← België

ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20040526.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20040526.13 Rolnummer: 2003/AR/2616 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-03 23:46 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Algemeen (handelspraktijken) Tekst van de beslissing in de zaak van:

  1. P.L., en
  2. M.M., samenwonende te ¿, appellanten, hebbende als raadsman mr. Filip De Reuse, advocaat met kantoor te 8800 Roeselare, H. Horriestraat 40/1, tegen: C.V.B.A. IMMO V., met maatschappelijke zetel te ... en ingeschreven in het handelsregister te ... onder nr...., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Geert Sustronck, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 10, velt het Hof volgend arrest: Het Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien. Het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, vierde kamer, van 2 oktober 2003, werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 november
  3. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een exploot van betekening ligt niet voor. I. Voorgaanden.
  4. Op 8 augustus 2000 verleenden appellanten aan geïntimeerde, voor een termijn van zes maanden, de exclusieve opdracht om te bemiddelen bij de verkoop van een onroerend goed te ¿ Na afloop van de overeenkomst werd een lijst met kandidaat-kopers, die zich bij geïntimeerde hadden gemeld, overgemaakt aan appellanten, die naderhand het goed verkochten aan de gemeente ¿, die op voormelde lijst voorkwam. Met dagvaarding van 14 maart 2002 vordert geïntimeerde betaling van het contractueel bedongen commissieloon ten belope van 5 % op de vastgestelde verkoopprijs, hetzij 5 % x 2.100.000 frank (= ¿ 52.057,64), of ¿ 2.602,
  5. De eerste rechter is van oordeel dat de overeenkomst van 8 augustus 2000, hoewel ten huize van appellanten gesloten, geen verzakingsbeding diende te bevatten, overeenkomstig artikel 88 van de wet van 14 juli 1991 betreffende handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument (WHPC), omdat geïntimeerden toegeven dat zij zelf appellante hebben opgebeld en aldus een afspraak hebben gemaakt. Het beding, waarop -volgens de eerste rechter- geïntimeerde haar vordering tot betaling van het volledig commissieloon steunt, wordt nietig verklaard op grond van artikel 32.15 WHPC. Niettemin wordt haar op grond van het gemeen recht een vergoeding toegekend van ¿ 1.250 voor de geleverde prestaties.
  6. Het door appellanten ingesteld hoger beroep is gesteund op twee grieven. Enerzijds, is volgens hen de volledige overeenkomst nietig op grond van artikel 88 WHPC, omdat de overeenkomst werd gesloten buiten het kantoor van geïntimeerde en zij aan geïntimeerde niet vooraf gevraagd hebben bij hen thuis te komen, met de bedoeling te contracteren. Anderzijds, achten zij de clausule, krachtens dewelke het commissieloon verschuldigd is indien het onroerend goed, na de beëindiging van de opdracht, wordt verkocht aan een door de makelaar aangebrachte kandidaat-koper, eveneens nietig op grond van artikel 32.16 WHPC, omdat deze verbintenis niet wordt beperkt in de tijd.
  7. Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en stelt incidenteel beroep in, strekkende tot de integrale toewijzing van haar oorspronkelijke vordering. Subsidiair vordert zij op grond van het gemeen recht een vergoeding voor de door haar geleverde prestaties. II. Bespreking.
  8. Geïntimeerde betwist niet langer dat de overeenkomst van 8 augustus 2000, hoewel betiteld als een ¿Lastgeving te koop', een overeenkomst van dienstverlening is, waarop de regels van de aanneming van toepassing zijn, nu de makelaar (hoofdzakelijk) belast wordt met materiële handelingen, met name het zoeken van een koper voor de te koop gestelde woning. Evenmin wordt betwist dat de activiteiten van een vastgoedmakelaar onder de toepassing vallen van de wet van 14 juli 1991 betreffende handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument.
