id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2004:ARR.20041213.8 Rolnummer: 2004/AR/0894 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-07-03 23:49 Fiche Gerechtelijk akkoord--schulden eigen aan handelingen die de gefailleerde gedurende de definitieve opschorting van betaling heeft verrecht zijn in tegenstelling tot de schulden eigen aan handelingen die de gefailleerde gedurende de voorlopige opschorting van betaling heeft verricht, geen boedelschulden van het faillissement--art.44 van de Wet op het gerechtelijk akkoord. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Tekst van de beslissing in de zaak van : DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger der Directe Belastingen te Antwerpen 12, kantoor houdende te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 1, en welke voor deze rechtspleging woonplaats kiest op het kantoor van de dienstchef van de Juridische Cel van de Administratie van de Directe Belastingen te Antwerpen, gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 9, appellante, hebbende als raadsman mr. Carmenta Decordier, advocaat met kantoor te 9041 Gent (Oostakker), Harlekijnstraat 9, tegen Mr. Francine PAUWELS, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Apostelstraat 29, optredende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. D C I, met maatschappelijke zetel te¿., in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te ¿ dd. ¿, geïntimeerde q.q., ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Marina Van Inbroukx, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Koningin Elisabethplein 32, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien. 1. Gegevens van de zaak in beroep: 1.1. De ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN stelde op 31 maart 2004 hoger beroep in tegen het vonnis van 30 december 2003 van de zevende kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. De curator van het faillissement D C I NV stelde in besluiten neergelegd op 7 mei 2004 incidenteel hoger beroep in. 1.2. De eerste rechter
(1)veroordeelde de curator van het faillissement D C I NV op volgende relevante overwegingen tot de betaling aan de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN de som van 6.402,90 EUR, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 1 februari 2003, uit hoofde van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de lonen die D C I NV gedurende de voorlopige opschorting van betaling heeft uitbetaald en
(2)verklaarde de aanspraken van de Ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN op de betaling van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de lonen die D C I NV gedurende de definitieve opschorting van betaling heeft uitbetaald ongegrond: ¿De ontvanger vordert (¿) dat de bedrijfsvoorheffing die hij heeft ingekohierd voor de maanden juli tot en met november 2002 op grond van artikel 44 lid 2 van de Wet van 17 juli 1997 op het gerechtelijk akkoord als een boedelschuld van het faillissement zou worden beschouwd. Aan de N.V. D C I werd bij vonnis van 11 juni 2002 de voorlopige opschorting van de betalingen toegekend. Bij vonnis van 4 oktober 2002 werd haar een definitieve opschorting toegekend. Zij werd op 26 december 2002 failliet verklaard. De curator betwist de vordering. Zij is van oordeel dat alleen de schuld ontstaan tijdens de periode van voorlopige opschorting een boedelschuld kan zijn en dit voor zover zou blijken dat die schuld werd aangegaan met toestemming van de commissaris inzake opschorting, wat volgens haar niet het geval is. Enkel in de fase van de voorlopige opschorting komt de commissaris tussen om zijn medewerking of machtiging te verlenen. In de periode van de definitieve opschorting oefent hij enkel toezicht en controle uit. De tekst van artikel 44, lid 2 kan dan enkel slaan op de periode van de voorlopige opschorting (zie CAEYMAEX, J., Les dettes de masse antérieures a la faillite, J:L.M.B., 2001, 1756). Er moet logischerwijze aangenomen worden dat de tewerkstelling in de periode van de voorlopige opschorting minstens impliciet werd goedgekeurd door de commissaris. Hij kan daar niet onwetend van zijn geweest. De curator wijst er terecht op dat de bedrijfsvoorheffing in oktober slechts gedeeltelijk, namelijk tot 4 oktober, als een boedelschuld kan worden beschouwd. De ontvanger heeft dit middel niet beantwoord, zodat de rechtbank dan maar zelf het bedrag pro rata berekent. Als schuld van de massa wordt weerhouden: (18,81 + 4.445,26 + 1.667,43 + 271,40) 6.402,90 euro. De ontvanger wordt opgenomen in het bevoorrecht passief voor (10.470,27 - 6.402,90) 4.067,37 euro (¿)'. 1.
