id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041213.7 Rolnummer: 2004/AR/0228 Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-03 23:49 Fiche Bank--belegging--advies en informatieverstrekking aan de klant. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Andere Tekst van de beslissing in de zaak van : P.D.V., ¿, wonende te ¿ appellant, hebbende als raadsman mr. Marc Quatacker, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Mercatorlaan 8, tegen N.V. KBC BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 623.074 en met ondernemingsnummer RPR 0 462 920 226, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Frieda D'Huyvetter, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, Doorniksewijk 66, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 18 oktober 2004 en de stukken werden ingezien. 1 Procedure: 1.1 Bij dagvaarding van 7.6.2002 vorderde oorspronkelijk eiser, thans appellant, de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een schadevergoeding van 15.115,06 EUR, vermeerderd met de interesten en kosten, voor een beweerde tekortkoming van geïntimeerde aan haar informatie- en zorgvuldigheidsplicht als bankier. 1.2 Bij vonnis van de Eerste Kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 10.12.2003 werd de vordering als ongegrond afgewezen. 1.3 Op 27.1.2004 legde appellant een verzoekschrift tot hoger beroep neer strekkende tot de vernietiging van het vonnis en tot toekenning van de oorspronkelijk gevorderde schadevergoeding. 2 Standpunt van de partijen : 2.1 Het standpunt van appellant kan als volgt samengevat worden: Hij heeft in 1983 een termijnkrediet van 5.000.000 BEF gesloten met de Bank van Roeselare en West-Vlaanderen (rechtsvoorganger van geïntimeerde) voor de aankoop van zijn handelshuis ¿Optiek D.V.¿ te Oostende. In november 1991 werd overeengekomen dat het kredietsaldo, nl. 3.216.478 BEF, terugbetaald zou worden met een éénmalige aflossing 10 jaar later, nl. op 1.11.2001; de jaarlijkse interestvoet werd bepaald op 10 %, herzienbaar om de 5 jaar. Tezelfdertijd werd een spaarrekening geopend met dezelfde looptijd als het krediet; het spaargeld zou aangewend worden om het krediet op de vervaldag terug te betalen. In de loop der jaren werden er een aantal parallellopende wijzigingen aan de rentevoet doorgevoerd. Appellant beweert dat hij in juli 2000 onder zware druk werd gezet van geïntimeerde, die af wou van de koppeling van de lening aan de spaarrekening, en erop stond om het gespaarde geld voor de nog resterende tijd te beleggen in een KBC Master Fund Optimum (BEVEK) met een door haar gegarandeerde opbrengst van 6%. Node zou hij bezweken zijn onder die druk. Die BEVEKS hebben het zeer slecht gedaan. Appellant verkocht ze uiteindelijk op 19.10.2001 met een verlies van 609.740 BEF. Hij wijt dit verlies aan de fout van geïntimeerde, die tekort zou gekomen zijn aan haar informatie- en zorgvuldigheidsplicht (agressieve verkoopspolitiek, verkeerd beleggingsadvies ¿) en stelt haar dan ook aansprakelijk voor het geleden verlies. 2.2 Het standpunt van geïntimeerde is kort samengevat : Appellant had steeds de vrije keuze wat lenen en beleggen betrof. Met kennis van zaken en degelijk geïnformeerd heeft hij de stap genomen naar het Master Optimum Fonds van KBC. Hij wist dat het rendement van 6% geenszins gegarandeerd was. Geïntimeerde trad enkel op als financieel tussenpersoon en niet als vermogensbeheerder; er valt haar niets te verwijten. 