← België

ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041206.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041206.6 Rolnummer: 2003/AR/0692 Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-04 07:40 Fiche Vervoer--C.M.R.--belang bij de vordering (ontvankelijkheid/toelaatbaarheid)--verjaring en regresvordering--art.32 en 39.4 C.M.R.--begrip 'omvolgend verweerder'. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeer - Internationaal recht - Verdrag Genève 8 november 1968 - Wegverkeer HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer Tekst van de beslissing in de zaak van: WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT B.V., vennootschap naar vreemd recht, met maatschappelijke zetel Christiaan Huygensweg 12, 2408 AJ Alphen aan den Rijn, Postbus 2043, 2400 CA Alphen aan den Rijn, appellante, hebbende als raadsman mr. Steven D'Hoine, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Verbindingsdok Oostkaai 13, tegen l. NAVIGA Naamloze Vennootschap, (voorheen BELGAMAR Naamloze Vennootschap) ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder nr. 112.201 met zetel gevestigd te Antwerpen (1ste district), Mechelsesteenweg 66;

  1. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAAT-SCHAPPIJ Naamloze Vennootschap, met maatschappelijke zetel gevestigd in Nederland, Princes Beatrixlaan 38, 2595 AK Den Haag, (H.R.A. 77.711)
  2. SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI TRASPORTI - S.I.A.T., met zetel gevestigd Via V Dicembre 3, I- 1 6121 Genova, Italië, (H.R.A. 177.073)
  3. KBC VERZEKERINGEN-KBC ASSURANCES-KBC VERSICHERUNGEN-KBC INSURANCE Naamloze Vennootschap, ingeschreven in het handelsregister van Leuven onder het nummer 121, met zetel te 3000 Leuven, aan Minderbroederstraat 8,
  4. HANNOVER INTERNATIONAL BELGIE Naamloze Vennootschap ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer 560.845, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 158 bus 8,
  5. ROYAL & SUN ALLIANCE INSURANCE, ingeschreven in het handels-register van Brussel onder het nummer 612.554, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1200 Brussel,Woluwelaan 64, bijkantoor van de N.V. ROYAL & SUNALLIANCE SCHADE-VERZEKERING, met maatschappelijke zetel gevestigd in Nederland, Gebouw Rivierstaete, Amsteldijk 166, PB 74789,1070 DL Amsterdam.
  6. MERCATOR en NOORDSTAR Naamloze Vennootschap, ingeschreven in het handelsregister van Gent onder het nummer 967, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302;
  7. ALPINA INSURANCE & REINSURANCE CY. S.A., met zetel gevestigd te CH-8034 Zürich, Seefeldstrasse 123, Zwitserland, (H.R.A. 217.828);
  8. AGRIPPINA VERSICHERUNG A.G., met zetel gevestigd te D-5000 Köln, Riehler Strasse 90, Duitsland, (H.R.A. 42.226) 10 ACE INSURANCE S.A., met zetel gevestigd te 1040 Brussel, Belliardstraat 9/11, (H.R.B. 317.734) 11 LE CONTINENT, met zetel gevestigd te Frankrijk, 75105 Paris Cedex 02, 62-Rue de Richelieu;(Paris 572.224.467), 12 MITSUI MARINE & FIRE INSURANCE CO. LTD., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is 6th Floor, New London House, 6 London Street, London EC3R. 7LP, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 210.435 13 SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI TRASPORTI - S.I.A.T., met zetel gevestigd Via V Dicembre 3, I-16121 Genova, Italië, (H.R.A. 177.073); 14 WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN Naamloze Vennoot-schap, met zetel gevestigd te 1040 Brussel, aan de Kunstlaan 56; (HRB.: 1.459) 15 Naamloze Vennootschap LVD COMPANY, ingeschreven in het handelsregister van Kortrijk onder het nummer 54.023, met maatschappelijke zetel gevestigd te 8560 Gullegem, Nijverheidslaan 2, 16 De Vennootschap naar Vreemd Recht WELAND AB, met maatschappelijke zetel gevestigd in Zweden, 333 28 Smalandsstenar, PO Box 503, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Bernard Insel, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen (1ste distr.), Mechelsesteenweg 136, alwaar woonplaats gekozen wordt. II. en in de zaak nr. 2003/AR/795 van :
  9. T. T., handelaar,
  10. THOMAS JUHL SPEDITION UND LOGISTIK, vennootschap naar vreemd recht, beiden met als adres ¿ appellanten, hebbende als raadsman mr. Gérald Straatman, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, De Burburestraat 6-8, alwaar woonstkeuze gedaan wordt, tegen l. NAVIGA Naamloze Vennootschap, (voorheen BELGAMAR Naamloze Vennootschap) ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder nr. 112.201 met zetel gevestigd te Antwerpen (1ste district), Mechelsesteenweg 66;
  11. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAAT-SCHAPPIJ Naamloze Vennootschap, met maatschappelijke zetel gevestigd in Nederland, Princes Beatrixlaan 38, 2595 AK Den Haag, (H.R.A. 77.711)
  12. SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI TRASPORTI - S.I.A.T., met zetel gevestigd Via V Dicembre 3, I- 1 6121 Genova, Italië, (H.R.A. 177.073)
  13. N.V. KBC VERZEKERINGEN, ingeschreven in het handelsregister van Leuven onder het nummer 121, met zetel te 3000 Leuven, aan Minderbroederstraat 8,
  14. HANNOVER INTERNATIONAL BELGIE Naamloze Vennootschap ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer 560.845, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 158 bus 8,
  15. ROYAL & SUN ALLIANCE INSURANCE, ingeschreven in het handels-register van Brussel onder het nummer 612.554, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1200 Brussel,Woluwelaan 64, bijkantoor van de N.V. ROYAL & SUNALLIANCE SCHADEVERZEKERING, met maatschappelijke zetel gevestigd in Nederland, Gebouw Rivierstaete, Amsteldijk 166, 1070 DL Amsterdam.
