← België

ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041206.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041206.7 Rolnummer: 2003/AR/2031 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-03 23:48 Fiche Vennootschappen--aandelenverkoop--verrekening van de prijs van de aandelen op basis van de jaarrekeningen waarvan de verkoper de 'getrouwe weergave' attesteerde. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. ETN. LAMBERT IN VEREFFENING, vertegenwoordigd door haar vereffenaar de BVBA Van Wemmel - Van Kaekebeke, Bedrijfsrevisoren, vertegenwoordigd door haar zaakvoerder/vennoot J.V.W., met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Apostelhuizen 26 VWK, met ondernemingsnummer 0 418 729 204, appellante, hebbende als raadsman mr. Jos Mertens, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Bagattenstraat 124, tegen A.D.S., ¿, wonende te ¿ geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Roland De Meyer, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Zuidstationstraat 21 , velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 11 oktober 2004 en de stukken werden ingezien. 1 Procedure: 1.1 De zaak werd ingeleid bij dagvaarding van 6 april 1999 strekkende tot de veroordeling van verweerster (nu geïntimeerde) tot betaling van een bedrag van 1.364.814 BEF, vermeerderd met de intresten en gerechtskosten uit hoofde van terugbetaling, na opstelling van een eindverrekening, van een gedeelte van de al vooraf betaalde koopsom voor alle aandelen van de BVBA WASTO. 1.2 Bij conclusies neergelegd ter griffie op 5 mei 2000 betwistte oorspronkelijke verweerster niet alleen de gegrondheid van de hoofdvordering, maar formuleerde zij tevens een tegeneis; zij meende meer bepaald nog recht te hebben op een bedrag van 250.000 BEF als saldo van de initieel bepaalde koopsom. 1.3 Bij vonnis van de eerste burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 4 juni 2003 werd de hoofdvordering gegrond verklaard voor 3.651,29 EUR en werd de tegenvordering gegrond verklaard voor 6.197,34 EUR, zodat na schuldver-gelijking, eiseres (verweerster op tegeneis) veroordeeld werd tot betaling aan verweerster (eiseres op tegeneis) van een bedrag van 2.546,05 EUR, meer intresten en kosten. 1.4 Op 4 september 2003 legde appellante een verzoekschrift in hoger beroep neer ter griffie strekkende tot de vernietiging van het vonnis en in hoofdorde, (o.m.) tot veroordeling van geïntimeerde tot de betaling van een (herleid) bedrag van 28.830,76 EUR, in ondergeschikte orde, (o.m.) tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 4.013,97 EUR, telkens te verhogen met de intresten en kosten. 1.5 Bij conclusie en syntheseconclusie, respectievelijk neergelegd ter griffie op 5.4.2004 en 4.6.2004 vraagt geïntimeerde om het vonnis te bevestigen 2 Standpunt van partijen: 2.1 Het geschil tussen partijen betreft hoofdzakelijk nog de ver-rekening van de milieuheffingen, die de Vlaamse Milieumaat-schappij op het waterverbruik van de BVBA WASTO vorderde, op de overeengekomen verkoopsom; meer bepaald gaat het om heffingen na de verkoop van de aandelen, maar op basis van het waterverbruik voor deze verkoop. 2.2 Het standpunt van appellante kan samengevat worden als volgt : Op 23 januari 1997 kocht zij van geïntimeerde alle aandelen die deze laatste bezat in de BVBA WASTO, een vennootschap met als activiteit de uitbating van diverse automatische wassalons. De prijs werd voorlopig geraamd op 25.000.000 BEF op basis van de toen laatst voorhanden zijnde jaarrekening, nl. deze afgesloten op 31.12.

  1. De definitieve prijsbepaling zou gebeuren door vergelijking (via verrekeningen in min en meer) met de jaarrekening die zou afgesloten worden op 31.12.1996 en een tussentijdse staat van activa en passiva op 31.3.
