangebrachte stempel (stuk 26) werd neergelegd. De genoemde animositeit heeft de objectiviteit en de onpartijdigheid van het deskundig verslag niet beïnvloed; - De aangestelde deskundige verleent slechts een advies aan de rechter, aan wie de waardering van dit advies en de eindbeslissing toekomt. De rechter dient daarbij rekening te houden met alle terzake doende elementen, onder meer met de relatieve eenzijdigheid van de verklaringen van de onderzochte partij aan de deskundige en de niet volledige verifieerbaarheid van psychische klachten;
  6. De artikelen 966 tot 971 Gerechtelijk Wetboek, die de wraking van deskundigen regelen, zijn van toepassing in strafzaken, behoudens - wegens onverenigbaarheid met de principes van de strafvordering - de artikelen 968, 970, eerste lid, voor zover dit de deskundige toelaat om zich bij wraking zonder formaliteiten te onthouden, en 971, laatste lid, voor zover dit de partijen toelaat om overeen te komen over de keuze van een deskundige. Nochtans, voor zover beklaagde, op grond van zijn hiervoor beantwoorde grieven, ook vordert om deskundige D.V. te wraken, is zijn verzoek niet ontvankelijk, enerzijds bij gebrek aan naleving van de in de artikelen 969 tot 971 Gerechtelijk Wetboek bepaalde en hier toepasselijk verklaarde vormen (zie ook en te bevestigen: Cass., 31 januari 2003, C.03.0019.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030131.16) en anderzijds bij gebrek aan belang, omdat deskundige D.V. niet meer met een opdracht in de zaak gelast is.
  7. In acht genomen het voorgaande, meer bepaald het niet weren van het verslag van Dr. D.V. uit de debatten, is het hoger beroep van beklaagde niet gegrond voor zover het mede gericht is tegen de aanstelling van deskundige V.N. met opdracht om de burgerlijke partij verder te onderzoeken, rekening gehouden met het verslag van Dr. D.V.. Deskundige V.N., wiens opdracht onontbeerlijk is om de rechter toe te laten de feiten juist te omschrijven, werd door de eerste rechter trouwens aangesteld om tegemoet te komen aan de bemerkingen van beklaagde over deskundige D.V.. III. Wettelijke bepalingen
  8. (...) BESLISSING VAN HET HOF, Op grond van de hoger vermelde redenen beslist het Hof binnen de perken van het hoger beroep zoals hierna bepaald, op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van beklaagde ontvankelijk, behoudens tegen de schikkingen waarbij de behandeling van de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 6 oktober
  9. Verklaart het hoger beroep van beklaagde, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. Verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere behandeling. PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101222.23 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030131.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.