- Er resten drie betwistingen: 1.3.
- Op de zitting van 15 november 2004 pleitte de raadsman van de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep, dat de curator van het faillissement D C I NV instelde. - Het incidenteel beroep van de curator strekt tot de vaststelling dat de bedrijfsvoorheffingen van 10.470,27 EUR, verschuldigd op de lonen die D C I NV gedurende de voorlopige opschorting van betaling heeft uitbetaald, niet als een boedelschuld overeenkomstig artikel 44 van de wet op het gerechtelijk akkoord kan aanzien worden. - De raadsman van de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN pleitte dat haar cliënt vanwege de curator in februari 2004 de betaling ontving van 6.402,90 EUR, vermeerderd met de wettelijke intrestvoet vanaf 1 februari 2003, overeenkomstig het bestreden vonnis dat de schuldvordering voor dit bedrag als een boedelschuld weerhield. Uit de vrijwillige betaling zou volgen, dat de curator van het faillissement D C I NV voor deze som in het vonnis heeft berust en achteraf - toen de Ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN hoger beroep instelde - ten onrechte nog incidenteel beroep instelde. Deze exceptie heeft de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN niet in haar besluiten opgeworpen, maar de curator van het faillissement D C I NV kreeg de gelegenheid hierop te antwoorden. 1.3.
- De vraag naar de gegrondheid van het hoger beroep dat de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN instelde. - Zijn hoger beroep strekt tot de vaststelling dat de bedrijfsvoorheffing op de lonen, die D C I NV gedurende de haar toegekende definitieve opschorting van betaling aan het personeel uitbetaalde, boedelschulden zijn overeenkomstig artikel 44, lid twee van de wet op het gerechtelijk akkoord. - Hij vordert van de curator van het faillissement D C I NV dan ook de betaling van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd over de maanden september tot en met november 2002, zij (1.696,47 EUR + 2.753,52 EUR + 1.439,66 EUR =) 5.889,65 EUR, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 1 februari
- 1.3.
- In ondergeschikte orde, de gegrondheid van het hoger beroep dat de curator van het faillissement D C I NV instelde en dat strekt tot de vaststelling dat de bedrijfs-voorheffing op de lonen, die D C I NV gedurende de haar toegekende voorlopige opschorting van betaling aan het personeel uitbetaalde, evenmin als de bedrijfsvoorheffing verschuldigd over de maanden september tot en met november 2002 boedelschulden zijn overeenkomstig artikel 44, lid twee van de wet op het gerechtelijk akkoord. De curator grondt haar incidenteel beroep op de overwegingen
(1)dat de commissaris inzake opschorting geen goedkeuring gaf voor de verdere tewerkstelling,
(2)dat de bedrijfsvoorheffing geen contractuele schuld is, maar een wettelijke verplichting (waarmee de curator wellicht wil aangeven dat voor de uitvoering van een wettelijke verplichting niet eens de instemming van de commissaris inzake opschorting moet gevraagd worden) en
(3)dat de faillietverklaring van D C I NV niet aansloot bij de periode van de voorlopige opschorting, maar volgde op de periode van de definitieve opschorting van betaling. Vanaf de goedkeuring door de rechtbank van de definitieve opschorting zou aan de schuldvorderingen van de schuldeisers die gedurende de voorlopige opschorting met D C I NV hebben gecontracteerd geen voorrang meer kunnen gegeven worden ten opzichte van de schuldvorderingen van de schuldeisers die nadien met D C I NV hebben gecontracteerd.
- Beoordeling Het Hof onderschrijft integraal het vonnis en verwijst partijen naar de overwegingen van het vonnis die het juist bevindt. Aanvullend laat het Hof nog volgende overwegingen gelden. 2.