  2. In vermelde overeenkomst werden een aantal uitdrukkelijke waarborgen gegeven aan de koper, o.m. dat : - de jaarrekeningen van de BVBA op 31.12.94 en 31.12.95 werden opgesteld overeenkomstig de wettelijke vereisten en algemeen aanvaarde boekhoudregels. - in de jaarrekening 1995 voldoende provisies en reserves werden voorzien voor de bestaande risico's volgens normale boek-houdregels. - alle belastingen die verschuldigd mochten zijn of opvorderbaar zouden zijn op grond van de inkomsten van 1995/1996 voor welke periode ook voorafgaand aan 31.12.96 en voor dewelke geen provisie werd aangelegd, door de verkoper zullen betaald worden. De betalingsmodaliteiten werden overeengekomen mede in functie van de te verrichten verrekeningen. Appellante stelt dat zij - na gedeeltelijk te berusten in het vonnis - nog recht heeft op de terugbetaling van een bedrag, dat zij herleidt tot 28.830,76 EUR, wat voornamelijk volgt uit de verrekening van de milieuheffingen van de Vlaamse Milieumaatschappij. Ten slotte meent zij dat het bedrag van (250.000 BEF =) 6.197,34 EUR, dat zij - zoals overeengekomen en in afwachting van de verrekeningen op een kwaliteitsrekening plaatste - integraal aan haar moet worden teruggestort. 2.3 Het standpunt van geïntimeerde kan samengevat worden als volgt : - de milieuheffingen zijn geen belastingen maar retributies. - mochten zij toch belastingen zijn, dan nog zijn zij in geen geval ¿belastingen ¿ op grond van de inkomsten van 1995 - 1996 ¿¿, geviseerd in de overeenkomst. De milieuheffing is gelinkt aan het verbruik van water en niet aan inkomsten; het zijn zeker geen belastingen op inkomsten/winsten. - de refertebalans en evenmin de overnamebalans en de tussentijdse staat op 31.3.97 kunnen als fiscale documenten worden beschouwd; het betreffen alleen documenten ter bepaling van de overnameprijs. - uit de audit van de boekhouding kon/moest bedrijfsrevisor V.W. - gemandateerd door appellante - opgemaakt hebben, dat de BVBA WASTO in de jaren 1994 en 1995 milieuheffingen betaalde op het waterverbruik voor de vorige jaren en dat geen provisies werden aangelegd voor het waterverbruik voor 1996; waar hij geen voorbehoud voor het waterverbruik maakte, zou hieruit volgen dat deze belangrijke uitbatingspost buiten de prijszetting en eindafrekening werd gehouden. Tenslotte stelt geïntimeerde wat de kwaliteitsrekening (rubriekrekening) betreft, dat zij niemand heeft aangesteld als mandaat en medehouder van de op de rubriekrekening geplaatste gelden. Appellante zou de rekening alleen en op eigen initiatief hebben geopend. 3 De relevante overwegingen van het vonnis: - de heffingen op de waterverontreiniging worden gevestigd op grond van waterverbruik en kunnen bijgevolg niet gelinkt worden aan de inkomsten geviseerd in artikel 5 § 24 van de overeenkomst tot overdracht van aandelen. - eiseres moest op de hoogte zijn van de heffingen op waterverontreiniging en het ontbreken van provisies voor deze heffingen, gezien zij de heer V.W. mandateerde om voorafgaandelijk aan het sluiten van de overeenkomst een audit uit te voeren over de jaarrekeningen 1994 en 1995; bij gebreke aan een andersluidende bepaling in de overeenkomst moeten deze heffingen ten laste blijven van de koper. Over de kwaliteitsrekening die door de Heer V.W. en/of de Heer D.L. zouden zijn geopend (rubriek ¿Wasto¿), werd door de eerste rechter niet gestatueerd. 4 Beoordeling door het Hof : 4.1 Ontvankelijkheid : Het vonnis werd betekend op 5.8.2003 (stuk 7 dossier geïntimeerde), zodat het hoger beroep, ingeleid bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4.9.2003 tijdig en ook regelmatig naar vorm ontvankelijk is. De ontvankelijkheid wordt overigens niet betwist. 