id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20040527.11 Rolnummer: 2003/AR/1356 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-03 23:46 Fiche Revindicatievordering--art.2279 B.W.--handgift--bewijslast. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Revindicatie BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Handgift BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Bezit geldt als titel Tekst van de beslissing in de zaak van: P.W., ¿, wonende te ¿ appellant, hebbende als raadsman mr. SCHEIRLINCK Paulina, advocaat te 9880 AALTER, Heirstraat 90 tegen: A.M., ¿, wonende ¿, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BIELEN Christophe, advocaat te 3500 HASSELT, Leopoldplein 8 velt het Hof het volgend arrest: Het Hof nam kennis van het vonnis op tegenspraak gewezen op 22 november 2002 door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zeventiende kamer, waartegen door de appellant tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 04 juni
- De partijen werden bij monde van hun raadslieden gehoord ter openbare terechtzitting; de neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien. I. VOORGAANDEN De appellant en de geïntimeerde zijn neef en nicht van respectievelijk wijlen P.A., overleden op ¿, zonder reservataire erfgenamen na te laten, en diens vooroverleden echtgenote (wiens nalatenschap in volle eigendom is overgegaan op haar echtgenoot). Uit de uitleg door de partijen in besluiten verstrekt blijkt dat er géén al te beste verstandhouding bestond tussen de beide familietakken. Nog vóór het overlijden van A.P.was er discussie ontstaan nopens het eigendomsrecht van diverse titels aan toonder bij het Gemeentekrediet en bij de Bank van Roeselare, telkens ten bedrage van 39.662,96 EUR (1.600.000 BEF), welke destijds aan de decujus toebehoorden en waarvan de beide partijen thans voorhouden dat zij eigenaar zijn geworden van deze waardepapieren ingevolge schenking. De appellant beroept zich hiervoor op een onderhands geschrift d.d. 13/01/1997 uitgaande van de decujus waarin de gift werd bevestigd (zie diens st. 3), daar waar de geïntimeerde staande houdt reeds in het bezit van deze waardepapieren te zijn gekomen via handgifte in de jaren 1993, 1994 en
- De appellant betwist dit nu volgens hem de litigieuze waardepapieren nog in de woning van de decujus aanwezig waren op 06/06/1996 waarop deze door de geïntimeerde werden weggenomen op een ogenblik dat de decujus tijdelijk bij de appellant te ¿ verbleef. De geïntimeerde zou hierbij gehandeld hebben op verzoek van haar tante G.A. die de zorg over P.A. op zich had genomen na het overlijden van diens echtgenote in 1975 en zelfs deeltijds bij hem inwoonde doch ingevolge ziekte was gehospitaliseerd. In het kader van deze discussie deed wijlen A.P. met aangetekende brieven van 14 en 26 augustus 1996 verzet tegen de ongewilde buitenbezitstelling van waardetitels voor een bedrag van 39.662,96 EUR (1.600.000 BEF) afgeleverd door de Bank van Roeselare (zie st. 1-2 bundel appellant). Kennelijk zou ook verzet zijn aangetekend met betrekking tot de waardetitels afgeleverd door het Gemeentekrediet doch bewijsstukken worden dienaangaande niet overgelegd. Dit laatste kan evenwel afgeleid worden uit de door de appellant overgelegde stukken 4 en 5 waaruit de inbeslagname van de betrokken waardetitels blijkt, hetgeen slechts mogelijk is na verzet. Bij dagvaardingsexploot d.d. 09 november 1999 vorderde de appellant lastens de geïntimeerde de afgifte van de onderscheiden waardepapieren (waarvoor, wat de beschrijving betreft, verwezen wordt naar het inleidend dagvaardingsexploot), minstens de uitbetaling van de tegenwaarde, de schrapping van het verzet in het Officieel Bulletin van de met verzet