- De curator is vrijwillig en met kennis van zaken overgegaan tot de uitvoering van het betwiste vonnis. Hieruit volgt haar instemming met het vonnis, zodat de ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN terecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het incidenteel beroep inroept. 2.
- Daarenboven: - nam de eerste rechter terecht aan, dat D C I NV de tewerkstelling gedurende de voorlopige opschorting heeft vervolgd met machtiging, medewerking en bijstand van de commissaris inzake opschorting, nu het vonnis van 11 juni 2002 - dat de voorlopige opschorting toestond - bepaalde, dat D C I NV geen bestuursdaden mocht t faillissement gelden. Zowel de bedrijfsvoorheffing van 10.470,27 EUR, als het nettoloon dat de werknemers werd uitbetaald maken de schuld uit van deze tewerkstelling. - doet het gegeven ¿dat het faillissement tussenkwam na de goedkeuring van de definitieve opschorting van betaling en gedurende de uitvoering van het herstelplan' geen afbreuk aan de toepassing van artikel 44, lid 2 van de wet op het gerechtelijk akkoord. Artikel 44, lid 2 weerhoudt als boedelschulden van het faillissement de schulden uit handelingen die de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure heeft verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting. Overeenkomstig artikel 40 van de wet op het gerechtelijk akkoord spreekt de rechtbank het einde van de akkoord-procedure eerst uit, nadat de commissaris inzake opschorting een eindverslag heeft uitgebracht over de uitvoering van het herstelplan. De akkoordprocedure loopt dan ook zowel over de duur van de voorlopige opschorting van betaling als over de duur van de definitieve opschorting van betaling. 2.
- Het hoger beroep van de Ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN is ongegrond: - Artikel 44, 2 van de wet op het gerechtelijk akkoord weerhoudt als boedelschulden van het faillissement alleen de schulden, eigen aan handelingen die de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting heeft verricht. Dit artikel doet afbreuk aan het algemeen beginsel van de gelijkheid onder de schuldeisers en moet dan ook strikt geïnterpreteerd worden. - De artikelen 13 tot 30 van de wet op het gerechtelijk akkoord die ressorteren onder Titel III ¿Het gerechtelijk akkoord', Hoofdstuk II ¿Akkoordprocedure', ¿Afdeling 3: Voorlopige opschorting van betaling en observatieperiode' beheersen de procedure gedurende de voorlopige opschorting. De artikelen 31 tot 40 die ressorteren onder Titel III ¿Het gerechtelijk akkoord', Hoofdstuk II ¿Akkoordprocedure', ¿Afdeling 4: Definitieve opschorting van betaling' beheersen de procedure gedurende de definitieve opschorting van betaling. Gedurende de definitieve opschorting van betaling moest D C I NV geen machtiging meer bekomen van de commissaris inzake opschorting voor het stellen van bestuursdaden en was de commissaris inzake opschorting geen bijstand meer verschuldigd zoals voorzien in artikel 19 van de wet op het gerechtelijk akkoord; bij toepassing van artikel 36 oefende de commissaris inzake opschorting alleen nog toezicht en controle uit over de uitvoering van het plan en de akkoordprocedure. - De schulden die uit een tewerkstelling na de definitieve opschorting volgen, heeft D C I NV dan ook niet langer met machtiging en bijstand van de commissaris inzake opschorting gesteld, zodat de bedrijfs-voorheffing op de lonen, die D C I NV gedurende de haar toegekende definitieve opschorting van betaling aan het personeel heeft uitbetaald, geen boedelschuld van het faillissement is. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep van de Ontvanger van de DIRECTE BELASTINGEN TE ANTWERPEN ontvankelijk, maar ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de curator van het faillissement D C I NV niet ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst elke partij in de eigen kosten van het hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertien december tweeduizend en vier. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, P. Vinckier, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div