  16. MERCATOR en NOORDSTAR Naamloze Vennootschap, ingeschreven in het handelsregister van Gent onder het nummer 967, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302;
  17. ALPINA INSURANCE & REINSURANCE CV. S.A., met zetel gevestigd te CH-8034 Zürich, Seefeldstrasse 123, Zwitserland, (H.R.A. 217.828);
  18. AGRIPPINA VERSICHERUNG A.G., met zetel gevestigd te D-5000 Köln, Riehler Strasse 90, Duitsland, (H.R.A. 42.226) 10 ACE INSURANCE S.A., met zetel gevestigd te 1040 Brussel, Belliardstraat 9/11, (H.R.B. 317.734) 11 LE CONTINENT, met zetel gevestigd te Frankrijk, 75105 Paris Cedex 02, 62-Rue de Richelieu, 12 MITSUI MARINE & FIRE INSURANCE CO. LTD., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is 6th Floor, New London House, 6 London Street, London EC3R. 7LP, Groot-Brittannië, en ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 210.435, 13 SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI TRASPORTI - S.I.A.T., met zetel gevestigd Via V Dicembre 3, I-16121 Genova, Italië, (H.R.A. 177.073); 14 WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN Naamloze Vennoot-schap, met zetel gevestigd te 1040 Brussel, aan de Kunstlaan 56; (HRB.: 1.459) 15 Naamloze Vennootschap LVD COMPANY, ingeschreven in het handelsregister van Kortrijk onder het nummer 54.023, met maatschappelijke zetel gevestigd te 8560 Gullegem, Nijverheidslaan 2, 16 De Vennootschap naar Vreemd Recht WELAND AB, met maatschappelijke zetel gevestigd in Zweden, 333 28 Smalandsstenar, PO Box 503, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Bernard Insel, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen (1ste distr.), Mechelsesteenweg 136, alwaar woonplaats gekozen wordt.
  19. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel Christiaan Huygensweg 12, 2408 AJ Alphen aan den Rijn, Postbus 2043, 2400 CA Alphen aan den Rijn, Nederland, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Steven D'Hoine, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Verbindingsdok, Oostkaai 13, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.
  20. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  21. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV stelde op 24 maart 2003 hoger beroep in tegen het vonnis van 18 december 2002 van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (zaak 2003-AR-0692). T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK stelden op 2 april 2003 tegen hetzelfde vonnis hoger beroep in (2003-AR-0795). NAVIGA NV en consoorten, LVD COMPANY NV en WELAND AB vorderen de ongegrondverklaring van de hogere beroepen en de bevestiging van het vonnis. 1.
  22. De zes resterende betwistingen (1.2.1 tot 1.2.6) volgen op de schade aan een hydraulische pers, die vervoerd werd van LVD COMPANY NV uit Gullegem naar WELAND AB in Smalandsstenar in Zweden en waarvoor de afzender (LVD COMPANY NV), de bestemmeling (WELAND AB) en hun verzekeraars (NAVIGA NV en consoorten) de vervoerders WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hoofdelijk aansprakelijk houden: - LVD COMPANY NV vertrouwde het vervoer toe aan T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK, die de opdracht doorgaf aan GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, die op haar beurt bij fax van 24 januari 2000 beroep deed op WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV voor het vervoer van Gullegem naar de Skandinaviekaai in D-Travemünde met de bijzondere opdracht de goederen met een dekzeil af te dekken (stuk 1 in de bundel van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV) en onder de verwijzing, dat het vervoer onder CMR-waarborg werd uitgevoerd (¿¿ und decken CMR ein'). GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH voerde zelf het vervoer uit vanaf de Skandinaviekaai in D-Travemünde naar WELAND AB in Smalandsstenar. - De CMR-vrachtbrief NL017221 die voor het vervoer werd opgemaakt, vermeldt LVD COMPANY NV als afzender, WELAND AB als bestemmeling en WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV als vervoerder. Deze vrachtbrief heeft de machine blijkbaar niet tot in Smalandsstenar vergezeld; in elk geval heeft WELAND AB de CMR-vrachtbrief niet voor ontvangst van de goederen afgetekend, maar heeft de vrachtwagenbestuurder van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, zowel als transporteur en als bestemmeling de goederen voor ontvangst afgetekend (zie de vakken 23 en 24 van de CMR-vrachtbrief, stuk 2 in de bundel van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV). - In D-Travemünde werd de hydraulische pers van de dieplader van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV overgeladen op een trailer van STENA voor het zeevervoer naar Götenborg in Zweden. De vrachtbrief-consignement TRO33572 die voor het zeevervoer werd opgemaakt vermeldt GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH als verzender en Zweden als geadresseerde (stuk 6 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten). - In Götenborg werd de hydraulische pers overgeladen op een dieplader van GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, die ze op 7 februari 2000 afleverde bij WELAND AB. Op de vrachtbrief-consignement TRO33572 die de hydraulische pers vanuit D-Travemünde naar Smalandsstenar heeft vergezeld, maakte WELAND AB het voorbehoud dat de machine onbedekt werd afgeleverd. Zij weigerde de afname van de machine. - De door LVD COMPANY NV aangesproken expert stelde in Smalandsstenar vast, dat de machine door transport bezoedeld was en onderdelen door roest en vuil waren aangetast als gevolg van een gebrekkige afdekking (stuk 11 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten). Hij achterhaalde dat de chauffeur van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV het eigen dekzeil bij aflevering van de goederen in D-Travemünde heeft weggehaald, daarop een ander afdekzeil werd gebruikt om de machine te beschermen, maar dit zeil werd verwijderd om de hechtingspunten te vinden voor het hijsen van de machine op de trailer van STENA (zie pg. 3, alinea 4 van stuk 11 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten). - Daarop liet LVD COMPANY NV de machine terug komen naar Gullegem om ze na te zien en te herstellen. De door de verzekeraars van LVD COMPANY NV aangesproken expert begrootte de schade op 7.556,02 EUR (304.809 BEF) aan herstellingskosten en op 5.980,53 EUR (241.254 BEF) aan bijkomende transportkosten (stuk 24 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten). 1.2.
  23. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep die T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hebben ingesteld bij gebrek aan opgave van de grieven (artikel 1057 van het gerechtelijk wetboek). 1.2.
  24. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV en T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK betwisten verder de ontvankelijkheid/toelaatbaarheid van de eis, die LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten instelden. - WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV stelt alleen met GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH gecontracteerd te hebben voor het vervoer tot op de Skandinaviekaai in D-Travemünde. Zij zou geen verbintenissen tegenover LVD COMPANY NV en WELAND AB opgenomen hebben. - Samen met T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK stelt zij, dat NAVIGA NV en consoorten geen deugdelijk bewijs leveren van de subrogatie in de rechten van hun verzekerde LVD COMPANY NV en/of WELAND AB. 1.2.
