id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041209.3 Rolnummer: 2003/AR/1554 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-03 23:48 Fiche Revindicatie van een effect na verzet--tegelijk wordt 2279 B.W. en een handgift ingeroepen--bewijs. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Verzet GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Revindicatie BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Handgift BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Bezit geldt als titel Tekst van de beslissing in de zaak met het rolnr. 2003/AR/1554 van: F.L., wonende te ¿ appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 2-6-2003, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DESTICKER Leen, advocaat te 8200 St.-Michiels, Gistelsesteenweg 340 tegen: D.R., (volgens het bestreden vonnis en de besluiten van deze partij: D.R.) ¿, geboren te ¿ op ¿, en wonende te ¿, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. SPEYBROUCK Jos, advocaat te 8000 Brugge, Spinolarei 9b velt het Hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 juni 2003, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis d.d. 2 juni 2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, eerste kamer, waarbij de vordering van appellante ongegrond werd verklaard en waarbij op tegenvordering gezegd werd voor recht dat geïntimeerde als enige persoon de eigenaar is van de kasbon (met als uitgever Centea N.V.) met nummer ¿ met een nominale waarde ad 500.000 oude BEF - thans 12.394,68 EUR - en het verzet op deze titel van onwaarde werd verklaard. De geïntimeerde had een veroordeling gevorderd tot betaling van 1 EUR wegens tergend en roekeloos geding en deze vordering werd afgewezen als ongegrond. 1.
- Geïntimeerde vraagt dat het beroep zou worden ongegrond verklaard en dat het vonnis zou worden bevestigd. Zij stelde een eis in tot betaling van een schadevergoeding van 1.000 EUR wegens tergend en roekeloos beroep.
- 2.1.Op 23 februari 2002 is F.F., de vader van appellante, gestorven nadat hij wegens zijn ziekte palliatieve zorgen had ontvangen. In mei 2002 zouden hij en geïntimeerde 10 jaar samen zijn, zo blijkt uit stuk 1 van geïntimeerde, bij wie eerstgenoemde wel inwoonde doch zonder op haar adres (¿) ingeschreven te zijn. Op 25 maart 2001 schreef hij een laatste wilsbeschikking om een uitvaart te krijgen zonder kerkelijke inmenging omwille van zijn humanistische levensbeschouwing. Geïntimeerde werd aangesteld als testamentuitvoerster. Het testament bevatte geen enkele patrimoniale beschikking. Op 16 oktober 2001 gaf F.F. aan geïntimeerde een volmacht op zijn rekening ¿. Die volmacht bleef behouden tot zijn overlijden. Zoals blijkt uit stuk 9 van appellante en stuk 1 van geïntimeerde vroeg F.F. bij Centea drie kasbons op die tot dan toe in een effectendossier waren bewaard bij deze instelling. De drie kasbons vertegenwoordigden een bedrag van 1.200.000 oude BEF ( euro 29.747,22). Het geding gaat over één van de kasbons met name een kapitalisatiebon 4/8/12, uitgegeven door NV Centea, met nr ¿met tussentijdse vervaldag op 1/9/2001 en 01/09/2005 en eindvervaldag 01/09/2009 en met een nominale waarde van 500.000 oude BEF ( euro 12.394,68). Appellante kreeg nog tijdens het leven van haar vader de twee andere kasbons. Appellante deed verzet op deze titel. Ze beweert dat ze dat deed omdat ze de titel niet vond na het overlijden van haar vader. Het verzet werd gepubliceerd in het bulletin der met verzet aangetekende waarden van 30 maart
- Zij kreeg bij schrijven van 4 juni 2002 van NV Centea bericht dat geïntimeerde deze kapitalisatiebon had aangeboden. Op 1 juli 2002 heeft de raadsman van appellante geïntimeerde aangemaand om deze kapitalisatiebon te overhandigen aan appellante. Daaraan werd geen enkel gevolg gegeven. Op 5 augustus 2002 heeft appellante geïntimeerde gedagvaard. Volgens appellante heeft zij de kosten van de uitvaart betaald. Uit de aangifte van nalatenschap, opgemaakt op 23 juli 2002, blijkt dat deze 3.051,55 EUR beliepen. 2.