3 Het vonnis a quo : 3.1 De eerste rechter oordeelde dat eiser in juli-augustus 2000 niet moest herbeleggen, maar kon opteren voor een vervroegde terugbetaling. Uit niets blijkt dat hij gedwongen werd in te gaan op het voorstel van KBC om in het litigieuze fonds te stappen. Daarenboven moet aangenomen worden dat hij, als zaakvoerder van een bedrijf, zelf één en ander moet afweten van aandelen, fondsen, enz ¿ Bij de ondertekening van het toetredingscontract tot het fonds was het beursklimaat optimaal en euforisch te noemen en was het KBC-fonds een gepaste belegging met een niet al te groot risico. Het voorgestelde rendement was bijlange niet zeker en eiser wist dit of kon dit weten door de folder i.v.m. dit fonds te lezen. Niemand kon voorzien dat het beursklimaat later zou omslaan, ook de beursanalisten van KBC niet. Er is dan ook geen enkele fout bewezen. 4 Beoordeling door het Hof : 4.1 De beweerde ¿dwang¿ vanwege geïntimeerde : 4.1.1 Morele dwang (of zedelijk geweld) tast de geldigheid van de wil slechts aan in zoverre hij onrechtmatig of ongeoorloofd is ( Cass. 15.5.2000, Arr. Cass. 2000, 292; Cass. 23.3.98, Arr. Cass. 1998, 162). 4.1.2 Appellant houdt voor dat geïntimeerde hem dwong om een einde te stellen aan de koppeling van het krediet aan de belegging. Zij zou hem gezegd hebben dat deze kredietvorm niet langer kon geduld worden en dat, bij niet akkoord om er een eind aan te stellen, het krediet zou worden opgezegd. Geïntimeerde ontkent dat zij het krediet zou opzeggen, maar geeft toe dat zij de ontkoppeling wenste, om geen situatie in stand te houden die ¿aanleiding zou kunnen geven tot de interpretatie van een fiscale fraude¿. Partijen blijven voor het overige zeer vaag over de opgezette constructie, waarbij de kredietverlening aan het bedrijf D.V. OPTIEK gekoppeld werd aan het spaartegoed van de fysieke persoon D.V.. Het Hof stelt vast dat het hier gaat om een totale koppeling naar termijn, bedrag en interestvoet, waarvoor ook bij de herziening een verschil van 1% werd aangehouden. Het gaat bijgevolg om een soort back-to-back loan die fiscale problemen kan oproepen op grond van artikel 344 §1 WIB 1992. Deze wetsbepaling werd ingevoerd bij wet van 22.07.1993, met terugwerkende kracht tot 31.3.1993; partijen hebben de koppelconstructie reeds eerder geconcipieerd, namelijk in november 1991 toen ze nog minder omstreden was (zie de Brepolsdoctrine). Het is dan ook begrijpelijk dat geïntimeerde aandrong om een einde te stellen aan de koppeling. Dat aandringen was niet onrechtmatig en/of ongeoorloofd. Appellant bewijst overigens niet dat geïntimeerde ermee dreigde, om de kredieten op te zeggen. 4.1.3 Men kan moeilijk beweren dat geïntimeerde zich in een monopoliepositie bevond. Het stond appellant vrij om het krediet eventueel vervroegd terug te betalen. En mocht geïntimeerde ermee gedreigd hebben om het krediet op te zeggen zoals appellant voorhoudt, dan ziet het Hof niet goed in op grond waarvan geïntimeerde een wederbeleggingsvergoeding had kunnen eisen. Het stond appellant bovendien vrij om zijn spaargelden elders te beleggen. Hij heeft dat ook gedaan naar aanleiding van een tweede, niet-betwiste kredietloskoppeling van 2.000.000 BEF. De loutere wanverhouding in de economische machtspositie van partijen volstaat uiteraard niet om te besluiten tot dwang of geweld; het bewijs moet geleverd worden dat één van de partijen haar invloed heeft misbruik, wat hier niet het geval is (Bsl., 7.11.1986, T.B.B.R. 1987, 144 + noot). 4.2 De beweerde tekortkoming vanwege geïntimeerde : 4.2.1 Een bankier heeft - behalve bij een uitdrukkelijke andersluidende overeenkomst, zoals bvb. bij een portefeuille- of vermogensbeheer - geen algemene adviesplicht, maar wel een informatieplicht of inlichtingsplicht die veel minder verstrekkend is. De te verstrekken informatie, die niet raad- of richtinggevend is, moet de cliënt toelaten het mechanisme en de draagwijdte van een dienst of product te begrijpen, om zelf een keuze te kunnen maken en zelf te bepalen welk risico hij loopt (Kh. Nijvel, 26.9.96, T.B.H. 1997, 789). Een bank is in de regel slechts gehouden tot een middelen-verbintenis en niet tot een resultaatsverbintenis; en dit geldt zowel voor de informatieverstrekking als de adviesverstrekking bij vermogensbeheer (Kh. Bsl., 27.4.95 en 3.5.96, T.B.H. 1996, 1107 + noot; Kh. Bsl., 2.2.95, T.B.H. 1996, 1072 + noot; Hof Luxemburg, 18.6.2003, DAOR 2004, 75 + noot; Scheidsr. Uitspr. 