4.2 Ten gronde : 4.2.1 Met betrekking tot de ¿waarborgen¿ in de litigieuze overeenkomst van aandelenverkoop van 23.1.1997: 4.2.1.1 Een verkoop van aandelen van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid wordt aanzien als een overdracht van lidmaatschaps- en vermogensrechten en niet als een overdracht van het vermogen van de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen (GEENS - DENEF - HELLEMANS - TAS -& VANANROYE, Overzicht rechtspraak Vennootschappen 1992-1998, TPR 2000, 99; RONSE - NELISSEN GRADE - VAN HULLE - LIEVENS & LAGA, Overzicht rechtspraak Vennootschappen 1978-1985, TPR 1986, 1231, nr 446; S. VAN CROMBRUGGE, De rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper van een controleparticipatie, TBH 1983, 188, nr 1; Luik, 1.4.92, R.P.S. 1993, 97 + noot; vgl. Cass.fr. 5.10.84, Gaz.Pal. 1984, I, Pan., 91, noot J.D.). De rechtspersoonlijkheid verzet zich er in beginsel tegen om de aandeelhouders als eigenaars van het maatschappelijk vermogen te beschouwen, wat impliceert dat in geval van geschil over de waarde der aandelen ( - bvb. bij het inroepen van bedrog of benadeling -) eerst het bewijs moet worden geleverd, dat de samenstelling van het actief en het passief van het vermogen van de vennootschap een determinerende rol speelde bij de wilsovereenstemming van partijen (Luik, 1.4.92, al aangehaald) of dat de partijen via een overname van aandelen een bepaalde beschikkingsmacht of een vermogen wensen te verwerven met zekere eigenschappen inzake waarde en rendabiliteit ( P. AN HOOGHTEN, Dwaling en bedrog bij een overeenkomst tot verkoop van aandelen, noot onder Antw. 10.9.90, TRV 1992, 102; GEENS - DENEF e.a., o.c., 97, nr 374; GEENS & LAGA, Overzicht rechtspraak Vennootschappen, 1986-1991, TPR 1993, 933; Kh. Namen, 25.3.32, J.L. 1932, 182). Zo kan, naargelang van de omstandigheden, een al of niet grote waarde worden toegekend aan de goodwill (handelsbenaming, be-kendheid, cliënteel, ligging, eventuele alleenvertegenwoordiging ¿), die niet mathematisch kan teruggevonden worden in de boekhoudkundige stukken (G. GUILLEMIN, Overdracht van handelszaken, ondernemingen, aandelen, 29; Antw. 10.9.90, TRV 1992, 93) of kan de koper louter speculatief een waarde hechten aan bepaalde aandelen in functie van een door hem (uiteraard niet noodzakelijk juist) ingeschat winstpotentieel in een bepaalde sector ( = zuivere belegging). Terzake moet vastgesteld worden dat door het inlassen van diverse ¿waarborgbedingen¿ (waarvan sommigen mekaar minstens overlappen en/of waarvan sommige herhaald worden) partijen de strikte scheiding tussen de waarde van de aandelen en het vennootschapspatrimonium duidelijk hebben willen doorbreken. Dergelijke clausules zijn perfect geldig en komen ook veel voor bij overdracht van alle aandelen of van een meerderheids- of controleparticipatie. Als afwijkend van het gemeen recht zullen zij zonodig, dit wil zeggen enkel in het geval dat zij nadere interpretatie vragen, strikt moeten worden geïnterpreteerd. 4.2.1.2 Overzicht van de betwiste prijs- of waarderingsclausules in de overeenkomst (cursivering door het Hof): - punt 5 uit de preambule (pag. 2 bovenaan): ¿ ¿ De verkopers hebben tijdens de onderhandelingen met de kopers de prijszetting bepaald in onderling overleg en op basis van de jaarrekening, afgesloten per 31 december 1995, welke dient als refertebalans. Partijen komen echter overeen dat de jaarrekening, af te sluiten per 31 december 1996, zal dienen als overnamebalans, waarvan sprake hierna, ten einde de uiteindelijke prijs te bepalen en te verrekenen. De jaarrekening, af te sluiten per 31 december 1996, zal ondermeer bevatten : (volgt hieronder o.m. sub ¿passiva¿). - preambule over de passiva: ¿¿ De activabestanddelen die een saldo vertonen per 31 maart 1997 zullen de prijs vermeerderen. De passiva bestanddelen die een saldo vertonen per 31 maart 1997 zullen de prijs verminderen ¿¿. - de overeenkomst in artikel 2 over de prijs: ¿a. De verkopers en kopers verklaren uitdrukkelijk dat de verkoop tot stand komt op basis van een REFERTEBALANS van de vennootschap, welke in bijlage Ia wordt aangehecht en één geheel vormt met huidige overeenkomst en welke afsloot per 31 december