  25. In ondergeschikte orde betwist WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV de gegrondheid van de eis, die LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten gronden op

(1)haar deelname in het CMR-vervoer van Gullegem tot in Smalandsstenar en
(2)op een zware fout, gelegen in het weghalen van het dekzeil bij afgifte op de Skandinaviekaai in D-Travemünde. - Zij stelt dat zij tot conforme levering op de contractueel plaats van aflevering (Skandinaviekaai in D-Travemünde) overging en de CMR-vrachtbrief zonder enig voorbehoud werd afgetekend. Het vervoer dat GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH vanuit D-Travemünde naar Smalandsstenar uitvoerde, zou niet meer onder dekking van de CMR-vrachtbrief NL017221 gebeurd zijn. - De CMR-vrachtbrief NL017221 - die haar chauffeur ter ondertekening werd voorgelegd - zou geen juiste weergave inhouden van de werkelijke overeenkomst, zoals die bewezen wordt door
(1)de vervoeropdracht die zij van GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH ontving en
(2)door de factuur die zij opmaakte (de stukken 1 en 3 van haar bundel). Deze stukken zouden het vermoeden weerleggen dat artikel 9, 1 van het CMR-verdrag inhoudt. - Waar zij geen deelgenoot was in de globale vervoeropdracht van Gullegen tot in Götenborg, zouden de verbintenissen uit deze globale opdracht bij toepassing van artikel 1165 van het burgerlijk wetboek, dat in de relatieve werking van de overeenkomsten voorziet, tegenover haar niet kunnen afgedwongen worden. - Zij zou evenmin een ¿opvolgend vervoerder' zijn, zoals voorzien in artikel 34 en volgende van het CMR-verdrag en niet hoofdelijk met andere vervoerders tot vergoeding van de schade gehouden zijn, die zich voordeed gedurende het vervoer dat GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH van Skandinaviekaai in D-Travemünde naar GÖTENBORG in Zweden uitvoerde en toe te schrijven aan de nalatigheid van deze vervoerder om te voorzien in een adequate afdekking van de machine. - Van haar zou niet kunnen verwacht worden, dat zij haar afdekzeilen bij afgifte van de goederen in D-Travemünde ter beschikking van GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH zou gesteld hebben voor het vervoer dat deze laatste nog moest uitvoeren. 1.2.
  1. Ook T. T. EN T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK betwisten in ondergeschikte orde de gegrondheid van de eis van LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten. Zij beroepen zich - bij toepassing van artikel 17, 4-b van het CMR-verdrag -op de ontheffing van hun aansprakelijkheid en wijten het schadegeval aan de slechte verpakking van de machine, waarvoor LVD COMPANY NV als afzender moest instaan. De vervoeropdracht die zij van LVD COMPANY NV ontvingen, zou niet voorzien hebben in het aanbrengen van een dekzeil door de vervoerder. 1.2.
  2. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV en T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK betwisten verder ook het bedrag van de door LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten gevorderde schade. Deze laatsten vorderen naast de door de deskundige begrote 7.556,02 EUR (304.809 BEF) aan herstellingskosten en 5.980,53 EUR (241.254 BEF) aan bijkomende transportkosten (stuk 24 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten), ook nog 3.285,56 EUR (132.539 BEF) aan bijkomende behandelingskosten en 710,88 EUR (28.677 BEF) aan expertisekosten. 1.2.
  3. Tenslotte rest de vraag naar ontvankelijkheid, de verjaring en de gegrondheid van de eis in vrijwaring, die T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV stellen. T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK gronden deze eis op
(1)de contractuele en/of
(2)buitencontractuele fout van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, die ten onrechte haar dekzeil van de goederen zou gehaald hebben zonder er op toe te zien, dat de goederen opnieuw werden afgedekt en op
(3)de solidariteit tussen vervoerders. 1.3. De eerste rechter verklaarde de eis van LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK ontvankelijk en gegrond voor de som van 17.532,99 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet van 5%. Hij verklaarde de eis in vrijwaring van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV verjaard. 1.3.1. Op volgende relevante overwegingen verklaarde hij de eis van LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten ontvankelijk: ¿[WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] houden voor dat [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten] niet over het vereiste belang beschikken: [LVD COMPANY NV], afzender van de goederen werd door haar verzekeraars volledig vergoed. De verzekeraars werden eerst na de dagvaarding gesubrogeerd in de rechten van [LVD COMPANY NV]. [WELAND AB], de bestemmeling van de goederen, is niet eens toegetreden tot de overeenkomst, nu deze de vrachtbrief nooit in ontvangst nam. De rechtbank stelt vast dat [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] geen belang hebben bij het inroepen van hun excepties, daar de vordering in haar dispositief zeer duidelijk is: de betaling aan één van eisers [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten] is bevrijdend tegenover alle andere. Overigens moet er nog op gewezen worden dat: - de verzekeraars bij de betaling van [LVD COMPANY NV] en subrogatie op 14.02.2001, meteen door deze de toelating werd verleend om haar naam te gebruiken in alle gebeurlijke rechtsplegingen; - de verzekeraars, bij besluiten neergelegd ter griffie op 27.06.2002, tot beloop van hun subrogatie, het geding hebben hervat, voor zover dit met het exploot van 31.01.2001 op naam van [LVD COMPANY NV] werd ingesteld. De bestemmeling van de goederen heeft belang de vordering lastens de vervoerder in te stellen, zelfs al heeft deze zich door de achterwege gebleven inontvangstneming van de vrachtbrief niet bij het contract kunnen voegen (Cass. 13.06.1980, T.B.H., 1983, 48). Indien [LVD COMPANY NV] alleen als eiseres zou zijn opgetreden, dan zou haar vordering ontvankelijk zijn geweest, nu zij pas na dagvaarding vergoed werd. De verzekeraars hebben in elk geval het geding rechtsgeldig hervat na uitbetaling aan de verzekerde (Broeckx K., "Vertegenwoordiging in rechte en naamlening in het geding", R.W. 1994-95, blz. 252, nr. 28). A fortiori is de vordering ontvankelijk waar [LVD COMPANY NV] vergezeld wordt door haar verzekeraars en de bestemmeling én er meteen ook gestipuleerd wordt dat de betaling aan één van hen bevrijdend zal zijn tegenover de andere en er een overeenkomst tot naamlening werd aangegaan, die alleen dan ongeoorloofd is als ze afbreuk doet aan de rechten van de tegenpartij of een wetsontduiking verbergt, wat in casu niet het geval is, nu de problematiek van betaling aan ¿wie het behoort' volledig ten laste van de eisers onderling gelegd wordt, zodat [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] geen belang hebben bij de opgeworpen excepties'. 