aangetekende waarden te bevelen en te publiceren, alsook een schadeloosstelling voor het verlies aan intresten sinds de vervaldag van de in beslag genomen waarden tot op de datum van betaling van de tegenwaarde, méér alle bijkomende kosten. Tevens vorderde de appellant de niet-afgifte van de eventueel niet in beslag genomen titels in handen van de gerechtsdeurwaarder, te koppelen aan een dwangsom van 123,95 EUR per dag tot de dag der afgifte. De geïntimeerde betwistte deze vordering zich beroepende op artikel 2279 B.W. en de schenking en vorderde bij tegeneis de opheffing van het beslag en de veroordeling van de appellant tot een schadevergoeding. De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering ongegrond en de tegenvordering gegrond in navolgende mate: ¿ hij beval de opheffing van het beslag en van het verzet tegen de uitbetaling van de titels aan toonder (zoals opgesomd in het bestreden vonnis) alsook de publicatie van de schrapping van het verzet in het Officieel Bulletin van de met verzet aangetekende waarden, op kosten van de appellant; ¿ hij zegde voor recht dat het verlies van intresten in hoofde van de geïntimeerde door de appellant zal vergoed worden aan de wettelijke intrestvoet op de waarde op de vervaldag van de betrokken effecten sedert de respectieve vervaldagen tot de dag van de effectieve lichting van het beslag en veroordeelde de appellant tot betaling van een provisie van 1 EUR ten titel van schadevergoeding, dit alles méér de gedingkosten. Met zijn hoger beroep beoogde de appellant de vernietiging van het bestreden vonnis, de toekenning van zijn oorspronkelijke hoofdvordering en de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering, met veroordeling van de geïntimeerde tot de gedingkosten der beide aanleggen. De geïntimeerde van haar kant besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de appellant tot de gedingkosten der beide aanleggen. II. BEOORDELING
- De oorspronkelijke hoofdvordering (evenals de oorspronkelijke tegenvordering trouwens) is een zakelijke vordering tot revindicatie. Als oorspronkelijke eiser van deze zakelijke vordering rust op de appellant een driedubbele bewijsvoering, nl.: 1) dat de gerevindiceerde goederen zich voordien in het vermogen van de decujus bevonden, dat deze er eigenaar van was of er althans het bezit van had; 2) dat de goederen zich thans in het bezit van de tegenpartij (i.d. de geïntimeerde) bevinden en 3) dat hij de algemene rechtsopvolger van de vorige eigenaar is. Aan deze bewijsvoering, die door alle middelen kan worden geleverd, is voldaan. Het wordt immers niet betwist dat de litigieuze waardepapieren zich voordien in het vermogen van PULINX Albert bevonden, die er ook de eigenaar van was en dat de geïntimeerde deze titels thans onder zich heeft. Nog afgezien van de vraag in hoeverre de bevestigingsakte d.d. 13/01/1997 van een gift van diezelfde datum m.b.t. litigieuze titels aan de appellant, als bewijs van de schenking kan dienen nu de handgift benevens het begiftigingsoogpunt een traditio vereist (welke op 13/01/1997 onbestaande was en ook onmogelijk aangezien de waardepapieren in het bezit van de geïntimeerde waren), is ook aan de derde voorwaarde voldaan aangezien de decujus zijn neef P.W. in zijn testament opgemaakt voor notaris Paul De Sutter, met standplaats te Lotenhulle-Aalter, als zijn algemene legataris aanstelde, waardoor deze laatste de algemene rechtsopvolger van de decujus werd (zie st. 20 appellant).
- Waar de appellant voldoet aan de op hem rustende bewijslast, behoort het thans aan de geïntimeerde als beweerde begiftigde het bewijs van haar aanspraken te leveren. Zij beroept zich hierbij op het deugdelijk bezit (artikel 2279 B.W.) en de schenking (handgift). 2.