- In haar conclusies heeft geïntimeerde dadelijk gesteld dat F.F. zijn drie effecten, hierboven vermeld, wegschonk namelijk deze van 500.000 oude BEF ( euro 12.394,68) aan geïntimeerde, de andere aan appellante. Geïntimeerde riep ook de bescherming in van artikel 2279 B.W. Appellante betwist de handgift. Ze stelt dat haar vader de kasbon wegborg in een groen koffertje om dat geld te reserveren voor zijn begrafenis en voor de betaling van successierechten alsook dat geïntimeerde dat geld op onrechtmatige wijze heeft weggenomen uit dit koffertje. Volgens appellante is het bezit van geïntimeerde dan ook ter kwade trouw en beantwoordt het bezit niet aan de gestelde voorwaarden. Wat betreft de ingeroepen handgift stelt ze dat het bewijs moet geleverd van de handgift met een geschrift of door een begin van bewijs door geschrift aangevuld met vermoedens. Ze vroeg ook de persoonlijke verschijning van de partijen. In de conclusies van 29 augustus 2002 stelde geïntimeerde de tegeneis in, die door de eerste rechter werd ingewilligd (zie hoger). In die conclusies wijst ze erop dat het geschrift waarin zij als testamentuitvoerster werd aangesteld, een begin van geschreven bewijs is en dat er wel degelijk vermoedens zijn die dit begin van geschreven bewijs aanvullen. Zij riep tegelijk ook in dat er een morele onmogelijkheid was om een degelijk geschrift te bekomen. Tot slot verwees geïntimeerde naar een theorie die zij haalt uit een « Overzicht van rechtspraak Giften 1993-1998 TPR 1999, nr 255 p. 922 » om aan te tonen dat degene die zich verweert tegen een vordering tot revindicatie niet zelf het bewijs van de handgift dient te leveren maar dat de revindicerende partij het tegenbewijs moet leveren, d.w.z. moet bewijzen dat er geen handgift werd gedaan. In haar conclusies van 10 februari 2003 geeft appellante haar versie over de bewijslast die ze als revindicerende partij draagt. Zij meent dat ze voldoet aan het drievoudig bewijs dat ze moet leveren nl: - dat de gerevindiceerde goederen zich voordien in het vermogen van de rechtsvoorganger bevonden en dat hij eigenaar was; - dat de goederen thans in het bezit zijn van de tegenpartij; - dat eiser de algemene rechtsopvolger is van de vorige eigenaar; Waar geïntimeerde zich beroept op de theorie van de schenking betwist ze dat het bewijs ervan geleverd werd. In haar laatste conclusies wijst geïntimeerde op het belang van de bescherming door artikel 2279 B.W. Die bescherming bestaat erin dat wanneer de bezitter stelt dat zijn bezit het gevolg is van een handgift, dit bezit als titel geldt tot wanneer is aangetoond dat de materiële overhandiging van de zaak niet voortkomt uit de wil om te geven. Dit tegenbewijs is niet geleverd, zo stelt de geïntimeerde. 2.
- De eerste rechter nam aan dat degene die artikel 2279 B.W. inroept, geen wettige titel moet bewijzen en zijn bezit niet moet rechtvaardigen. Hij nam ook aan dat appellante tegen wie het bezit wordt ingeroepen zou moeten bewijzen dat geïntimeerde geen bezitter is, dat zij te kwader trouw was of dat het bezit gebrekkig was. Volgens de eerste rechter was geïntimeerde te goeder trouw omdat de bezitter geen enkel twijfel kon hebben over de wettigheid van zijn bezit. Volgens hem was het bezit ook niet gebrekkig. Zijn besluit was dat er niet bewezen werd dat het bezit van geïntimeerde ondeugdelijk was en dat derhalve niet verder moest onderzocht worden of er sprake is van een rechtmatige titel ( zoals een handgift).
- 3.
- Terwijl het mogelijk is artikel 2279 B.W. in te roepen zonder enige verantwoording te geven, worden in casu tegelijk artikel 2279 B.W. en de handgift ingeroepen. Dat verandert niets aan de bewijsverplichtingen van de revindicant wanneer deze het vermoeden van artikel 2279 B.W. wil ontkrachten maar dat laat wel toe aan de revindicant om het onwaarschijnlijk karakter van de handgift aan te tonen. Indien het actueel en daadwerkelijk bezit van de partij tegen wie gerevindiceerd wordt bewezen is ten gevolge van het verzet op titels - zoals in casu - en niet ten gevolge van een bekentenis, brengt het wegvallen van de bezitsbescherming van artikel 2279 B.W. mee dat de bezitter de bewijslast draagt van zijn rechtmatige titel. 