  3. Voormelde refertebalans zal dienen te worden vergeleken met de definitieve OVERNAMEBALANS per 31 december
  4. ¿b. Beide partijen zullen, ten laatste één maand na de eigenlijke eigendomsoverdracht van voormelde aandelen, eventuele afwijkingen op de actief- en passiefposten van de voormelde overnamebalans regelen zoals uiteengezet onder punt 5 van de voorafgaande uiteenzetting. Daartoe zullen partijen een tussentijdse toestand opstellen, afgesloten per 31 maart 1997, van de vennootschap. Deze staat van activa en passiva wordt opgesteld door de Accountants van de verkopers en de kopers, in gemeen overleg, en zal door deze laatsten worden geattesteerd op het getrouw beeld van deze staat ¿¿. 4.2.1.3 De verkopers verleenden verder een aantal ¿waarborgen aan de kopers¿ in artikel 5 van overeenkomst: ¿¿ de jaarrekeningen van de BVBA op 31 december 1994 en 1995 (bijlage 3) opgesteld werden overeenkomstig de wettelijke vereisten en algemeen aanvaarde boekhoudregels; dat zij op alle gebied, volgens de vereisten van redelijkheid en normale voorzichtigheid, juist en precies zijn en een juist en getrouw beeld van de activa en passiva en van de winsten en verliezen van de BVBA weergeven ¿¿. ¿¿ Dat de BVBA geen openstaande schulden heeft in verband met belastingen of sociale zekerheidsbijdragen die al dan niet eisbaar of betaalbaar zijn en welke niet volledig geboekt staan in de jaarrekeningen ¿¿. ¿ ¿ Alle belastingen die verschuldigd zijn of opvorderbaar zullen zijn op grond van de inkomsten 1995/1996 voor welke periode ook voorafgaand aan 31.12.1996 en voor dewelke geen provisie werd aangelegd, zullen door de verkopers betaald worden aan de kopers, ongeacht de grootte van het bedrag ¿¿. 4.2.1.4 PARENTHESIS: hoewel voormelde clausules verwijzen naar bijlagen (¿refertebalans¿, jaarrekening van de BVBA op 31 december 1994 en 1995) worden zij niet overgelegd door de partijen. Gezien de betwisting in hoger beroep alleen het principe van de al of niet verrekening van de milieuheffingen betreft en niet langer de cijfers, wordt de neerlegging van die bijlagen niet noodzakelijk geacht. Partijen leggen wel de in de overeenkomst aangekondigde tussentijdse toestand op 31.3.97 (zie 4.2.1.2, laatste alinea hierboven) neer. Deze werd op 10 april 1997 ondertekend door de accountants der partijen, met dien verstande dat de accountant van de koper, de Heer V.W., boven zijn handtekening preciseerde: ¿Voor akkoord onder voorbehoud van te ontvangen kosten en facturen over de periode tot 31.3.1997¿ (stuk 47 van het dossier van appellante). 4.2.1.5 Men kan moeilijk ernstig betwisten dat de litigieuze milieuheffingen geen retributies zijn maar belastingen, vermits ze niet de tegenprestatie zijn van een dienst aan de heffingsplichtige, laat staan een dienst vrijwillig aangevraagd door de heffingsplichtige (arresten nrs 64/95 en 87/95 van respectievelijk 13.9.95 en 21.12.95 van het Arbitragehof). Als tussen partijen in algemene bewoordingen overeengekomen wordt dat alle belastingen die verschuldigd of opvorderbaar zullen zijn op grond van de inkomsten van 1995/1996 voor de periode voorafgaand aan 31.12.96 en voor dewelke geen provisies werden aangelegd, is het duidelijk dat met ¿inkomsten¿ de belastbare inkomsten wordt bedoeld (vgl. de term ¿aanslagjaar (jaar x), inkomsten (jaar x - 1)¿), m.a.w. de inkomsten, verminderd met de kosten en uitgaven om de inkomsten te verwerven. Aldus worden ook duidelijk geviseerd: de belastingen die geheven worden op uitgavenposten die betrekking hebben op de inkomsten van 1995/