- Wie artikel 2279 B.W. inroept moet het bewijs leveren van: 1) een actueel en daadwerkelijk bezit (materieel element) ¿ hetgeen in hoofde van de geïntimeerde onbetwist vaststaat ¿, 2) een bezit pro suo (intentioneel element) - wat in hoofde van de geïntimeerde evenzeer kan aangenomen worden ¿, 3) een bezit te goeder trouw, hetgeen vermoed wordt en waarvan het tegendeel in hoofde van de geïntimeerde niet bewezen wordt, en 4) een deugdelijk bezit, met name een bezit dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2229 B.W. en derhalve niet door bezitsgebreken is aangetast, nl. een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit. Het bezit wordt wel geacht deugdelijk te zijn derwijze dat de bewijslast omtrent het ondeugdelijk karakter van het bezit dan weer op de revindicant rust, dus in casu op de appellant. Hierbij kan hij gebruik maken van alle middelen van recht. Een eerste discussiepunt betreft de vraag naar het tijdstip waarop de geïntimeerde in het bezit van de waardepapieren is gekomen. Haar bewering dat de waardepapieren haar reeds in de jaren 1993, 1994 en 1995 werden overhandigd door de decujus, vindt geen steun in de voorliggende overtuigingstukken. Integendeel blijkt uit de stukken 21 en 22 van de appellant dat de decujus in 1995 nog zelf de rente inde, hetgeen de bewering van de geïntimeerde bijgevolg veeleer tegenspreekt. Het blijkt evenmin dat de aankoop van de villa te ¿ door de geïntimeerde vanwege de decujus (verleden bij notariële akte d.d. ¿) gepaard ging met een schenking van waardepapieren ter financiering van de koopsom, nu dienaangaande door de decujus (tegelijk verkoper) een bedrag van 5 miljoen frank als handgift aan de geïntimeerde (tegelijk koopster) werd geschonken ¿in speciën¿ (zie st. 2-3 bundel geïntimeerde). In het licht van de inhoud van de door G.A. eigenhandig geschreven brief en diens ondertekende (getypte) verklaring d.d. 14/06/1996 (st. 6 en 7 geïntimeerde) komt het veeleer aannemelijk voor dat de geïntimeerde zich op vraag van voornoemde op 06/06/1996 naar de woning van de decujus heeft begeven en aldaar alles wat waarde had, heeft meegenomen op vraag van haar tante, inclusief de waardepapieren. Dit zou in ieder geval de reactie van de decujus verklaren in het schrijven d.d. 10/06/1996 van diens raadsman aan de geïntimeerde waarin wordt aangedrongen op onmiddellijke teruggave van alle ontvreemde goederen, alsook in het schrijven d.d. 08/08/1996 waarin door diens raadsman specifiek wordt gewezen op de ontvreemding van de waardepapieren en wordt aangedrongen op de teruggave van de verdwenen effecten, zelfs onder dreiging van het neerleggen van een strafklacht. Waar het bezit van de waardepapieren aldus pas een aanvang kan genomen hebben begin juni 1996, kan bezwaarlijk sprake zijn van een ongestoord bezit in hoofde van de geïntimeerde, gelet juist op de diverse aanmaningen uitgaande van de raadsman van de decujus in teruggave van de titels én het door de decujus aangetekende verzet tegen de ongewilde buitenbezitstelling van waardetitels. Dat er uiteindelijk géén strafklacht werd neergelegd, dient uitsluitend toegeschreven te worden aan de tussen de betrokkenen bestaande familiale verhoudingen en inzonderheid de goede verstandhouding die destijds bestond tussen de decujus en zijn schoonzuster G.A.. Ten bewijze de vaststelling dat kort nà het overlijden van deze laatste onderhavige procedure toch werd opgestart. Niet alleen is het bezit niet ongestoord, het heeft eveneens een dubbelzinnig karakter nu blijkens hoger vermelde brief en verklaring van G.A., de geïntimeerde gevraagd werd o.m. de waardepapieren uit de woning van de decujus te halen uit veiligheidsoverwegingen, wat erop kan wijzen dat de geïntimeerde de waardepapieren onder zich hield ten titel van bewaargeving. Nu de geïntimeerde zich niet op een deugdelijk bezit kan beroepen, geniet zij niet de rechtsbescherming voortvloeiende uit artikel 2279 B.W.. 2.