29.3.96, T.B.H. 1996, 1078; WYMEERSCH, DAMBRE en TROCH, Overzicht rechtspraak Privaat bankrecht, 1992-98, TPR 1999, 2020). Op de bank rust met andere woorden een algemene verbintenis van voorzichtigheid, bedachtzaamheid en nauwgezet-heid, waarbij zij er zich niet toe verplicht een bepaald resultaat te bereiken, maar wel pogingen doet om dit resultaat te bereiken. 4.2.2 Om de tekortkoming te beoordelen, moet de houding van de bank getoetst worden aan deze van een normaal voorzichtige en redelijk bankier in dezelfde omstandigheden (culpa levis in abstracto). ¿In dezelfde omstandigheden¿ houdt in dat het handelen moet geplaatst worden in de juiste historisch-economische context, zonder rekening te houden met omstandigheden die zich nadien in werkelijkheid hebben voorgedaan. Er moet alleen rekening gehouden worden met omstandigheden die een normaal zorgvuldig bankier redelijkerwijze kon en moest voorzien (vgl. Luik, 29.6.2001, J.T. 2001, 864 en Antw. 16.9.1997, T.B.H. 1998, 843). De bewijslast van de tekortkoming rust op de cliënt. Uit niets blijkt dat geïntimeerde ook maar enige dwang heeft uitgeoefend om te beleggen op een bepaalde (risicovolle) manier. De versies van partijen staan diametraal tegenover mekaar. De bewijslast en het daaraan verbonden bewijsrisico ligt bij appellant. Dat de belegging van appellant (zwaar) verlieslatend was, wijst op zich geenszins op een fout van geïntimeerde en uit niets blijkt, dat geïntimeerde een bepaald rendement heeft gegarandeerd. Er was evenmin sprake van een kapitaalsgarantie. Wel blijkt uit de productfiche van de litigieuze BEVEK, die met appellant werd besproken, dat het beleggingsresultaat ¿op historische basis¿ ongeveer 6% bedroeg: dit hield niet de minste zekerheid of belofte in ¿naar de toekomst toe', wat overigens uitdrukkelijk op de productfiche is vermeld. 4.2.3 Dat tussen partijen een overeenkomst van vermogensbeheer zou afgesloten zijn en dat geïntimeerde in de uitvoering hiervan zou tekort gekomen zijn, blijft al even onbewezen. Opdat de rechter de fout zou kunnen beoordelen, moet appellant namelijk het bewijs leveren van de precieze draagwijdte van de verbintenissen die de bank opnam, minstens van de verbintenis waarvan de uitvoering wordt betracht en op basis waarvan appellant meent op schadevergoeding gerechtigd te zijn wegens een voorgehouden niet-nakoming (vgl. Gent, 10.2.99, T.B.H. 2000, 739). Appellante bewijst niet dat geïntimeerde meer deed of moest doen dan louter informatie verschaffen over een bepaalde beleggings-vorm. Uiteraard gaat een bank haar eigen producten en diensten voorstellen, zodat hieruit geen fout volgt. En het is niet bewezen dat de aangestelden/beursanalisten van geïntimeerde de feitelijke beursevolutie moesten of konden voorzien. 4.2.4 Een informatieschuldeiser moet zelf de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Hij moet zelf informatie inwinnen en behoort op de hoogte te zijn van de gegevens, die bij het brede publiek bekend zijn (KRUITHOF, BOCKEN, DE LY en DE TEMMERMAN, Overzicht van rechtspraak Verbintenissen, 1981-1992, T.P.R. 1994, 282, nr 76 + referenties). Algemeen is geweten dat beurstransacties altijd een zeker risico inhouden en hoe gedurfder de aankopen (speculatie), hoe groter de risico's zijn (¿Hoe hoger men vliegt, hoe dieper men kan vallen¿ - Scheidsr. Besl. 29.3.96, hoger geciteerd). Algemeen wordt aangeraden niet op één paard te gokken en zijn eieren niet in één mand te leggen en de risico's zo veel mogelijk te spreiden. De meest zekere, risicoloze vorm van belegging, zeker op korte termijn is de spaarrekening. Appellant wist dit ongetwijfeld of moest dit