← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050207.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050207.7 Rolnummer: 2004/AR/1000 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-04 12:57 Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Toepassingssfeer Vrije woorden: Hoewel een stageovereenkomst zich van een arbeidsovereenkomst onderscheidt door haar finaliteit, namelijk het opdoen van praktische beroepservaring en niet het voorzien in het levensonderhoud door het verrichten van arbeid, is de definitie van loon in Loonbeschermingswet ruim en strekt het toepassingsgebied van deze Wet zich uit tot elke arbeidsverhouding in ondergeschikt verband en dus ook tot de leerlingen en de stagiers. Een stagevergoeding, waarvan de wetgeving van de Vlaamse Regering inzake de ondernemingsopleiding bepaalt dat de bepalingen van de Loonbeschermingswet daarop toepasselijk zijn, is bevoorrecht op grond van art.19.3 bis Hyp.W Tekst van de beslissing in de zaak van : C.V, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. Patrick Duyck, advocaat met kantoor te 8900 Ieper, Mgr. de Haernestraat 27, tegen Mr. Luc VANRYCKEGHEM, advocaat met kantoor te 8900 Ieper, Basculestraat 11, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V.B.A. NETLINK, met maatschappelijke zetel te 8900 Ieper, Flanders Language Valley 45, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Ieper van 14.06.2002, geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, velt het Hof volgend arrest :

  1. Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 20 december 2004 in hun middelen en conclusies en de stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 14 april 2004 heeft appellante tijdig en regelmatig naar vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 29 september 2003, tussen partijen op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Ieper. Een exploot van betekening van dit vonnis ligt niet voor. Procedure in eerste aanleg
  2. Op 1 juli 2002 deed appellante aangifte van schuldvordering in het passief van het faillissement van NV DERMAR voor de som van 1 EUR provisioneel in het gewoon passief en 1 EUR provisioneel in het bevoorrecht passief.
  3. De geïntimeerde qq. betwistte deze schuldvordering aangezien appellante naliet haar vordering definitief te begroten.
  4. De eerste rechter heeft de aangifte van schuldvordering van appellante afgewezen als ongegrond en haar veroordeeld tot de kosten. Procedure in hoger beroep
  5. Het hoger beroep van appellante strekt tot het teniet doen van het bestreden vonnis en opnieuw wijzende, te zeggen voor recht dat de vordering van appellante wordt opgenomen in het bevoorrecht passief van het faillissement van de BVBA NETLINK ten belope van een som van 5.622,89 EUR onder aftrek van de sociale en fiscale lasten.
  6. Geïntimeerde qq. vraagt: - de opname van de vordering van appellante in het gewoon passief van het faillissement; - de veroordeling van appellante tot de kosten gevallen in beide aanleggen. Feitelijke uiteenzetting - Standpunt van de partijen
  7. Op 18 september 2000 heeft appellante een stageovereenkomst met de BVBA NETLINK afgesloten voor een duur van 33 maanden, beginnend op 1 oktober 2000 en eindigend op 30 juni
  8. Deze overeenkomst werd afgesloten overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1999 betreffende de ondernemingsopleiding. De stagevergoeding bedroeg bij aanvang 390,95 EUR (15.771,00 BEF) en werd aangepast overeenkomstig het opleidingsjaar en de jaarlijkse loonindex. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Ieper d.d. 14 juni 2002 werd de BVBA NETLINK in staat van faillissement verklaard. Op 1 juli 2002 deed appellante aangifte van haar schuldvordering in het gewoon en bevoorrecht passief van het faillissement van de BVBA NETLINK voor een provisioneel bedrag.
  9. Appellante houdt voor dat zij een bevoorrechte schuldvordering heeft lastens de gefailleerde vennootschap uit hoofde van de stage-overeenkomst ten belope van 5.622,89 EUR onder aftrek van de sociale en fiscale lasten.
  10. Geïntimeerde qq. van zijn kant betwist het bedrag van de vordering niet, maar stelt dat appellante enkel verbonden was door een stageovereenkomst, zodat zij het voorrecht van artikel 19 3°bis Hyp.W. niet kan inroepen. Beoordeling
  11. De betwisting tussen partijen betreft de vraag of de schuldvordering al dan niet bevoorrecht is overeenkomstig artikel 19 3°bis Hyp.W. Dit artikel kent een wettelijke voorrang toe aan de werknemers voor hun loon zoals bepaald in artikel 2 van de wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hierna genoemd: Loon-beschermingswet). Het Hof dient hiervoor na te gaan of de stagevergoeding zoals bepaald in de stageovereenkomst d.d. 18 september 2000, kan beschouwd worden als loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet.
