← België

ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041103.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041103.16 Rolnummer: 2004/AR/0185 Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-03 23:47 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeer - Internationaal recht - Verdrag Genève 8 november 1968 - Wegverkeer HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer Tekst van de beslissing in de zaak van: N.V. BC PROJEKTTEAM, met maatschappelijke zetel te 8740 Pittem, Nijverheidsstraat 15, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. 80.963 en met ondernemingsnummer 0 453 621 686, appellante, hebbende als raadsman mr. Brigitte Vander Meulen, advocaat met kantoor te 8700 Tielt, Tramstraat 68, tegen: N.V. TRANSPORT VAN DE MIEROP, met maatschappelijke zetel te 8870 Izegem, Ambachtstraat 21, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 78.572 en met ondernemingsnummer 0 402 762 80, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Nicolas Vanlerberghe, advocaat met kantoor te 8870 Izegem, Kasteelstraat 24, velt het Hof het volgend arrest: Het Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien. Het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, tweede kamer, van 16 december 2003, werd ingesteld bij verzoek¬schrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 januari

  1. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een exploot van betekening ligt niet voor. I. Antecedenten.
  2. Met fax van 22 augustus 2002 wordt aan geïntimeerde de opdracht beves¬tigd om voor rekening van appellante drie transporten van metalen onderdelen voor een constructie uit te voeren van Meulebeke naar een werf in Samazan (Frankrijk). Het derde transport (met lading voorzien op maandag 2 september en aflevering op dinsdag 3 september 2002) wordt een dag later uitgevoerd dan gepland. Appellante, die beweert schade te hebben geleden door de laattijdige afleve¬ring, weigert de facturen van geïntimeerde integraal te vereffenen en roept compensatie in tot beloop van haar schadeclaim. Met dagvaarding van 28 januari 2003 vordert geïntimeerde van appellante betaling van het saldo van haar facturen ten bedrage van _ 2.293,56, meer schadebeding en intresten.
  3. De eerste rechter komt tot de vaststelling dat appellante vervallen is van het recht op schadevergoeding voor de vertraging in de aflevering van de goede¬ren, nu zij geen voorbehoud heeft gemaakt binnen de termijn van 21 dagen na de aflevering van de goederen (artikel 30.3 van het cmr-verdrag). Appellante wordt veroordeeld om aan geïntimeerde de hoofdsom van de facturen, hetzij _ 2.293,56, te betalen. Het schadebeding wordt afgewezen.
  4. Appellante acht de bepalingen van het cmr-verdrag niet van toepassing op het geschil tussen partijen, omdat in casu de schade is ontstaan buiten de periode van het transport en de vordering in schadevergoeding als zodanig door het cmr-verdrag niet wordt geregeld. Zij besluit tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerde.
  5. Geïntimeerde, die er ook op wijst dat de vordering van appellante inmiddels verjaard is, besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. II. Bespreking.
  6. De opdracht van geïntimeerde bestond in het vervoer van onderdelen van een staalstructuur naar een werf in Frankrijk. Er waren duidelijke termijnen overeengekomen om de goederen op te halen en af te leveren. Ten gevolge van de ziekte van een chauffeur kon de laatste lading pas een dag later worden opgehaald, waardoor de aflevering van de goederen slechts plaats had in de namiddag van woensdag 4 september 2002, in plaats van dinsdag¬morgen 3 september 2002, zoals voorzien. Aangezien de onderdelen onontbeerlijk waren om de werklieden op de werf aan het werk te houden, ging hierdoor een aantal werkuren verloren en werd appellante door haar opdrachtgever aangesproken in vergoeding van de aldus veroorzaakte schade. Het door geïntimeerde uitgevoerd transport betreft een internationaal (België - Frankrijk) vervoer van goederen over de weg en valt als zodanig onder de toepassing van het cmr-verdrag. De schade, waarvan appellante vergoeding vordert, is niets anders dan de schade wegens vertraging in de aflevering van de goederen, zoals onder meer bedoeld in artikel 19 van dit verdrag. Onderhavig geschil wordt dan ook beheerst door de bepalingen van het cmr-verdrag.
  7. Schuldvergelijking tussen een vordering tot betaling van de vrachtprijs en een, zowel qua principe, als qua bedrag betwiste en dus niet-vaststaande vordering in schadevergoeding, gestoeld op de beweerde aansprakelijkheid van de vervoerder voor vertraging in de aflevering van de goederen, is niet mogelijk. De vordering tot betaling van de vrachtprijs werd door de eerste rechter terecht gegrond verklaard.
  8. In hoger beroep legt appellante thans een factuur voor van Belgacom, waaruit blijkt dat zij op 13 september 2002 wel degelijk een fax heeft ver¬stuurd aan geïntimeerde. Waar niet blijkt dat op dat ogenblik enig ander document aan geïntimeerde werd verzonden, mag worden aangenomen dat de fax van deze datum de door appellante onder stuk 3 van haar dossier voorgelegde brief betreft, die een voorlopige schadeclaim ingevolge de laattijdige levering inhoudt. Dienvolgens moet worden besloten dat, in tegenstelling tot hetgeen de eerste rechter heeft aangenomen, appellante binnen de door artikel 30.3 van het cmr-verdrag voorgeschreven termijn van 21 dagen, een schriftelijk voorbehoud heeft ter kennis gebracht van geïntimeerde, zodat zij niet vervallen is van haar vordering wegens vertraging, bij gebrek aan tijdig voorbehoud.
  9. Het inroepen van schuldvergelijking tegen een rechtsvordering tot betaling is te aanzien als een vorm van verweer ten gronde of als het opwerpen van een exceptie. Als zodanig stelt degene, die de wettelijke schuldvergelijking opwerpt tegen een tegen hem gerichte rechtsvordering tot betaling, geen vordering in tot erkenning in rechte van een door verjaring bedreigd recht. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat appellante met betrekking tot haar schade-eis tot op heden geen (tegen-)vordering heeft ingesteld. Thans is een dergelijke vordering in ieder geval verjaard. Krachtens artikel 32.1.a van het cmr-verdrag verjaart de rechtsvordering, waartoe een aan het verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, door verloop van één jaar en loopt de verjaring, in geval van vertraging, vanaf de dag waarop de goederen zijn afgeleverd. In casu werden de goederen afgeleverd op 4 september
  10. De verjaring werd geschorst door de schriftelijke vordering, die appellante op 27 september 2002 aan geïntimeerde heeft gericht, maar deze schorsing werd ongedaan gemaakt ingevolge het schrijven van geïntimeerde van 7 oktober 2002, waarbij zij haar aansprakelijkheid afwijst en de stukken terugzendt. Besluit: de bestreden beslissing dient te worden bevestigd, zij het op andere gronden; het hoger beroep is ongegrond. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni
  11. Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst appellante in de kosten van de beroepsinstantie, aan de zijde van geïntimeerde vereffend op _ 233,02 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer twaalf bis, recht doende in burgerlijke zaken op drie november tweeduizend en vier . Aanwezig : Dirk Floren, alleenrechtsprekend raadsheer, Achiel Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.