1.3.2. Hij hield WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV op volgende relevante overwegingen verantwoordelijk voor het schadegeval: ¿[WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] dient vooreerst als ondervervoerder (¿) aangemerkt te worden. Zij heeft de overeenkomst tot vervoer gesloten tussen [LVD COMPANY NV] en [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] overgenomen, wat genoegzaam blijkt uit de C.M.R.-vrachtbrief die zij samen met [LVD COMPANY NV] heeft ondertekend. Thans is het niet meer betwist dat ondervervoerders ten aanzien van de opdrachtgever contractueel en hoofdelijk met de hoofdvervoerder gehouden zijn. Zij kunnen bij averij ontstaan tijdens het vervoer, rechtstreeks door de opdrachtgever aangesproken worden (Cass., 16.11.1984, R.W. 1984-85, 2550; Cass. 17.09.1987, R.W. 1987-88, 776; Gent, 21.12.1995, R.W.1996-1997, 360). Waar [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] bewijst, met GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH te zijn overeengekomen om slechts het eerste deel van het vervoer, en wel tussen Gullegem en Travemunde uit te voeren, waarna het transport verder werd gezet door GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, belet dit het vorderingsrecht niet van [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten] tegenover [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV]. De onderling eigen contractuele voorwaarden bedongen tussen [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] en GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, kunnen enkel invloed hebben op de wijze waarop de schuld tussen hen verdeeld moet worden, maar blijven zonder invloed wat hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de goederenbelanghebbende betreft (Gent, 21.12.1995, R.W. 1996-97, blz. 360). Verder is het zo dat het uitgevoerde transport onderworpen was aan één enkele overeenkomst. [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] dient als eerste van de opvolgende wegvervoerders beschouwd te worden, zelfs al heeft zij de vrachtbrief niet doorgegeven aan GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH. Deze laatste kende echter de opdracht perfect, nu zij deze in zijn geheel had ontvangen van [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] en deels had toevertrouwd aan [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] om daarna zelf het laatste deel van het traject af te leggen, na de goederen van [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] in ontvangst te hebben genomen. Het enkele feit dat de vrachtbrief niet werd in ontvangst genomen door GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, belet de toepassing van art. 34 en volgende C.M.R.-verdrag niet, wanneer uit de feitelijkheden blijkt dat de vervoerder die een deel van het internationaal vervoer heeft bewerkstelligd, toegetreden is tot het internationaal vervoercontract (Gent, 20.11.1975, EVR 1976, blz. 231; PONET F., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer C.M.R.", 2de herziene uitgave, blz. 569; Kh. Brussel, 06.04.1984, E.V.R. 1984 blz. 431; PONET F. EN WILLEMS E., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer - C.M.R"., "Overzicht van internationale rechtspraak 1991-1995", T.B.H. 1998, blz. 702, nr. 31 in fine). Overeenkomstig art. 36 C.M.R.-verdrag kan de vordering tot aansprakelijkheid voor beschadiging steeds gericht worden tegen de eerste vervoerder, in casu [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] (cfr. Kh. Brussel, 18.10.1982, T.B.H., 1983, 315). Niets staat er derhalve in de weg dat [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] hoofdelijk aangesproken worden tot vergoeding van de averij opgelopen tijdens het volledige transport. Overeenkomstig art. 17 C.M.R.-verdrag is de vervoerder aansprakelijk voor de beschadiging van de goederen, die ontstaat tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. Op de vervoerder rust een resultaatsverbintenis om de goederen conform af te 1everen (PONET F. EN WILLEMS E.., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer - C.M.R"., "Overzicht van internationale rechtspraak 1991-1995", T.B.H. 1998, blz. 704, nr. 48 in fine). [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] ontkennen niet dat zij principieel aansprakelijk zijn voor de schade aan de door LVD COMPANY NV op transport gezette machine, nu de goederen door haar ondervervoerder zonder voorbehoud in ontvangst werden genomen, terwijl de bestemmeling bij de levering voorbehoud maakte voor beschadigingen. Het weze benadrukt dat de verantwoordelijkheid van [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] zich ten opzichte van de afzender uitstrekte tot en met de eindbestemming van het vervoer. In dit verband verwijst [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV], ondervervoerder, dan ook ten onrechte naar de C.M.R.-vrachtbrief, die volgens haar, halverwege het traject, te Travemunde, zonder enig voorbehoud werd afgetekend door wie de machine aldaar in ontvangst nam. Daaruit blijkt in elk geval dat de bestemmeling te Smalandsstenar die vrachtbrief aldaar niet heeft afgetekend, laat staan dat dit gebeurde zonder voorbehoud. Elke partij inzake gaat er overigens mee akkoord dat de bestemmeling te Smalandsstenar op de consignment note die de vracht tot op de plaats van de bestemmeling verder vergezelde wel degelijk het nodige voorbehoud formuleerde en dat de machine bij haar aankomst beschadigd was. 1.3.3. Hij verklaarde op volgende relevante overwegingen het beroep van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK op de ontheffingsgrond weerhouden in artikel 17, 4-b van het CMR-verdrag ongegrond: ¿[T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] wijzen er vervolgens op dat de vervoerder in casu over een bijzondere ontheffingsgrond beschikt. Overeenkomstig art. 17, 4, b C.M.R.-verdrag is de vervoerder, met inachtneming van art. 18, tweede tot vijfde lid C.M.R.-verdrag, ontheven van zijn aansprakelijkheid, wanneer de beschadiging een gevolg is van de bijzondere gevaren, eigen aan één of meer van de volgende omstandigheden:
  1. a)...