  5. Het gaat om te voorziene kosten of uitgaven waarvoor een provisie moet worden aangelegd (zie ook hieronder 4.2.1.7). 4.2.1.6 De bedoeling van partijen blijkt overigens nog duidelijker wanneer vermelde clausule i.v.m. de ¿belastingen op grond van de inkomsten van 1995/1996¿ wordt samen gelezen met

(1)de meer algemene bepaling, dat de ¿passivabestanddelen die een saldo vertonen per 31 maart 1997 zullen de prijs verminderen¿ en
(2)de bepaling (sub ¿prijs¿) dat de refertebalans van de vennootschap (d.w.z. deze afgesloten op 31.12.95) vergeleken moet worden met de definitieve overnamebalans op 31.12.96 en zelfs met een tussentijdse toestand op 31 maart 1997, waarbij afwijkingen op de actief- en passiefposten (waaronder duidelijk de litigieuze heffingen vallen; zie infra) zullen worden verrekend. 4.2.1.7 Verder moet vastgesteld worden dat de verkoper de verzekering gaf, dat de jaarrekeningen van de BVBA op 31.12.94 en 95 werden opgesteld overeenkomstig de wettelijke vereisten en algemeen aanvaarde boekhoudregels en dat zij een juist en getrouw beeld van de activa en passiva en van de winsten en verliezen van de BVBA weergeven. Aldus bevestigden zij uitdrukkelijk dat een conforme zaak zou worden geleverd (Brussel, 5.6.80, R.P.S. 1981, 208). Welnu, het wordt door geïntimeerde niet betwist dat voor de betwiste en toch wel zeer belangrijke milieuheffingen geen voorzieningen waren aangelegd. Nochtans moet de onderneming voorzieningen aanleggen voor kosten, waarvan ze op de balansdatum zeker weet dat ze zich in de toekomst zullen voordoen, zelfs al kan de juiste omvang van deze kosten meestal alleen bij benadering worden geraamd (zie artikel 15 en voornamelijk artikel 19 van het KB van 8 oktober 1976 op de boekhouding van de onderneming, als gewijzigd door artikel 14 van het KB van 12 september 1983). In casu kon geïntimeerde een vrij precies idee hebben van de milieuheffingen, vermits deze worden berekend op het gekende, minstens gemakkelijk controleerbare waterverbruik. Voorzieningen zijn passiva die reeds aangewend zijn in de financiering van de ondernemingsactiva; zij wegen aldus op het ondernemingsresultaat van het jaar waarin zij worden aangelegd. Door geen voorzieningen aan te leggen, gaven de jaarrekeningen geen getrouw beeld van het vermogen van de vennootschap en druisten zij in tegen de wettelijke bepalingen. Alleen al op grond van de waarborg de jaarrekeningen te hebben opgesteld overeenkomstig de nauwkeurige voorschriften die bij wet of krachtens de wet zijn bepaald (en aldus een getrouw en oprecht beeld zouden moeten geven van het vermogen, de financiële toestand en het resultaat van de vennootschap) wordt aan geïntimeerde een resultaatsverbintenis opgelegd, zodat appellante, zelfs zonder beroep te doen op andere meer specifieke bedingen, een prijsherziening kon aanvragen (RONSE - NELISSEN GRADE e.a., o.c., 1231). 4.2.1.8 Deze redenering van geïntimeerde kan niet worden gevolgd, waarin hij in zijn voordeel inroept dat partijen - met volle kennis van zaken en volledig volgens afspraak - in de overeenkomst geen expliciete melding hebben gemaakt van de heffingen op waterverontreiniging, vermits appellante vooraf een audit heeft laten uitvoeren door haar ¿bedrijfsrevisor¿ (in werkelijkheid accountant) de heer V.W. die ook zou meegewerkt hebben aan het opstellen van de referte- en overnamebalans. Hieruit leidt geïntimeerde ten onrechte af, dat zowel appellante als de heer V.W. de heffingen op waterverontreiniging buiten de prijsbepaling