  9. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de vordering van geïntimeerde gesteund is op het beding dat het commissieloon verschuldigd is, indien het onroerend goed, na de beëindiging van de opdracht, wordt verkocht aan een kandidaat-koper, die door haar was aangebracht. Deze bepaling heeft geen uitstaans met het door de eerste rechter op grond van artikel 32.15 WHPC nietig verklaard (schade-)beding, krachtens hetwelk het volledig commissieloon verschuldigd is, in geval de verkoop onmogelijk wordt gemaakt door toedoen van de verkoper. Of voormeld beding al niet nietig is, dient niet te worden onderzocht, nu dit niet het voorwerp is van het geschil.
  10. Krachtens artikel 86 § 1.1° en artikel 88 WHPC, dienen overeenkomsten, die tot stand zijn gebracht ten huize van de consument, op straffe van nietigheid het door de wet voorgeschreven verzakingsbeding te bevatten. Geïntimeerde ontkent niet dat de overeenkomst van 8 augustus 2000 werd gesloten ten huize van appellanten, maar zij beroept zich op de uitzondering, voorzien in artikel 87.a WHPC, krachtens hetwelk niet onder de toepassing vallen van deze bepaling, de verkopen ten huize van de consument, wanneer deze het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd heeft, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat product of van die dienst. De kwestieuze overeenkomst vermeldt niet dat de makelaar door appellanten telefonisch werd uitgenodigd om met hem de verkoop te bespreken en hem ermee te gelasten. Enkel geven appellanten toe dat zij telefonisch contact hebben genomen met geïntimeerde. Deze erkenning mag evenwel niet los gezien worden van het geheel van hun verklaring, waarin zij voorhouden dat tijdens dit gesprek, een huisbezoek werd voorgesteld door geïntimeerde, die hen uiteindelijk op 8 augustus 2000 thuis heeft opgezocht, na zelf opnieuw telefonisch met hen contact te hebben genomen. Of het initiatief van appellanten om geïntimeerde telefonisch te contacteren, er louter op gericht was om een verkennend gesprek te voeren en te informeren naar de voorwaarden en de kostprijs van haar bemiddeling, zoals appellanten voorhouden, maar door geïntimeerde wordt tegengesproken, kan niet worden achterhaald. De wet zelf bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat het door de consument gegeven akkoord met een door de verkoper telefonisch voorgesteld bezoekaanbod, geen voorafgaand verzoek vormt, in de zin van artikel 87.a WHPC. De bewijslast, dat is voldaan aan de vereiste dat het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk werd gevraagd door de consument, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat product of die dienst, rust op de verkoper (in casu de makelaar). Geïntimeerde levert dit bewijs niet. De loutere vaststelling dat appellanten geïntimeerde telefonisch hebben gecontacteerd, volstaat voor geïntimeerde niet om met succes de in artikel 87 WHPC voorziene uitzondering in te roepen. Dienvolgens moet de overeenkomst van 8 augustus 2000 worden nietig verklaard, waaruit volgt dat de vordering tot betaling van een commissieloon ongegrond is. Aangezien de volledige overeenkomst nietig wordt bevonden, is er geen reden meer om te onderzoeken of enig beding in de overeenkomst nietig kan worden verklaard op grond van artikel 32.16 WHPC.
  11. Subsidiair meent geïntimeerde ¿op grond van het gemeen recht' aanspraak te kunnen maken op de ¿gebruikelijke vergoeding' voor de geleverde prestaties. Partijen kunnen geen rechten putten uit een nietige overeenkomst. De verwijzing naar het gemeen recht volstaat niet als aanduiding van de rechtsgrond, waarop deze ondergeschikte vordering is gesteund. Bij gebrek aan rechtsgrond dient ook deze vordering te worden afgewezen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni
  12. Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar, het hoofdberoep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende. Verklaart de overeenkomst van 8 augustus 2000 nietig op grond van de artikelen 86 en volgende van de wet van 14 juli 1991 betreffende handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument. Verwijst geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, aan de zijde van appellanten vereffend op ¿ 342,06 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, ¿ 185,92 rolrecht, ¿ 57,02 uitgavenvergoeding verzoekschrift en ¿ 456,12 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer twaalf bis, recht doende in burgerlijke zaken op zesentwintig mei tweeduizend en vier . Aanwezig : Dirk Floren, alleenrechtsprekend raadsheer, Achiel Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.