  2. b)ontbreken of gebrekkigheid van de verpakking bij de goederen, die door hun aard aan kwaliteitsverlies of beschadiging zijn blootgesteld, wanneer zij niet of slecht verpakt zijn. Het is daarbij voldoende dat er aangetoond wordt dat de schade het gevolg heeft kunnen zijn van het ontbreken van de verpakking (art. 18, 2 C.M.R.-verdrag). [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] betogen daaromtrent verder dat de machine door [LVD COMPANY NV] onbeschermd en onverpakt ter vervoer werd aangeboden, dat [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] daaraan verhielp door zijn eigen dekzeil aan te brengen en dat de schade niet ontstond zolang [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] het dekzeil op de machine liet tot Travemunde, maar wel tijdens het traject Travemunde tot Smalandsstenar bij transport van de machine zonder de verdere bescherming door middel van een dekzeil. Wat volgens [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] tot het besluit leidt dat de schade is ontstaan door het ontbreken van een dekzeil, gebrekkige verpakking, wat tot ontheffing van aansprakelijkheid van de vervoerder moet leiden. Een machine van 16 ton als exceptioneel vervoer over de weg getransporteerd, wordt doorgaans niet verpakt (PONET F EN WILLEMS E" "De overeenkomst van internationaal wegvervoer - CMR: "Overzicht van internationale rechtspraak 1991-1995", TBH 1998, blz 708 nr 64). (¿) De deskundige weerhoudt (¿) als oorzaak van de schade het ontbreken van het dekzeil op de machine waarmee het transport oorspronkelijk werd aangevat voor het vervoer van Travemunde tot Smalandsstenar. In dergelijk geval doet de vervoerder ten onrechte beroep op de ontheffingsgrond van art 17, 4 b CMR-verdrag nu aangetoond wordt dat niet het ontbreken van de verpakking maar het weghalen van een initieel dekzeil de oorzaak van de schade is (PONET F., ¿De overeenkomst van internationaal wegvervoer CMR:, 2de herziene uitgave blz 355¿. En zelfs indien nog aangenomen zou worden dat het dekzeil zelf als verpakking moet worden beschouwd zoals [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] voorhouden, dan blijkt dat: - het aanbrengen van een dekzeil over de machine een verbintenis inhield van de vervoerder zelf. GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH stelt in het eerste puntje "allerlei" van haar vervoeropdracht van 24012000 gericht aan [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV]: voldoende kettingen/spanbanden en dekzeilen mee voeren (¿). Dit houdt uiteraard in dat die dekzeilen (¿) door de vervoerder moeten gebruikt worden voor het doel waarvoor ze bestemd zijn: het afdekken van de te vervoeren machine. Deze verbintenis is uiteraard na te komen door [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] en GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, die zelf de instructies dienaangaande aan [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] oplegde; - geen voorbehoud werd gemaakt door de vervoerder bij de inontvangstneming van de machine nopens het ontbreken van verpakking en/of een dekzeil ter bescherming van de machine, waarin de afzender niet had voorzien; - de vervoerder daadwerkelijk zelf overging tot het afdekken van de machine met de dekzeilen die hij bij zich had. Derhalve kon de afzender er op betrouwen dat de beschermings-maatregelen aangebracht door de vervoerder bij de aanvang van het vervoer tot op de eindbestemming blijvend genomen zouden worden, zodat zij eigen beschermingsmaatregelen kon achterwege laten. Het beschamen van dat vertrouwen tijdens de uitvoering van het transport laat niet toe dat de vervoerder thans aanspraak zou kunnen maken op enige opheffing van zijn verantwoordelijkheid. De vervoerder die zich verbond zelf te zorgen voor afdekzeilen en deze effectief aanbracht, kan geen ontheffing van aansprakelijk-heid inroepen omdat de afzender geen dekzeilen had aangebracht. De vervoerder die tegen de instructies van de afzender in handelt, kan geen beroep doen op enige ontheffings-grond'. 1.3.4. Hij verklaarde op volgende relevante overwegingen de door LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten gevorderde schadevergoeding van 7.556,02 EUR (304.809 BEF) aan herstellingskosten, 5.980,53 EUR (241.254 BEF) aan bijkomende transportkosten, 3.285,56 EUR (132.539 BEF) aan bijkomende behandelingskosten en 710,88 EUR (28.677 BEF) aan expertisekosten (samen 17.532,99 EUR), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet van 5%, gegrond: ¿[T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] betwistten bij monde van hun raadsman ter zitting niet langer, dat zij uitgenodigd werden tot het bijwonen van de expertise-verrichtingen, zodat deze als hen tegenwerpelijk moeten weerhouden worden. Waar [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] voorhoudt dat de rapporten van de deskundigen haar niet tegenstelbaar zijn, wijst de rechtbank er op dat de schadevaststelling niet noodzakelijk tegensprekelijk dient te geschieden en dat eenzijdige expertises in aanmerking kunnen genomen worden wanneer zij op betrouwbare beoordelingselementen berusten (PONET F., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer C.M.R.", 2de herziene uitgave, blz. 210, nr. 329). Wanneer de door de eenzijdig aangestelde expert weerhouden criteria tot vaststelling van de schadevergoeding redelijk zijn, is zulk eenzijdig verslag een tegenstelbaar en bewijskrachtig document tot vaststelling van de schadevergoeding (Kh. Antwerpen, 01.04.1980, Eur. Vervoerr. 1980, 461). De rechtbank neemt aan dat de voorgelegde expertiseverslagen aan voormeld criterium beantwoorden, zodat het cijfermateriaal van de deskundige D. VAN DER AVOIRT nopens de herstelkost van de machine, groot euro 7.556,02 (304.809 BEF), aanvaardbaar overkomt. Dat bedrag wordt door [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten] verhoogd met euro 5.980,53 (241.254 BEF) extra transportkosten, euro 3.285,56 (132.539 BEF) bijkomende kosten en euro 710,88 (28.677 BEF) expertisekosten, als kosten met betrekking tot het vervoer gemaakt. Facturen daaromtrent worden voorgelegd. Voor de extra transportkosten en de bijkomende kosten wijzen [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten] op het feit dat de beschadigde machine terug opgeladen werd in Zweden tot vervoer naar Gullegem, alwaar ze werd hersteld. Na herstelling te Gullegem werd ze naar Zweden teruggevoerd en aldaar opnieuw afgeladen. Die extra laadkosten, die extra transportkosten en de expertisekosten worden door de rechtbank als met het vervoer gemaakte kosten aanvaard (PONET F., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer C.M.R.", 2de herziene uitgave, blz. 283, 284 en 285, nrs. 415 en 417; PONET F. EN WILLEMS E., "De overeenkomst van internationaal wegvervoer - C.M.R.", "Overzicht van internationale rechtspraak 1991-1995", T.B.H. 1998, blz. 711, nr. 86). De expertisekosten werden nuttig besteed om de schade tegensprekelijk vast te stellen, met uitnodiging van [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK]. De terugvoer van de machine en derhalve het op- en het afladen was noodzakelijk voor het behoud van de machine en deze staan in direct verband met de uitvoering van het vervoercontract. De extra transportkosten beschouwen [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] als