- Teneinde te slagen in haar verweer en in haar tegenvordering dient de geïntimeerde derhalve het bewijs te leveren van de oorsprong van haar bezit van de waardepapieren, inzonderheid door de voorgehouden handgift als titel van eigendomsverkrijging. In deze bewijsvoering slaagt zij evenwel niet gelet enerzijds op de wijze waarop zij in het bezit van de waardepapieren is gekomen, hetgeen een traditio, noodzakelijke voorwaarde van de handgift, uitsluit, en anderzijds de houding van de decujus zelf (zie punt 2.1.) waaruit géén animus donandi af te leiden valt. Dat de decujus begin juni 1996 in een dementerende toestand verkeerde - zoals de geïntimeerde wil voorhouden ¿, komt geenszins bewezen voor en wordt overigens duidelijk tegengesproken door de diverse medische attesten uit die periode uitgaande van enerzijds dr. F.B. (d.d. 07/06/1996 en 03/07/1996) en anderzijds dr. L.W. d.d. 13/06/1996 (zie st. 14 t/m 16 bundel appellant).
- Gelet op alle voorgaande overwegingen en vaststellingen dient - in tegenstelling tot de overwegingen en besluitvorming van de eerste rechter ¿, de oorspronkelijke hoofdvordering te worden toegekend en de oorspronkelijke tegenvordering als ongegrond te worden afgewezen. Het hoger beroep komt dienvolgens gegrond voor, derwijze dat de gedingkosten der beide aanleggen lastens de geïntimeerde moeten worden gelegd.
- omzetting in Euro Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische franken nog zijn vermeld, is dit louter ten informatieve titel. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende: Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald. Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt dienvolgens de geïntimeerde binnen de 24 uren na betekening van onderhavig arrest tot afgifte aan de appellant, hetzij de beslagleggende kredietinstellingen daartoe te laten overgaan, van navolgende titels aan toonder, destijds uitgedrukt in BEF, hetzij de tegenwaarde ervan uit te betalen, te vermeerderen met de interesten, vervallen en nog te vervallen: Gemeentekrediet: ¿ informatorische kasbon 3 jaar, 7 %, vervaldag 01 januari 1998 1 x 200.000 BEF (4.957,87 EUR) nr. 93112-0270450-6 ¿ informatorische kasbon 5 jaar, 7,10 %, vervaldag 16 augustus 1999 1 x 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR) nr. 93112-0173877-5 ¿ informatorische kasbon 5 jaar, 7,10 %, vervaldag 01 september 1999 1 x 400.000 BEF (9.915,74 EUR) nr. 93112-0173876-4 Bank van Roeselare: ¿ groeibons: 3 x 100.000 BEF (2.478,94 EUR), 3/5 jaar, 01 oktober 92-95-97 8,60-8,60 % nrs. 10227/00914/38-00916/40 ¿ groeibons: 2 x 100.000 BEF (2.478,94 EUR), 5 jaar, 01 augustus 1994-99 7,10 % nrs. 10618/00627/21-00628/22 ¿ groeibon: 1 x 100.000 BEF (2.478,94 EUR), 3 jaar, 01 november 1994-97 7,20 % nr. 10674/00094/66 ¿ groeibons: 2 x 500.000 BEF (12.394,68 EUR), 3 jaar, 01 februari 1995-98 7,05 % nrs. 10698/00862/84-00863/
- Beveelt, na afgifte of uitbetaling, de schrapping van het verzet in het Officieel Bulletin der met verzet aangetekende waarden, alsook de publicatie van de schrapping. Zegt voor recht dat het verlies van intresten in hoofde van de appellant sedert de vervaldag van de inbeslaggenomen waarden tot op de datum van de tegenwaarde ervan door de geïntimeerde zal vergoed worden. Zegt voor recht dat indien de geïntimeerde de afgifte van de eventueel niet in beslaggenomen titels niet doet in handen van de gerechtsdeurwaarder, zij vanaf de derde werkdag nà het exploot-bevel een dwangsom zal verschuldigd zijn ten belope van 123,95 EUR per dag tot de dag der afgifte. Verwijst de geïntimeerde tot de gedingkosten der beide aanleggen, aan haar zijde niet te begroten vermits deze toch ten hare laste blijven en aan de zijde van de appellant te begroten als volgt: ¿ kosten dagvaarding 255,65 EUR ¿ aanzegging Belgische Staat 155,43 EUR ¿ rechtsplegingvergoeding eerste aanleg 334,66 EUR ¿ rolrecht hoger beroep 186,00 EUR ¿ rechtsplegingvergoeding hoger beroep 456,12 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIER. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. VAN DE PUTTE, raadsheer L. THABERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div