hielden. In diverse waarborgclausule garandeerde de verkoper de betaling van schulden die nog onbekend waren op het ogenblik van de overeenkomst (hoewel ze voornamelijk voor de verkoper toch al voorzienbaar waren), maar die later zouden kunnen verschijnen. Het kwam dan ook de verkoper toe, om eventueel andersluidende beding te laten opnemen in de overeenkomst. Accountant V.W. kan niets worden verweten, vermits hij rustig kon afwachten, naar gelang de hypotheses die zich konden voordoen (aanleg van provisies of niet bijvoorbeeld) of nog moest en kon verrekend worden of niet. Met betrekking tot de vergoeding voor inbreuken op de ¿waarborgen¿ kunnen immers twee soorten clausules worden voorzien: men kan voorzien dat de verkoper zelf de schulden van de vennootschap, die een inbreuk maken op de waarborg, moet betalen aan de derden-schuldeisers, of de hypothese verkiezen en ook weerhouden dat de verkoper een schadevergoeding moet betalen aan de koper (Paul VAN HOOGHTEN, Acquisitieovereenkomsten, DAOR 1990, nr 16, 74). Daarenboven blijkt nergens uit aan welk soort onderzoek accountant V.W. de boekhouding van de BVBA voor het afsluiten van de overeenkomst van 23.1.1997 heeft onderworpen. De overeenkomst van 23.1.1997 voorziet zelfs de hypothese, dat de onderneming na uit te voeren audit uiterlijk 30.4.97 niet meer in ¿going concern¿ zou verkeren. Door het inbouwen van voldoende waarborgen kon accountant V.W. zich beperken tot een prima facie onderzoek (soms flash-audit genoemd), eerder dan over te gaan tot een grondig boekenonderzoek (Due Diligence; zie hieromtrent : N. VAN CROMBRUGGE, Rechten en plichten van bestuurders bij onderhandelingen over de overname van hun vennootschap, DAOR 2004, 29; P. VAN HOOGHTEN, o.c., 66; PAILLUSEAU - CAUSSIN - LAZARSKI & PEYRAMAURE, Cession d'entreprise, Dalloz 1999, 26 e.v.). Geïntimeerde is hoe dan ook slecht geplaatst om enige verantwoordelijkheid door te schuiven naar accountant V.W. of haar verbintenissen te minimaliseren door te verwijzen naar een zogenaamde (maar niet bewezen) kennis van zaken in hoofde van de koper. Terecht wijst appellante op de kwade trouw van geïntimeerde. Zijn verkeerde voorstelling van zaken creëerde een valse schijn. Hij gedroeg zich in de precontractuele fase onzorgvuldig door verkeerde informatie te verstrekken (= culpa in contrahendo), wat zelfs zijn buitencontractuele aansprakelijkheid in het gedrang bracht (W. DE BONDT, Bewuste verzwijging, onbewust stilzwijgen en bedrieglijk opzet, noot onder Cass. 16.9.99, A.J.T. 2000-2001, 791, nr 11). Een eventuele onverschoonbare dwaling van appellante, al ware ze bewezen, kan zelfs niet in aanmerking genomen worden (Cass. 23.9.77, Arr. Cass. 1978, 117 met conclusies adv.-gen. E. KRINGS, zaak die ook betrekking had op de verkoop van aandelen). 4.2.1.9 Geheel ten overvloede kan nog verwezen worden naar het beding onder artikel 5, derde laatste alinea: ¿¿ Wanneer enige van de verklaringen en waarborgen die in dit artikel opgenomen zijn, vals of onjuist zijn en de verkopers (belangrijke opmerking : er is hier geen sprake van de koper) of één van hen (
  1. op)dit op heden wist(
  2. en)of redelijkerwijs moet(
  3. en)weten, zullen de kopers recht hebben op vergoeding door de verkopers van alle welkdanige schade ¿¿. Geïntimeerden moesten weten dat de waarborg met betrekking tot het passief (milieuheffingen en/of de er op betrekking hebbende voorzieningen) niet werd nagekomen. Appellente heeft dienaangaande recht op schadevergoeding, gelijk aan die milieuheffingen. Op grond van de verrekeningen heeft appellante bijgevolg nog recht op terugbetaling van het niet-betwiste bedrag van 28.830,76 EUR. 4.2.2 In afwachting van de definitieve verrekeningen werd door appellante, blijkbaar