overdreven, in aanmerking nemend de kostprijs van het oorspronkelijke transport, namelijk 4.800 DM. Uit niets blijkt [evenwel] dat [LVD COMPANY NV] haar recht misbruikte om op kosten van [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] het transport heen en terug te organiseren. Kopie van de fax van [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] van 07.02.2000 wordt voorgelegd, waaruit blijkt dat deze aangezocht werd om dat transport uit te voeren, maar dat deze bedankte voor de opdracht. De extra transportkosten komen de rechtbank dan ook niet als overdreven over.' 1.3.5. Hij verklaarde op volgende relevante overwegingen de eis in vrijwaring, die T. T; en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV instelden, verjaard: ¿Bij besluiten neergelegd ter griffie op 22.04.2002, vorderden [T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK] bij tussenvordering de veroordeling van [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] tot hun vrijwaring voor elke veroordeling lastens hen uitgesproken op de hoofdeis van [LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten], zowel in hoofdsom, intresten als kosten. Terecht werpt [WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV] op dat de vordering in vrijwaring verjaard is. Art. 32, 1. A) C.M.R.-verdrag bepaalt dat de rechtsvorderingen waartoe een aan dit verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, verjaren door verloop van een jaar. Die verjaring neemt een aanvang, ingeval van beschadiging van de goederen vanaf de dag van de aflevering ervan. (¿) De beschadiging deed zich voor tussen 02.02.2000, datum van de inontvangstneming van de goederen, en 07.02.2000, datum van het bereiken van de bestemmeling. De verjaring van een jaar was aldus bereikt op 22.04.2002 (¿).' 2. Beoordeling: 2.1. Het hoger beroep van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK is ontvankelijk: - T.T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hebben WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV - als 4de geïntimeerde - bij hun hoger beroep betrokken, naast de goederenbelanghebbenden (LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten). - Hun beroepsakte is omstandig gemotiveerd
(1)wat hun aansprakelijkheid betreft, die de eerste rechter op grond van artikel 17 van het CMR-verdrag voor de schade aan de vervoerde machine weerhield en
(2)wat de begroting van de schade betreft. Hun beroepsakte beantwoordt dan ook aan de vereisten van artikel 1057, 7° van het gerechtelijk wetboek. - Wel weerhoudt hun beroepsakte geen grieven betreffende de verjaring van hun regresvordering tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, die de eerste rechter verjaard verklaarde bij toepassing van artikel 32,1 van het CMR-verdrag (een jaar na aflevering van de goederen). - T. T. EN T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK konden evenwel tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV - die partij is bij het hoger beroep - in besluiten nog terugkomen op de eis, die zij in ondergeschikte orde stelden voor het geval de rechter in beroep hun aansprakelijkheid toch zou weerhouden. Zo hebben zij in de besluiten die zij met WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV hebben gewisseld, de door de eerste rechter weerhouden verjaring van hun regresvordering aangevochten. - Daarenboven voert WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV in besluiten geen belangenschade aan als gevolg van een miskenning van artikel 1057, 7° van het gerechtelijk wetboek, die erin bestaat ¿dat de beroepsakte geen grieven aanvoert, die haar meteen aanbelangden'. - Het Hof stelt zelf ook geen belangenschade vast, als gevolg van deze nalatigheid. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV heeft zelf hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en binnen de termijnen die het Hof - op haar verzoekschrift van 29 december 2003 in haar zaak (2003-AR-0795) - heeft verleend om de zaak in staat te stellen om ze op 18 oktober 2004 te behandelen, kon ook het hoger beroep dat T. T.en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK instelde afgehandeld worden. 2.2. De eerste rechter weerhield op juiste gronden de ontvankelijkheid van de eis van LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten. - LVD COMPANY NV gelastte T. T. EN T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK met het vervoer van de machine, die zij aan WELAND AB verkocht. De wanprestatie van de vervoerder(
  1. s)voorkwam, dat LVD COMPANY NV haar leveringsverplichting als verkoper nakwam. Waar zij belang had bij de goede aflevering van de verkochte goederen, heeft zij het vereiste belang bij de vordering die strekt tot de vaststelling van de wanprestatie van de vervoerder(
  2. s)en de schadevergoeding. LVD COMPANY NV heeft daarenboven ook bij toepassing van artikel 12, 1 van het CMR-verdrag het vereiste belang. Als afzender had zij het recht om over de goederen te beschikken en de schade aan de goederen voorkwam, dat aan haar beschikkingsrecht een einde werd gesteld door de aanvaarding van de goederen door WELAND AB. - WELAND AB heeft eveneens het vereiste belang bij de vordering, die strekt tot de vaststelling van de schade aan de machine en de vaststelling wie voor de schadevergoeding moet instaan. Zij werd op de CMR-vrachtbrief als bestemmeling van de goederen vermeld en kon in beginsel bij toepassing van artikel 13, 1 van het CMR-verdrag tegenover de vervoerder het recht op aflevering van de goederen laten gelden. - De verzekeraars konden en kunnen tot schadeloosstelling gehouden zijn voor de schade die hun verzekerde leed als gevolg van de wanprestatie van de vervoerder. Zij hebben dus eveneens belang bij de vordering, die ertoe strekt tot de vaststelling van de wanprestatie van de vervoerder(
  3. s)en de schadevergoeding die de vervoerder(
  4. s)verschuldigd kunnen zijn. Uit de overgelegde stukken volgt daarenboven dat de verzekeraars hun verzekerde hebben vergoed en dus voor dit bedrag gesubrogeerd zijn in de rechten van hun verzekerde. - Niets belet LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten die belang hebben bij de vaststelling van de fout van de vervoerder(
  5. s)en de veroordeling tot de betaling van een schadevergoeding, hun belangen te bundelen en de eis in betaling te stellen. De onderlinge afrekening waartoe zij achteraf - na eventuele vaststelling van de fout en de veroordeling - zullen moeten overgaan overeenkomstig hun contractuele verhoudingen, maken hier het voorwerp niet uit van een betwisting. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. EN T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK zijn geen partij in de contractuele verhoudingen tussen LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten en hebben dan ook geen hoedanigheid, om een betwisting te voeren over punten waarover de rechtstreeks betrokken partijen zelf geen betwisting voeren en die zij in onderling overleg onder elkaar kunnen regelen. 