id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101223.7 Rolnummer: 2010 CO 428 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2011-03-21 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 14:26 Fiche
- Het gezag van rechterlijk gewijsde van een veroordeling omvat, wat de beklaagde betreft, hetgeen zeker en noodzakelijk werd geoordeeld met betrekking tot het bestaan van de ten laste gelegde feiten waarbij ook rekening dient gehouden met de motieven die de noodzakelijke steun vormden voor die rechterlijke uitspraak.
- Om reden van voormelde vaststellingen in het tussenvonnis staat vast dat er met betrekking tot de oprichting van en de werking omtrent de bewuste facturen door NV I., geen bedrieglijk opzet aan te nemen is. Voor zover de daarna gevolgde weg van die gelden incorrect zou zijn zou en in hoofde van de beklaagde aanleiding zou kunnen geven tot een fiscale aanslag in de personenbelasting en tot diens verplichting om daarvan een aangifte te verrichten overeenkomstig het W.I.B. 92, is alleszins niet aangetoond dat de beklaagde zodanige gebeurlijke niet-aangifte deed met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL STRAFRECHT - Toepassing Vrije woorden:
- Strafrecht - gezag van gewijsde - zeker en noodzakelijk - motieven - noodzakelijk steun voor beslissing
- Strafrecht - bijzonder strafrecht - fiscaal - niet-aangifte - bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen Nota: tegen dit arrest werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 23 december 2010 te Antwerpen, Twaalfde Kamer (...) Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 4 september 2009, gewezen op tegenspraak, wordt huidige beklaagde voor de feiten A., B. en C. vrijgesproken en wordt, wat betreft de feiten van de tenlastelegging sub F. de heropening der debatten bevolen om partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent een eventueel heromschrijving van deze feiten zoals door de rechtbank mogelijks voorgesteld. Tegen voormeld vonnis is geen hoger beroep ingesteld en dit vonnis is, wat beklaagde betreft, definitief; het gezag van rechterlijk gewijsde van dit vonnis omvat, wat de beklaagde betreft, hetgeen zeker en noodzakelijk werd geoordeeld met betrekking tot het bestaan van de ten laste gelegde feiten waarbij ook rekening dient gehouden met de motieven die de noodzakelijke steun vormden voor die rechterlijke uitspraak. Het feit sub A. beoogde de (valse) oprichting van de NV I. met bedrieglijk opzet om (o.a.) geen commissiefacturen uit het buitenland te ontvangen; de rechtbank sprak voor dit feit vrij en overwoog o.a. dat zij "zich geenszins kan vinden in het standpunt dat de NV I. een fictieve vennootschap is" en verder: "wenst de rechtbank op te merken dat ook het voorgehouden bedrieglijk opzet niet aangetoond wordt". Het feit sub B. beoogde de (valse) oprichting van de NV I. met bedrieglijk opzet een ondoorzichtige structuur op te zetten om in België verkregen inkomsten aan de Belgische Staat te onttrekken; de rechtbank sprak voor dit feit vrij en overwoog o.a. dat deze vennootschap alle fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen correct was nagekomen en dat evenmin het vermelde bedrieglijk opzet was aangetoond. Het feit sub C. beoogde valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, zijnde met betrekking tot 14 facturen van NV I. aan BVBA E. met bedrieglijk opzet de beklaagde (en een andere) toe te laten personenbelasting te ontduiken; de rechtbank sprak hiervoor vrij en overwoog o.a. dat de uitgaande facturen van NV I. een onderliggende basis hadden m.n. de geleverde intellectuele prestaties; opnieuw geeft de rechter daarbij aan dat NV I. alle Belgische fiscale verplichtingen heeft nageleefd. Op grond van voorgaande vaststellingen is definitief rechterlijk gezegd voor recht dat de werkwijze om de geleverde intellectuele prestaties van consultancy te laten factureren door een correct daartoe opgerichte NV I., niet strafbaar is bevonden en dat er, door alzo te handelen, geen bedrieglijk opzet was om toe te laten aan de beklaagde om in België verkregen inkomsten aan de Belgische Staat te onttrekken. Na voorgaande vaststellingen heeft de eerste rechter, in het thans bestreden vonnis, de feiten van de tenlastelegging sub F. heromschreven en beoogde daarmee de bewuste uitbetalingen door I. NV vanuit België naar de Nederlandse Stichting T.C. en van daaruit grotendeels naar de Delawarevennootschap C. Tr., als persoonlijke inkomsten in hoofde van de beklaagde te aanzien en waaromtrent de beklaagde dan ten laste werd gelegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden met betrekking tot die inkomsten als niet-inwoner geen fiscale aangifte te hebben verricht. Voor zover de eerste rechter aannam dat de uitbetalingen door NV I. aan de Nederlandse stichting T. C. en van daaruit deels naar de Delawarevennootschap C. Tr. en dat de beklaagde zowel achter deze Nederlandse stichting als achter de Delawarevennootschap zit, geschiedden binnen een volledig geveinsde constructie zonder economische realiteit en enkel bedoeld om de gelden aan de beklaagde te doen toekomen zonder daarop in België de verschuldigde belastingen te betalen, mede om reden dat die Nederlandse stichting haar administratieve en fiscale verplichtingen niet nakwam en in Roermond (vestigingsplaats) niet gekend was, zijn dergelijke overwegingen niet voldoende van aard het bedrieglijk karakter of het oogmerk om te schaden aan te tonen ten aanzien van de Belgische fiscus. Uit het ganse dossier blijkt immers dat beklaagde, na advies ingewonnen te hebben, beoogde de fiscaal minst belastbare weg te kiezen en dat zowel de oprichting van de NV I. in België als de facturering door deze vennootschap in het licht daarvan dienen beschouwd; het strafdossier wordt trouwens opgestart op basis van de redenering dat de ganse constructie en dus met name ook en voornamelijk de oprichting van NV I. en het tussenschuiven van deze vennootschap als ontvanger van de commissies, als fiscale fraude werd aangezien door de fiscale overheid; tussen alle feiten van de tenlasteleggingen werd door de raadkamer samenhang aangenomen. Om reden van voormelde vaststellingen in het tussenvonnis staat vast dat er met betrekking tot de oprichting van en de werking omtrent de bewuste facturen door NV I., geen bedrieglijk opzet aan te nemen is; aan alle BTW-verplichtingen, ook met betrekking tot de commissiefacturen, werd voldaan en daarop werd de vennootschapsbelasting geregeld (stukken 203 en 681). Voor zover de daarna gevolgde weg van die gelden, vanuit NV I. naar de Nederlandse stichting T.C. en nadien naar C. Tr., incorrect zijn zou en in hoofde van de beklaagde aanleiding zou kunnen geven tot een fiscale aanslag in de personenbelasting en tot diens verplichting om daarvan een aangifte te verrichten overeenkomstig het W.I.B. 92, is alleszins niet aangetoond dat de beklaagde zodanige gebeurlijke niet-aangifte deed met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden; beklaagde dient dan ook te worden vrijgesproken. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2010:ARR.20101223.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.