minstens weten, maar stond allicht voor een dilemma toen bij de loskoppeling van het krediet van de spaarrekening in juli-augustsus 2000 de interesten (inbegrepen eventuele premies) op gewone spaarboekjes zeer laag waren; ze bedroegen zowat 2 (+ 0,5)% (tegenover een inflatie van zowat 2,79%). Voor beleggingen op korte termijn werd door Budget&Recht aangeraden, om geld te beleggen op een spaarrekening van een aantal kleinere banken die, als prijsbrekers, hogere interesten konden aanbieden (Budget&Recht, maart/april 2001, 14). En ook het beleggen in een fonds, dwz. het collectief beleggen volgens een vooraf aangekondigde strategie, werd een goede beleggingswijze geacht voorzover een voldoende lange beleggingshorizon kon worden uitgestippeld en waarbij zonder overdreven risico's in aandelen kon belegd worden (Budget&Recht, september/oktober 2000, 36, waar overigens ook het litigieuze KBC Master Optimum-fonds werd besproken). Gelet op de vrij korte beleggingshorizon van appellant (loskoppeling in juli-augustus 2000 tot terugbetaling op 1.11.2001, dwz. ongeveer 16 maanden) was de keuze voor het (overigens neutrale) KBC-fonds mogelijk niet helemaal voor de hand liggend en zonder risico's. Niettemin blijkt uit niets en wordt niet bewezen dat geïntimeerde onjuiste of onvolledige informatie verschafte en/of geïntimeerde misbruik maakte van de omstandigheden of de eventuele onervarenheid van appellant. Appellant had, zoals al gezegd, inzage en kennis van de productfiche. En zelfs al zou geïntimeerde geadviseerd hebben in het litigieuze fonds te stappen, dan nog ligt de primaire en uiteindelijke verantwoordelijkheid van de keuze van belegging bij de belegger zelf: deze is nooit verplicht het advies te volgen en wordt overigens niet geacht het blindelings te volgen. Op de bank rust geen bevoogdingsplicht: eens zij de cliënt behoorlijk en volledig heeft voorgelicht, heeft zij niet tot taak te voorkomen dat de cliënt mogelijk domme dingen doet (MICHIELS VAN KESSENICH, Aansprakelijkheid van banken, Tjeenk Willinck - Zwolle, 1987, 74, nr 94). De eerste rechter stelde terecht vast dat ten tijde van de informatieverstrekking, het beursklimaat (alsnog) optimaal en euforisch te noemen was. Beleggingsclubs schoten in de eerste helft van 2000 als paddestoelen uit de grond en zogenoemde ethische beleggingsfondsen kwamen op het voorplan, om ook de laatste niet traditionele beleggers aan te trekken. Eigenlijk is het beursklimaat pas beginnen verslechteren juist nadat appellant in het litigieuze KBC-fonds stapte. Iets nadien, op 8 augustus 2000, berichtte de Wall Street Journal dat Lernout&Hauspie zijn gerapporteerde omzet in Zuid-Korea overdreef. Tot aan het faillissement (24.10.2001) bleef Lernout&Hauspie negatief in beeld komen, maar kwamen ook vele andere bedrijven in een negatief daglicht te staan wegens al te creatieve boekhouding en wegens overschatte winstverwachtingen. Het waren voornamelijk late beleggers (die nog niet eerder profiteerden van de hausse), vooral wanneer ze individueel optraden i.p.v. bijvoorbeeld via de fondsen aan risicospreiding te doen, die (tamelijk) veel geld verloren. Geen enkele beursanalist kon evenwel de beursneergang voorspellen en alle beleggers (ook banken, pensioenkassen, verzekeringsmaatschappijen ¿) verloren van dan af geld. Appellant blijft bijgevolg in gebreke ook maar enige fout in hoofde van geïntimeerde te bewijzen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond; Bevestigt het besteden vonnis. Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, die het Hof aan de zijde van geïntimeerde vaststelt op de rechtsplegingvergoeding van 466,04 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertien december tweeduizend en vier. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, J. Vermeir, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.