2.3. De eerste rechter weerhield terecht bij toepassing van artikel 34 en volgende van het CMR-verdrag de aansprakelijkheid van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV tegenover de goederenbelanghebbenden; het Hof onderkent evenwel geen fout in hoofde van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV in de uitvoering van het vervoer van de machine vanuit Gullegem tot Smalandsstenar: - De verhouding tussen partijen betreffende de vervoerovereenkomst van ¿Gullegem naar Smalandsstenar' wordt bij toepassing van artikel 1 en 2, 1 van het CMR-verdrag beheerst door de bepalingen van dit verdrag. - De CMR-vrachtbrief NL017221 levert - bij toepassing van artikel 9, 1 van het CMR-verdrag - het volledig bewijs van het gegeven ¿dat het betwiste vervoer aan één enkele overeenkomst onderworpen was'. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV bewijst het tegendeel niet; integendeel de CMR-vrachtbrief die zij zelf opmaakte herneemt alleen maar de vervoeropdracht die LVD COMPANY NV aan T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK gaf voor één en hetzelfde vervoer van ¿Gullegem naar Smalandsstenar'. - Bij toepassing van artikel 34 van het CMR-verdrag zijn de vervoerders die aan de uitvoering van één enkele overeenkomst deelnamen, aansprakelijk voor het bewerkstellingen van het gehele vervoer. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV nam de goederen in ontvangst en schreef zelf de CMR-vrachtbrief uit. Het gegeven, dat zij de CMR-vrachtbrief achterhield en niet doorgaf aan de opvolgend bestuurder GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH, doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 34 van het CMR-verdrag. De wet naar de letter interpreteren en de vereiste stellen, dat de CMR-vrachtbrief wordt doorgegeven en afgetekend, staat dermate haaks op het dagdagelijkse handelsgebeuren, dat er nagenoeg nooit van opvolgend vervoer sprake zou zijn. Dit formalisme gaat voorbij aan de vereisten van een vlot handelsverkeer, waarbij het de handelaar-medecontractant toegelaten is om het bewijs met alle middelen als naar recht te leveren. Het staat ook haaks op artikel 4 van het CMR-verdrag, dat bepaalt dat de vervoerovereenkomst wordt vastgelegd in een vrachtbrief, waarna de artikelen 5 en 6 nader ingaan op de vormelijke verplichtingen. Artikel 4 bepaalt aansluitend op de gestelde formele vereiste van een vrachtbrief: ¿dat de afwezigheid, de onregelmatigheid of het verlies van de vrachtbrief noch het bestaan noch de geldigheid van de vervoerovereenkomst, die onderworpen blijft aan de bepalingen van dit Verdrag, aantast'. Uit deze bepaling volgt dat de niet naleving van formele vereisten wel bewijsmoeilijkheden kan oproepen, maar dat formele tekortkomingen voor het overige de toepassing van de bepalingen van het verdrag - waaronder artikel 34 - niet opzij zetten. Voor de toepassing van artikel 34 van het CMR-verdrag volstaat dan ook het bewijs, ¿dat de vervoerder wist dat hij deelnam aan éénzelfde internationaal vervoer over de weg, dat zou beheerst worden door het CMR-verdrag' en toetrad tot deze overeenkomst. De goederenbelanghebbenden leveren hier dit bewijs. - Artikel 36 van het CMR-verdrag houdt wel een beperking in: de vorderingsgerechtigde kan zijn vordering alleen instellen tegen de eerste vervoerder, de laatste vervoerder of de vervoerder, die het deel van het vervoer bewerkstelligde gedurende hetwelk de schade zich heeft voorgedaan. WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV heeft hier als eerste de goederen in ontvangstgenomen genomen bij LVD COMPANY NV. - Wel onderkent het Hof geen fout van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV in de uitvoering van het vervoer. GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH heeft de haar, door T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK toevertrouwde vervoeropdracht van Gullegem naar Smalandsstenar opgesplitst: WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV moest alleen instaan voor het vervoer van Gullegem naar D-Travemünde en over het haar toevertrouwde traject voor dekzeilen zorgen; in D-Travemünde nam zij het vervoer over en droeg zij de verantwoordelijkheid voor de goede uitvoering van het verder vervoer en moest zij voor de vereiste dekzeilen zorgen. Geen enkel gegeven laat toe te stellen dat WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV de verplichting opnam, om dekzeilen ter beschikking te stellen voor het vervoer van de machine vanuit Gullegem tot Smalandsstenar. 2.4. De eerste rechter heeft op juiste gronden het beroep van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK op artikel 17, 4-C van het CMR-verdrag ongegrond verklaard. Zijn overwegingen over de ingeroepen ontheffing van aansprakelijkheid vragen geen verdere aanvulling (zie punt 1.3.3 hierboven). De overgelegde stukken bewijzen,
(1)dat de vervoerder de opdracht meekreeg om de machine af te dekken en
(2)dat de nalatigheid van de vervoerder in de uitvoering van deze opdracht de schade veroorzaakte. 2.
  1. De eerste rechter weerhield terecht, dat de schade - waarvoor T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK als contractuele vervoerder en WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV als eerste effectieve vervoerder hoofdelijk moeten instaan - bewezen is voor de herstellingskosten waarvan de expertisekosten mee deel uitmaken, en voor de bijkomende transportkosten; de aanspraak op bijkomende behandelingskosten eigen aan het vervoer zijn alleen voor de som van 3.086 EUR bewezen: - De CMR-vrachtbrief NL017221 werd WELAND AB bij afgifte van de goederen niet voorgelegd; de chauffeur van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV tekende zowel als vervoerder en als bestemmeling de vrachtbrief voor ontvangst van de goederen af. Het bewijs van de schade volgt uit vaststellingen tussen GRÖNING SCHWERGUTSPEDITION GMBH als vervoerder en WELAND AB als bestemmeling bij aanlevering van de goederen: de machine werd onbedekt afgeleverd en was door roest en vuil aangetast. - De toestand waarin de machine werd aangeleverd, bood geen waarborgen meer voor haar goede werking, zodat LVD COMPANY NV zich als verkoper verplicht zag de machine terug te nemen en de reviseren. - Het onderscheiden belang tussen LVD COMPANY NV en WELAND AB en de verzekeraars biedt de rechter ook voldoende waarborgen wat de begroting van de schade door de aangezochte deskundigen betreft. - Bij toepassing van artikel 25, 1 en 23, 1 - 2 en 4 zijn de goederenbelanghebbenden gerechtigd op een schadevergoeding berekend naar de waarde van de machine bij aflevering¬ en op de betaling van de vrachtprijs en de overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten. Deze vergoeding omvat de herstelkosten die de machine hebben hersteld in de waarde die zij bij aflevering had, de expertisekosten, de bijkomende vervoerkosten van Zweden naar Gullegem (2.709,13 EUR of 109.286 BEF) en van Gullegem terug naar Zweden (3.271,40 EUR of 131.968 BEF) en de met betrekking tot het vervoer gemaa kte kosten van 3.086 EUR voor het opnieuw opladen en afladen van de machine in Smalandsstenar (21.429 NOK en 4.000 NOK: zie de stukken 39 tot 42 in de bundel van NAVIGA NV en consoorten). - WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV als effectieve vervoerder en T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK als commissionair-vervoerder gingen tegenover de goederenbelang-hebbenden eenzelfde resultaatsverbintenis aan betreffende hetzelfde vervoer. Als samen optredende handelaren zijn zij hier ook hoofdelijk tegenover de goederenbelanghebbenden tot de betaling van de schade gehouden. 2.