op voorstel van zijn accountant V.W. en van boekhouder D.L. een saldobedrag van 250.000 BEF (of 6.197,34 EUR) gestort op de kwaliteitsrekening BBL nr 390-0583129-20, die geopend en beheerd werd door de heren V.W. en D.L. onder naam ¿BVBA WASTO¿. Hoewel enkel de Heren V.W. - D.L. als titularissen rekeninghouders contractpartij zijn van de financiële instelling, zijn zij geen eigenaars van de betreffende vordering op de bank, maar slechts lasthebbers; hun beider instemming is wel vereist om over het tegoed te beschikken. De bedoeling kan niet anders geweest zijn, dan het geld te blokkeren in afwachting van de definitieve verrekeningen, hetzij minnelijk, hetzij zonodig gerechtelijk. Hoewel geïntimeerde beweert dat zij terzake geen enkel mandaat gaf voor het openen van deze rekening aan de Heer D.L., moet vastgesteld worden dat deze laatste hem bijstond bij diverse verrichtingen en dat de overeenkomst ook meer bepaald verwijst naar de tussentijdse toestand op 31 maart 1997, die door de accountants van beide partijen in gemeen overleg zou worden opgesteld (overeenkomst, sub artikel 2 : Prijs). Met de accountant van geïntimeerde wordt zonder de minste twijfel de Heer D.L. bedoeld; het is trouwens deze laatste die de afrekening van 10.4.1997 mede ondertekende. Dat op dezelfde dag, namelijk op 10.4.97, door beide accountants een kwaliteitsrekening werd geopend, wijst duidelijk op een verkregen mandaat. Minstens kan appellante zich beroepen op de theorie van het schijnmandaat, vermits geïntimeerde bij appellante het rechtmatig vertrouwen wekte dat de heer D.L. door hem werd gemandateerd. Overigens is het Hof de mening toegedaan dat door blokkering van een relatief klein bedrag op de kwaliteitsrekening (slechts 1% van de verkoopprijs) en de gelijktijdige betaling van een aanzienlijk bedrag van 25.000.000 - 4.000.000 - 250.000 = 20.750.000 BEF, appellante zijn goede wil toonde en zeker geen eigenrichting wou plegen, wel integendeel; hiermee bewees hij zijn solvabiliteit en gaf hij zekerheid aan de verkoper dat deze alleszins zou worden betaald op het ogenblik van de definitieve verrekening. Vermits niet betwist wordt dat de storting een aanbetaling was op de koopsom van de aandelen en appellante zelf de compensatie voorstaat met het bedrag van 28.830,76 EUR dat geïntimeerde haar nog verschuldigd blijft, zal bij vrijgave - in haar voordeel - van de geconsigneerde som geïntimeerde alleen nog het saldo van (28.830,76 - 6.197,34 =) 22.633,42 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten verschuldigd zijn. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis. Verklaart de oorspronkelijke eis van appellante ontvankelijk en nog gegrond voor 28.830,76 EUR, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 25.1.1999 tot aan de betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot betaling hiervan aan appellante. Zegt voor recht dat de hoofdsom van 6.197,34 EUR, vermeerderd met de intresten op de kwaliteitsrekening BBL nr 390-0583129-20 mag vrijgegeven worden aan appellante en dat geïntimeerde bij vrijgave van deze kwaliteitsrekening in het voordeel van appellante alleen nog de hoofdsom van (28.830,76 - 6.197,34 =) 22.633,42 EUR verschuldigd zal zijn, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 25.1.1999 tot aan de betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant vereffend op 219,33 EUR (dagvaarding) + 334,66 EUR (r.p.v. eerste aanleg) + 186,00 EUR (rolrecht verzoekschrift in hoger beroep)+ 58,25 EUR (aanvullende r.p.v.) + 466,04 EUR (r.p.v. hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zes december tweeduizend en vier. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, J. Vermeir, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.