3.2.De bezitter wordt vermoed te goeder trouw te bezitten. Wanneer appellante stelt dat het bezit te kwader trouw is, dient zij dat te bewijzen. Appellante beweert dat haar vader de kapitalisatiebon bewaarde in een groen koffertje om te kunnen dienen voor de betaling van begrafeniskosten en successierechten en dat geïntimeerde die bon daaruit heeft weggenomen op onrechtmatige wijze. Die bewering die door geïntimeerde wordt betwist, kan niet dienen als bewijs van kwade trouw in hoofde van geïntimeerde. Er is geen enkel element dat er op wijst dat geïntimeerde niet rechtmatig kon geloven dat er een geldige eigendomsoverdracht van de kapitalisatiebon was gebeurd. Het bezit wordt vermoed deugdelijk te zijn. Appellante die beweert dat het bezit gebrekkig is, moet dit bewijzen en dat kan gebeuren met alle middelen. Volgens appellante is het bezit dubbelzinnig en niet-openbaar of heimelijk. Een bezit is dubbelzinnig wanneer het prima facie en gelet op de concrete omstandigheden van de zaak voor meerdere interpretaties vatbaar is d.w.z. dat het meerdere oorzaken of grondslagen kan hebben zodat er twijfel kan bestaan of de bezitter de goederen ingevolge een geldige eigendomstitel dan wel als houder bezit. Het staat buiten betwisting dat F.F. eind 2001 drie kasbons, die hij bij de NV Centea in open bewaargeving had gegeven, heeft opgevraagd en dat er twee daarvan werden geschonken aan appellante. De bewering van appellante dat het waardepapier na opvraging bij Centea door F.F. thuis werd bewaard in een groen koffertje, waaruit het waardepapier werd weggenomen door geïntimeerde, is op niets gesteund. De begrafeniskosten en de successierechten konden nooit zo'n bedrag belopen en voor de betaling van die kosten was het niet nodig het waardepapier thuis te bewaren. De opvraging van de effecten, die onmogelijk kan gebeurd zijn om deze zelf thuis bij te houden of door geïntimeerde te laten bewaren, stond duidelijk in verband met het naderend levenseinde en met een inzicht om te schenken. F.F.die steeds financieel had bijgedragen in het gemeenschappelijk huishouden dat geïntimeerde beredderde, heeft ongetwijfeld bij de schenking van twee effecten aan zijn dochter ook gedacht aan zijn levenspartner die hem met veel zorgen had bijgestaan en die hij alleen zou achterlaten. In de gegeven omstandigheden is het zeer waarschijnlijk dat F.F. een schenking heeft willen doen en bestaat er geen twijfel dat geïntimeerde door een schenking het bezit kreeg van de kapitalisatiebon. Een dubbelzinnigheid van het bezit van geïntimeerde is niet bewezen. Het heimelijk karakter van het bezit van geïntimeerde is ook niet aangetoond. Appellante wil doen geloven dat zij enkel door eigen speurwerk en door het verzet ervan op de hoogte geraakte dat geïntimeerde de kwestieuze kapitalisatiebon bezat. Het bezit zou dus heimelijk zijn omdat geïntimeerde het bezit van de kapitalisatiebon niet aan haar meedeelde na het openvallen van de nalatenschap en dat bezit verborgen hield. Volgens de verklaring van geïntimeerde in stuk 1 vernam appellante bij de overhandiging aan haar van de twee andere effecten, dat de kapitalisatiebon van 500.000 oude BEF ( euro 12.394,68) geschonken was aan geïntimeerde. Appellante zou dus op de hoogte geweest zijn van het bezit. Hetgeen geïntimeerde zegt kan weliswaar niet als bewezen worden aangezien maar appellante heeft ook niet kunnen uitsluiten dat die bewering kan juist zijn. Zoals appellante zelf verklaarde in stuk 9 was zij reeds lang op de hoogte van het bestaan van de kwestieuze kapitalisatiebon en heeft haar echtgenoot met geïntimeerde contact genomen om in het bezit gesteld te worden van deze kapitalisatiebon. Het is best mogelijk dat dit mondeling verzoek tot afgifte gebeurde vooraleer het verzet werd gedaan en dat zou kunnen verklaren waarom geïntimeerde niet werd aangeschreven in verband met deze kapitalisatiebon vooraleer er verzet werd gedaan. Het is weinig waarschijnlijk dat appellante niet wist dat geïntimeerde de kapitalisatiebon in haar bezit had en dat dit bezit werd verborgen gehouden. Appellante heeft niet gezegd dat het bezit om andere redenen gebrekkig zou zijn. 3.
- Artikel 2279 B.W. dient terzake zijn volle toepassing te krijgen omdat de voorwaarden daartoe vervuld zijn en omdat ook niet is aangetoond dat het onwaarschijnlijk is dat de kapitalisatiebon werd geschonken, integendeel zoals hierboven is gebleken. 3.
- Appellante heeft geen afdoende redenen aangevoerd om het Hof te overtuigen dat de persoonlijke verschijning dienend kan zijn om het geschil te beslechten.
- Ten onrechte stelt geïntimeerde dat het beroep tergend en roekeloos is. De uitslag van het geding hangt in grote mate af van de soevereine beoordeling van de feitenrechter zodat het in zulkdanig geval niet onverstandig is om een verhaalmiddel aan te wenden als het gewenste resultaat niet behaald werd. Het beroep is niet tergend en niet roekeloos. Er werd immers ook geen misbruik gemaakt van het verhaalmiddel. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep en de vordering strekkende tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Begroot de kosten van de aanleg in hoger beroep voor geïntimeerde op 466,04 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de elfde-bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op heden 9 december
- Aanwezig: - Patrick De Buck, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend, - Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div