  2. Het Hof beveelt, wat de regresvordering betreft, ambtshalve de heropening van de debatten: 2.6.
  3. Het Hof van Cassatie staat voor dat de regresvordering van de contractuele vervoerder, die tegenover de goederenbelang-hebbenden het volledig vervoer op zich nam, maar de uitvoering meteen doorschoof naar effectieve vervoerders die elk een gedeelte van het vervoer op zich namen, niet beheerst wordt door artikel 39, 4 van het CMR-verdrag, dat de verjaring van de vorderingen die vervoerders onderling kunnen stellen opschort tot de dag van de rechterlijke einduitspraak tot vaststelling van de ingevolge de bepalingen van het verdrag te betalen schade-vergoeding (zie Cass. 30 juni 1995, zaak C930207N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950630.1). Artikel 39, 4 van het CMR-verdrag wordt aldus gereserveerd voor het verhaal van de elkaar effectief opvolgende vervoerders, maar beheerst het verhaal niet van de contractueel elkaar opvolgende vervoerders die geen deel namen aan het effectieve vervoer. Overeenkomstig deze rechtspraak wordt de rechtsbescherming van de contractuele vervoerder, op wie de bepalingen van het CMR-verdrag voor het overige wel van toepassing zijn en die over de mogelijkheid moet beschikken om een eis in vrijwaring te stellen tegenover de feitelijke vervoerders zo hij door de goederenbelanghebbende of opdrachtgever (mee)verantwoorde-lijk wordt gehouden voor de schade, verzekerd door artikel 32, 1 en 32, 3 van het CMR-verdrag. 2.6.
  4. Bij toepassing van artikel 32, 3 van het CMR-verdrag wordt de schorsing van de verjaring beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. De Belgische rechter zal dan ook de artikelen 2251 en volgende van het burgerlijk wetboek op de verjaring toepassen en eventueel - zo vervaltermijnen met verjaringstermijnen kunnen gelijkgesteld worden - artikel 9 van Boek I - Titel VIIbis van het wetboek van koophandel: - Het Belgisch nationaal vervoerrecht (Boek I - Titel VIIbis van het wetboek van koophandel) voorziet niet in een regeling van de schorsing of stuiting van de verjaring; wel de artikelen 2251 en volgende van het burgerlijk wetboek. Artikel 2257, lid 3 schorst de verjaring ten aanzien van een vordering tot vrijwaring zolang de uitwinning niet heeft plaats gevonden. - Artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht voorziet in een vervaltermijn voor de regresvordering. De regresvordering vervalt wanneer de vordering niet gesteld wordt binnen de termijn van een maand vanaf de dagvaarding, die tot recht van regres aanleiding geeft. 2.6.
  5. Bij toepassing van artikel 9 van Boek I - Titel VIIbis van het wetboek van koophandel zou de regresvordering van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK vervallen zijn; bij toepassing van de schorsing van de verjaring waarin artikel 2257, lid 3 van het burgerlijk wetboek voorziet, kan het Hof niet uitmaken of de verjaring al verworven was op datum, dat T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hun eis in vrijwaring hebben gesteld: - Wanneer in burgerlijke of handelszaken zaken de rechtsingang bij dagvaarding gebeurt, maakt de betekening van de dagvaarding de zaak voor de rechter aanhangig. - De dagvaarding bestemd voor personen die in Duitsland verblijven worden door de procureurs-generaal of de procureurs des Konings rechtstreeks gezonden aan de voorzitter van het Landgericht of Ambtsgericht van het rechtsgebied waar de persoon zich bevindt, voor wie de dagvaarding bestemd is. De betekening gebeurt eerst op het ogenblik dat de voorzitter de aan de geadresseerde dagvaarding ontvangt (zie o.a. Cass. 2 mei 2002, in de zaak C990518N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.5). - De overgelegde stukken laten het Hof niet toe uit te maken wanneer de voorzitter van het Landgericht of Ambtsgericht van de woonplaats van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK de dagvaarding ontving, die hem door de procureur des Konings (sprekende met zijn substituut mevrouw Karin Dale) werd verstuurd. In het rechtsplegingdossier bevindt zich alleen de originele dagvaarding, die de ontvangst bevestigt van twee afschriften door de procureur des Konings met het verzoek deze stukken te zenden aan de bevoegde Duitse autoriteit, om er de betekening te verrichten van één exemplaar aan de geadresseerde overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, lid 2 van het Internationaal Verdrag van 's Gravenhage van 1 maart
  6. - Wel deelde de raadsman van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK bij brief van 29 oktober 2001 - die op 31 oktober 2001 aan het rechtsplegingdossier werd toegevoegd - zijn tussenkomst mee. Hieruit leidt het Hof af, dat de dagvaarding hen toen al betekend was, zodat de vervaltermijn waarin het Belgisch nationaal vervoerrecht voorziet al vervallen was op 22 april 2002, toen T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hun conclusie ter griffie hebben neergelegd, die de tusseneis in hun vrijwaring door WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV inhield. - Rest alleen de vraag of hier toepassing moet gemaakt worden van de vervaltermijn voorzien in artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht, (dat de internationale vervoerder slechts een zeer korte periode zou gunnen om zijn rechten te vrijwaren), ofwel van artikel 2257, lid 3 van het burgerlijk wetboek dat de verjaring van 1 jaar waarin het CMR-verdrag voorziet opschorst zolang de uitwinning niet heeft plaats gevonden. - Zo aangenomen wordt dat de uitwinning met de dagvaarding werd aangevat, dan kan het Hof niet uitmaken of T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK hun tegeneis laattijdig hebben ingeleid op 22 april 2002, waar het bewijs van de ontvangst van de dagvaarding door de voorzitter van het Landgericht of Ambtsgericht van de woonplaats van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK ontbreekt. 2.6.
  7. Het Hof draagt partijen dan ook op
(1)nader te besluiten over punt 2.6.3 en
(2)de ontvangst van de dagvaarding door de voorzitter van het Landgericht of Ambtsgericht van de woonplaats van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK nader te bewijzen of minstens te verduidelijken op welk ogenblik de dagvaarding aan T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK werd overhandigd. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Voegt de zaken gekend onder de nrs.2003/AR/692 en 2003/AR/795 samen. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk. Verklaart de oorspronkelijke vordering van LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten ontvankelijk en tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV, T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK gegrond voor 17.333,43 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet van 5%; Beveelt wat de regresvordering van T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK tegenover WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV betreft, de heropening van de debatten op de terechtzitting van 25.04.2005 om 09.30 uur, om partijen toe te laten gevolg te geven aan punt 2.6 hierboven. Bevestigt de door de eerste rechter uitgesproken hoofdelijke veroordelingen van WESTDIJK EXCEPTIONEEL TRANSPORT BV en T. T. en T. JUHL SPEDITION UND LOGISTIK tot betaling aan LVD COMPANY NV, WELAND AB en NAVIGA NV en consoorten op de ene wijziging ¿na dat de hoofdsom van 17.532,99 EUR herleid wordt tot 17.333,43 EUR'. Houdt de verdere beslissingen aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zes december tweeduizend en vier. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, J. Vermeir, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950630.1 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.