← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050214.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050214.8 Rolnummer: 2002/AR/2387 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 05:30 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Goederen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op transportmiddelen Vrije woorden: Transport - leasing van oplegger - art. 2279 en 2280 B.W niet van toepassing ingeval van verdwijnen van de oplegger en misbruik van vertrouwen, dit valt buiten toepassingsgebied van art. 2279 en 2280 B.W - diefstal of verlies - misbruik van vertrouwen - strafrechtelijk beslag. Een strafrechtelijk beslag kan niet beschouwd worden als een verlies van de zaak in de zin van art.2279 en 2280 B.W Evenmin kan diefstal gelijkgesteld worden met de onwettige uitvoering van een overeenkomst, verduistering of misbruik van vertrouwen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 2279 oud Burgerlijk Wetboek - 2280 Tekst van de beslissing in de zaak van :

  1. IONIKI LEASING S.A., naamloze vennootschap naar Grieks recht met maatschappelijke zetel te Gr-106.71 Athene (Griekenland), Valaoritou Street 15,
  2. A.P, ¿, wonende te X, appellanten, hebbende als raadsman mr. Antonis Catsoulis, advocaat met kantoor te 2650 Edegem, Mechelsesteenweg 210, alwaar zij woonstkeuze doen, tegen N.V. HOET TRUCKING EN RENTING, met maatschappelijke zetel te 8830 Hooglede-Gits, Bruggesteenweg 127 en ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 112.146, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Karel Decruyenaere, advocaat met kantoor te 8930 Menen, Yvonne Serruysstraat 54, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 22 maart 2004 in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien. Bij verzoekschrift van 13 november 2002 stellen de S.A. IONIKI LEASING en P.A hoger beroep in tegen het vonnis van 27 mei 2002, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer van de rechtbank van Koophandel te Kortrijk (A.R. 98/4945). Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. I. Feiten - procedure in eerste aanleg.
  3. Op 29 oktober 1996 sluit de N.V. Hoet Trucking & Renting, geïntimeerde, een overeenkomst af met A & A Transport voor de leasing van een tankoplegger (stuk 1 van het dossier van geïntimeerde). Deze twee partijen sluiten ook andere overeenkomsten af, die hier evenwel niet aan de orde zijn. Naar zeggen van geïntimeerde waren zij in contact gekomen met het bedrijf A & A Transport via een bestaande klant van hen, namelijk de N.V. Pritsas International Transport. Er wordt niet betwist dat de termijnen regelmatig betaald werden tot november
  4. Op 18 september 1997 koopt Ioniki Leasing S.A. van Delta Hellas Vehicles - P. Pritsas S.A. de tankoplegger voor een bedrag van 15.000 DM (bijlage bij stuk 7 van het dossier van geïntimeerde). Geïntimeerde verneemt dit op 9 december 1997 (stuk 7 van haar dossier).
  5. Op 7 mei 1998 ontvangt geïntimeerde een ongedekte check voor achterstallen in huurgelden. De aangetekende brieven van geïntimeerde worden teruggestuurd met de melding dat A & A Transport niet meer op het adres gevestigd is. Op 26 mei 1998 legt geïntimeerde strafklacht neer wegens de verantwoordelijken van de B.V.B.A. A & A Transport omdat zij niet betaald is, het materieel terugwenst en vaststelt dat op de maatschappelijke zetel geen activiteit meer uitgeoefend wordt en het leasingmaterieel niet meer voorhanden is (stuk 2 van het dossier van geïntimeerde). Als gevolg hiervan wordt de tankoplegger internationaal geseind.
  6. Op 3 juli 1998 dient de Heer P.A, tweede appellant, een aanvraag in tot inschrijving van de betwiste tankoplegger bij de Griekse autoriteiten. Tweede appellant is op geen enkel ogenblik eigenaar van het voertuig, maar appellanten suggereren dat de tweede appellant leasingnemer is bij eerste appellante op grond van een overeenkomst van 6 oktober 1997 (stuk 1 van het dossier van appellanten). Omdat zowel in het Griekse origineel, als in de Nederlandse vertaling het eerste blad van de overeenkomst ontbreekt, is het niet mogelijk na te gaan wat precies geleasd werd tussen partijen. Hoe dan ook is het op zijn minst bevreemdend dat tweede appellant als leasingnemer van een oplegger sedert 6 oktober 1997 op 3 juli 1998 om een zogeheten grijze kaart verzoekt bij de Griekse autoriteiten en dat terwijl eerste appellante sedert 18 september 1997 de rechtmatige eigenares van de oplegger zou zijn..