  12. In punt 3 van de stageovereenkomst d.d. 18 september 2000 wordt verwezen naar een CAO. In de betrokken sector werd evenwel geen CAO afgesloten voor de stageovereenkomsten en -vergoedingen. Het feit dat een collectieve arbeidsovereenkomst over de stage-overeenkomsten diende te worden afgesloten in de betrokken sector, wijst erop dat het hier een situatie in de sfeer van een arbeidsverhouding betreft, waarbij rechten en/of plichten voor werknemers en werkgevers worden vastgelegd.
  13. In de stageovereenkomst d.d. 18 september 2000 wordt bepaald dat deze werd afgesloten overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1999 betreffende de ondernemingsopleiding. In punt 5 van de stageovereenkomst wordt overigens uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 56 en 70 van voormeld besluit. Artikel 52, § 8 van het besluit van 23 februari 1999 stipuleert dat de bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers van toepassing zijn op de stagevergoeding.
  14. De Loonbeschermingswet is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers. Met werknemers worden gelijkgesteld: de leerlingen, alsook de personen, die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon (art. 1). Arbeid in dienstverband wordt niet alleen verricht door werknemers. De Loonbeschermingswet is van toepassing op iedere bezoldigde en ondergeschikte werknemer, ongeacht de oorsprong van zijn onder-geschiktheid en de modaliteiten van zijn bezoldiging. Het toepassings-gebied van de wet strekt zich derhalve ook uit over leerlingen en stagiairs.
  15. De Loonbeschermingswet verstaat onder ¿loon¿: 1° het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienst-betrekking recht heeft ten laste van de werkgever; 2° de fooien of het bedieningsgeld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik; 3° de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever (art. 2). De loondefinitie van artikel 2 van de wet vereist dat de werknemers of de met werknemers gelijkgestelden recht hebben op een geldsom of een voordeel in natura. Dit recht moet voortspruiten uit een ¿dienst-betrekking¿. In tegenstelling tot loon in de algemene betekenis van het woord, waar loon de tegenprestatie is van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht, is de definitie van loon in de Loonbeschermingswet veel ruimer. ¿Ingevolge dienstbetrekking¿ duidt op een zeer ruim toepassingsgebied, zowel wat de aard van de arbeidsverhouding betreft als wat de band van het loon ermee betreft. De toepassing van de Loonbeschermingswet beperkt zich dan ook niet tot arbeidsovereenkomsten alleen, maar strekt zich uit tot elke arbeidsverhouding in ondergeschikt verband.
  16. Geïntimeerde merkt terecht op dat een stageovereenkomst zich van een arbeidsovereenkomst onderscheidt door haar finaliteit. De primaire bedoeling van dergelijke overeenkomst is niet dat de stagiair door het verrichten van arbeid in zijn levensonderhoud voorziet, maar dat hij, door het verrichten van arbeid onder gezag, praktische beroepservaring opdoet. Zoals hierboven reeds gesteld werd, strekt het toepassingsgebied van de Loonbeschermingswet zich echter ook uit tot de leerlingen en de stagiairs, zodat ook appellante kan beschouwd worden als werknemer in de zin van de wet. De stagevergoeding bepaald in punt 3 van de stageovereenkomst d.d. 18 september 2000 is dan ook loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Bijgevolg is de vordering van appellante bevoorrecht overeenkomstig artikel 19, 3°bis Hyp.W. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Melding makende dat artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd, Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk, Vernietigt het vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante gegrond als volgt, Beveelt de opname van het bedrag van 5.622,89 EUR in het bevoorrecht passief van de faling van de BVBA NETLINK, Veroordeelt geïntimeerde qq. in de kosten van beide aanleggen die het aan de zijde van appellante op 466,04 EUR als rechtsplegingsvergoeding in beroep en 342,09 EUR in eerste aanleg begroot. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zeven februari tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Macours, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.