  7. Op 4 december 1998 wordt de tankoplegger te Rotterdam in beslag genomen in gevolge het internationale signalement.
  8. Uit het document van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur Dienst Verkeer - Directe Inschrijvingen (stuk 17 van het dossier van geïntimeerde) blijkt dat de oplegger ononderbroken ingeschreven was op naam van geïntimeerde en onder het houdernummer van geïntimeerde voor de periode van 29 oktober 1996 tot 6 december
  9. Het feit dat dit getuigschrift uitgereikt werd op 13 september 2000 verandert niets aan de geldigheid van de inhoud ervan.
  10. De huidige appellanten starten een procedure in kort geding en ten gronde, om de oplegger van geïntimeerde te recupereren en een (gedeeltelijk vervangende) schadevergoeding te bekomen. In de procedure ten gronde stelt huidige geïntimeerde een tegeneis in om appellanten te horen veroordelen tot het betalen van de recuperatiekosten van de oplegger en het verschil in waarde van de oplegger op het ogenblik dat eerste appellante de oplegger kocht en geïntimeerde hem terug kon verkopen. De eerste rechter verklaarde in de procedure ten gronde de hoofd- en de tegeneis toelaatbaar maar ongegrond, in hoofdzaak omdat hij van oordeel was dat de artikelen 2279 en 2280 B.W. in deze zaak niet van toepassing zijn. Verder gaat de eerste rechter nog in op de toepassing en de interpretatie van artikel 2280 B.W.. Appellanten en geïntimeerden worden respectievelijk veroordeeld tot het betalen van 2/3de en 1/3de van de kosten. II. Procedure in hoger beroep - grieven.
  11. Appellanten zijn van oordeel dat de enige vraag die beslecht dient te worden is of zij ten gevolge van het ¿politioneel strafrechtelijk beslag de bescherming van artikel 2280 B.W. verliezen¿ (p. 8 verzoekschrift tot hoger beroep + p. 7 van de beroepsconclusie).
  12. Geïntimeerden stellen geen incidenteel hoger beroep in.
  13. De betwisting die nog in hoger beroep blijft, is de betwisting of de artikelen 2279 en 2280 B.W. van toepassing zijn. III. Beoordeling.
  14. Opdat de artikelen 2279 en 2280 B.W. van toepassing zouden zijn, dient er sprake te zijn van diefstal of verlies. Welnu, uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat er van verlies in deze zeker geen sprake kan zijn. Een tankoplegger raakt niet zomaar zoek. Een strafrechtelijk beslag op de oplegger impliceert geen verlies in hoofde van appellanten. Zij wisten op elk ogenblik precies waar de oplegger was. De feiten kunnen evenmin als diefstal gekwalificeerd worden. In deze zaak is het vertrouwen van geïntimeerde misbruikt geweest. Immers, de N.V. Hoet Trucking en Renting ging op 29 oktober 1996 een leasingovereenkomst aan met A & A Transport voor een tankoplegger. In het kader van de uitvoering van deze overeenkomst heeft geïntimeerde het precair bezit van de tankoplegger overgedragen aan A & A Transport. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt eveneens dat geïntimeerde zich tot 8 december 1998 is blijven gedragen als eigenaar, die het precair bezit heeft overgedragen, en dat de wijze waarop eerste appellante op 6 oktober 1997 eigenaar geworden zou zijn van de tankoplegger op zijn minst niet geheel duidelijk is. De aanvraag om een grijze kaart door tweede appellante ettelijke maanden nadat hij leasingnemer werd, vergroot enkel de ¿onduidelijkheid¿. Bij diefstal is er nooit de wil om het precair bezit over te maken (noch om het te ontvangen aan de zijde van ontvreemder). De inbeslagname door de politie te Rotterdam is gebaseerd op de overeenkomst die geïntimeerde had met A & A Transport en op de onwettige uitvoering ervan. Geen enkel partij in deze zaak kan haar vordering dan ook rechtsgeldig baseren op de artikelen 2279 en 2280 B.W., nu geen enkele partij bestolen werd of de tankoplegger verloor. De uitzonderingen van het tweede lid van artikel 2279 B.W. dienen strikt geïnterpreteerd te worden, omwille van het feit dat het uitzonderingen zijn en kunnen niet uitgebreid worden tot andere wijzen van verdwijnen van goederen, zoals de onwettige uitvoering van een overeenkomst, verduistering of misbruik van vertrouwen. (cfr. ook mut. mut. Cass., 26 maart 1914, Pas., I, 1914, 157, met advies van Advocaat-Generaal Edmond Janssens). Appellanten hebben geen rechtsgrond voor hun vordering tegen geïntimeerde. Het voorgaande weerlegt de conclusie van appellanten volledig. Het hoger beroep is ongegrond en het bestreden vonnis wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN, Het Hof, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger toelaatbaar, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, in graad van beroep bepaald op: Geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding: euro 466,04 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op veertien februari tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.